Onderwerp
: Sand
Auteur : Tom Gerrets
Datum : 30-10-2010
 


 The Chronicles... So Far
 

Sand

 
Hamdi el Fatoui wachtte een grootse toekomst.’
Dit had de Moesa van zijn stam in ieder geval altijd al gezegd. Al vanaf het moment dat Hamdi, samen met de andere kinderen van zijn stam zich voor de tent van de medicijnman verdrongen om te luisteren naar de spannende verhalen over vroeger, die de oude tandenloze man met zijn krakerige stem kon vertellen.
Net zoals Sarima, met de sterkste krijger van de stam zou gaan trouwen, wachtte Hamdi een grootse toekomst.
Hamdi hoopte in die tijd natuurlijk wel dat zijn grootse toekomst dan zou zijn dat hij de sterkste krijger van de stam zou worden. Want Sarima was tenslotte het allermooiste meisje dat hij in zijn leven had gezien.

Wanneer Hamdi aan de Moesa vroeg wat die grootse toekomst voor hem dan zou zijn, lachte de meest wijze man van de stam een tandenloze lach en gaf antwoorden als: “De toekomst toont zich vanzelf wanneer hij dit nodig acht.”, of: “Luister naar de stem van de Woestijn en misschien fluistert Zij het je wel in.” Hierna liep de oude man direct zijn tent weer in of was schijnbaar ontzettend druk met iets anders, waardoor hij geen tijd meer had voor Hamdi.

In ieder geval groeide Hamdi op met het mysterie van zijn ‘grootse toekomst’.
Toen Hamdi voor de 18e keer de wenteling van de wereld had meegemaakt, wist hij bijna zeker dat hij de grootste krijger van de stam zou worden, want Sarima had inmiddels heel duidelijk laten merken dat zij voor Hamdi meer gevoelens had, dan voor de andere jongens die in de rij stonden om indruk op haar te maken.
Groot was dan ook de schok voor Hamdi, toen de vader van Sarima op een avond rond het stamvuur opstond en aan alle mannen en jonge jagers meedeelde dat hij het meest prachtige nieuws had.
“Mannen van de Mozaï al Badr, ik heb verheugend nieuws.”, had hij vrolijk geroepen: “Mijn parel van een dochter, Sarima, zal over enkele weken uitgehuwelijkt worden aan de oudste zoon van het stamhoofd van de Bedrahin. Naast een gelukkig en fortuinlijk leven, zal Sarima hiermee ook de banden tussen de Mozaï al Badr en de Bedrahin verstevigen. Een band waarbij ieder lid van de stam zal welvaren. Laten we nu drinken op het geluk van onze stam, onze families, de Bedrahin en ook op het geluk van Sarima.”
De woorden galmden nog na in de oren van Hamdi, waardoor het gejuich van de mannen rond het vuur, verstomde.
Langzaam keek Hamdi de cirkel van mannen rond. Hier en daar stonden mannen op om Sarima’s vader complimenteus op zijn schouder te slaan. Aan de overkant van het stamvuur zat de Moesa en grijnsde een vormeloze grijns naar Hamdi.

In de weken hierop volgend ging Hamdi el Fatoui zich steeds roekelozer gedragen tijdens de jacht.
Enkele andere jonge jagers hadden hierover al hun beklag gedaan omdat ook zij in gevaar kwamen door de onvoorspelbare acties die Hamdi uithaalde.
De strenge woorden van Hamdi’s vader, bekend binnen de stam als een uiterst bekwame jager, leken ook geen invloed te hebben op zijn onbezonnen zoon.

Twee dagen voordat de stam van de Bedrahin zich zouden verenigen met de de Mozaï al Badr om het aanstaande huwelijk te vieren, vertrokken de jonge jagers om de laatste dieren die nodig waren voor de grootse bruiloft te vangen.
Er was een groepje Dunedragons gespot op een halve dagreis van het Mozaï kamp. Dunedragons zijn hele grote hagedissen die berucht zijn om de wrede manier waarop zij het vee van Berberstammen kunnen aanvallen. Met een gerichte beet, kunnen ze in een tel het been van een volwassen man afbijten, dus de jacht op deze beesten is zeker niet zonder risico’s.
De Dunedragon wordt echter ook geroemd om zijn smaak. Het zachte, blanke vlees van deze dieren smaakt met de juiste kruiden en bereidingswijze, lekkerder dan het vlees van de beste kameel of geit.
Het schieten van één, of nog beter, twee Dunedragons, zou het huwelijksfeest voor de komende dagen van koninklijk vlees voorzien. Om nog maar te zwijgen van de status en respect die de jagers van de Mozaï zouden afdwingen met het vangen van deze beesten.

Vlak voor zonsopgang hadden de jonge jagers zich verzameld aan de rand van het tentenkamp.
Usem, een geharde jager en krijger van de stam keek bedenkelijk naar de zandduinen die langzaam kleur kregen door de opkomende zon. Zijn donkere huid, was door een overvloed aan warmte en zon donkere en leerachtig geworden. Hij keek naar de hemel en snoof kort de frisse ochtendlucht op.
“Er komt een zandstorm aanzetten nadat de zon naar haar hoogste punt is geklommen en alweer bijna onder de horizon is verdwenen. Zorg ervoor dat jullie voor die tijd terug zijn en laat je niet grijpen door de klauwen van Moeder Woestijn.”, gromde de oude jager. “Het mag niet zo zijn dat de Woestijn meer neemt dan dat zij geeft, dus als jullie voor het middaguur de Duindraken niet gevonden hebben, komen jullie terug en maken onze vrouwen een vorstelijk maal van geitenvlees.”

Nadat de jonge jagers instemmend hadden geknikt, draaide Usem zich om en stapte richting het tentenkamp. Hierna vertrokken de jongens met de gezonde spanning in hun lijf die hoort bij een tocht naar groot wild.
Toen Hamdi zich omdraaide en nog een keer naar zijn kamp dat langzaam kleiner werd keek, zag hij de Moesa aan de rand van het kamp. De medicijnman leunde op de knoestige stok die hem hielp bij het lopen. Hamdi kon zich niet aan de indruk onttrekken dat de man een brede tandenloze lach tevoorschijn had getoverd voor de jonge jagers. Vanuit de verte zag hij de mond van de Moesa bewegen en Hamdi dacht te kunnen opmaken dat de oude, gebarsten lippen van de man de woorden: “Grootse toekomst”vormden. Hamdi vloekte binnensmonds naar de oude medicijnman. Hij was tenslotte al die tijd een grote leugenaar geweest. Want, Sarima ging helemaal niet trouwen met de sterkste krijger van de stam. Zij was uitgehuwelijkt aan de zoon van een andere stam. Wat had het leven nog voor zin zonder Sarima? Verbitterd draaide Hamdi zich om en richtte zich op de jacht; ze zouden al die mannen van de Bedrahin in hun hemd zetten door twee Duindraken mee te nemen.

De jacht verliep niet zoals gepland. Met name omdat de Dunedragons zich gedurende dag totaal niet lieten zien. De sporen van de grote beesten waren er voldoende, de dieren zelf echter niet.
Aznag, een jonge, veelbelovende jager, had al meerdere keren aangegeven dat de groep terug moest keren naar het kamp. Hier in de openheid van de Woestijn waren ze niet opgewassen tegen de storm die Usem had aangekondigd. Hamdi had echter continu druk uitgeoefend om door te gaan en verleidde de andere, jonge jagers met verhalen over hoe zij onthaald zouden worden met een grote Duindraak die zij geschoten hadden.
Nu de zon al enige tijd aan haar afdaling was begonnen en de groep eigenlijk te ver van het kamp verwijderd was om voor het donker terug te kunnen keren, hield Aznag de groep weer staande.
Dit keer was hij adamant in zijn eis om terug te keren. De mooie woorden van Hamdi hielpen ook niet meer om de moraal hoog te houden bij de andere jagers en ook zij kozen partij voor Aznag.

Woedend had Hamdi gezegd dat ze allemaal laffe hyena’s waren en dat hij desnoods in zijn eentje de eer van de hele stam hoog zou houden. Hij moest en zou een Duindraak doden. Vervolgens was hij in rap tempo over de dichtstbijzijnde duinpan geklommen om de sporen van de grote hagedissen te volgen.
Aznag wilde met de groep nog even wachten tot Hamdi zou bekoelen en op rassen schrede terug te keren, maar toen hij aan de horizon de donkere stuifwolk van de aanzwellende storm zag verschijnen, besloot hij om de jonge jagers zo snel mogelijk terug naar het kamp te brengen.

Het rondrazende zand striemde het vlees van Hamdi, maar toch wilde hij van geen wijken weten.
Als hij met een Duindraak terug kwam, zou iedereen weten dat hij de toekomstige man van Sarima had moeten zijn. Door de huilende wind om zijn hoofd kon Hamdi zijn eigen ademhaling niet eens meer horen. Ademen ging hem toch al moeilijk af omdat het fijne zand genadeloos op zijn monddoek beukte en langzaam door de stof heen een weg naar zijn mond en neusgaten vond.
De wind leek onverstaanbare woorden te schreeuwen en toen Hamdi bij zinnen was gekomen en zich weer bij zijn stamgenoten wilde voegen, wist hij al dat hij inmiddels te laat was.
Zijn sterke benen zakten weg in het opwaaiende zand en binnen enkele minuten was hij uitgeput.
Toen hij zich verslagen liet vallen in de zandstorm, voelde hij een soort overgave.
De Woestijn zou hem claimen, veel te jong en dus oneerlijk, maar Hamdi had Haar die kans zelf gegeven door zijn overmoedigheid. Met een laatste krachtinspanning en een mond vol zand, vervloekte hij Moeder Woestijn. Heel even leek de wind te stoppen en Hamdi keek half onder het zand begraven omhoog. Met droge zandkorsten op zijn vochtige oogleden, keek hij naar de hemel, terwijl rondom hem de storm furieus tierde. Hamdi besefte ver weg dat hij in het stille oog van de storm zat. Hij vloekte nogmaals: “Sterf Moeder Woestijn, met al je woestijnstammen en stormen en dieren erbij! Sterf onder de vernietigende zon! Ik haat je!”
Uitgeput liet Hamdi zijn hoofd zakken en het leek of de wind achter hem verstaanbare woorden huilde. De wind leek te roepen: “Incarnation, Hamdi el Fatoui, Incarnation”
Tijd om zich om te draaien naar het geluid kreeg Hamdi niet, want voor zijn gezicht spatte de woestijngrond in een fontein van zand uit elkaar. Een gigantische stofexplosie verblindde Hamdi en toen hij het zand bijna had kunnen wegknipperen uit zijn ogen zag hij een reusachtig wezen voor hem staan. Het wezen leek helemaal van zand te zijn gemaakt en keek minachtend op hem neer.
Verstomd keek Hamdi naar het zandwezen dat boven hem uittorende.

Het wezen keek naar beneden en lachte een sinistere, tandeloze lach. Als Hamdi niet beter had geweten zou hij bijna zeggen dat hij deze lach herkende. En toen sprak het wezen met een stem als zand dat met grote snelheid een put instroomt: “Hamdi al Fatoui, de Woestijn, Zij sterft nooit!”, de stem bulderde alsof hij een zandstorm van zichzelf zou veroorzaken: “Zij heeft jou uitgekozen om haar te vertegenwoordigen en te zorgen dat Zij altijd zal blijven bestaan. Avatar van Zij die geeft en neemt, bereid je voor! Want jouw grootse toekomst is nu aangebroken en geboren uit jouw ijdelheid en hardnekkigheid.” Hamdi wilde antwoorden, smeken voor zijn leven. Maar het wezen bracht twee gigantische vuisten van zand bij elkaar die leken samen te smelten in één grote maalstroom van zand. Hamdi opende zijn mond omdat hij om vergeving wilde schreeuwen.
Voordat hij echter ook maar een kreet kon uiten, schoot de maalstroom van zand met een enorme kracht op Hamdi af.
desert avatar sand golem.jpg
Terwijl de storm weer neerviel over Hamdi en het reusachtige zandwezen, voelde Hamdi het zand zich een weg naar binnen vreten door zijn keel, terwijl het vlees van zijn botten gestriemd werd. Terwijl Hamdi levend door het zand verscheurd werd, ontnam de razende storm alle zicht.De storm was gaan liggen en Aznag liep bedroefd naar de rand van het kamp. Hamdi had deze storm nooit kunnen overleven. Verbitterd keek hij naar de laatste zandkolkjes die werden opgewaaid door een milde woestijnbries. Tijdens de storm was ook de Moesa overleden. Het leek erop dat de Mozaï Al Badr één huwelijk en twee begrafenissen tegelijk moesten regelen.
Met een laatste gebed voor een dappere jager keerde hij zich om en slenterde terug naar het kamp.

Kilometers verderop, in het hart van de woestijn, materialiseerde uit zand een arm en vervolgens een lichaam. De gekristalliseerde huid van het wezen dat leek voort te komen uit de zandheuvel, keek onwennig om zich heen en dacht: “Sarima…”

sand.jpg

 

 
Paladins! A Forgotten Realms Campaign - All contents © copyright 2004. All rights reserved.