Onderwerp
: Pillars of Salt
Auteur : Remco Gerrets
Datum : 17-10-2010
 


 The Chronicles... So Far
 

Pillars of Salt

 
Belros bekeek de minuscule kristallen in zijn handpalm. Glazige, doorzichtig witte kristallen. Tussen zijn duim en wijsvinger korrelde hij de kristallen en proefde. Zout. Zoals de smaak van zweet dat door de droge woestijnlucht was uitgedroogd. De paladin bekeek de brokken kristalachtig steen en tikte er voorzichtig met het gevest van zijn zwaard tegenaan. Als ruw zand brak er stuk van de zoutafzetting af. Als water ‘stroomden’ de korrels door de vers ontstane zoutgeul. Een tweede kristallen steen, veel groter in omvang stond nog geen twee meter van Belros vandaan. Plotseling begon Belros een vorm te herkennen in de kristallen massa. Voorzichtig verwijderde hij nog een aantal brokstukken, waarna hij oog in oog stond met het levenloze lichaam van Dergorim, een van zijn trouwste tempelwachters.
Enkele minuten later waren Valerius en Marcus gesommeerd om de tempelheer bij te staan. Valerius en Belros waren in discussie over hoe Dergorim, en een andere tempelwacht, Staverim, die inmiddels was ‘uitgegraven’ en ontdekt, waren gevangen en vermoord in de zoutpilaren.
‘Valerius,’ zei Belros, ‘het kan mij eerlijk gezegd vrij weinig schelen of ze zijn omgebracht via een verbale of een non-verbale spreuk.’ The Voice of Astoth was duidelijk “not amused”. ‘Feit blijft’ ging hij verder, ‘dat twee van mijn wachters omgebracht zijn zonder dat iets of iemand ook maar iets gemerkt heeft!’
‘En nog wel in je eigen tempel.’ fluisterde Marcus meer tegen zichzelf dan iemand anders. Belros leek de opmerking niet gehoord te hebben en gaf Hemingway, de ontdekker van de zoutpilaren, de opdracht om alarm te slaan. De meeste bezoekers waren inmiddels alweer vertrokken en Belros twijfelde geen moment om de tempel hermetisch af te sluiten.
Terwijl Hemingway de laatste orders kreeg wees Marcus Valerius op de flinterdunne laag zout die over een groot gedeelte van de gang zat. Valerius had de zoutlaag al eerder onderzocht en focuste zich momenteel op de lichamen van de twee wachters. ‘De bovenste laag van de huid is volkomen uitgedroogd.’ merkte de magiër klinisch op alsof hij mentaal aantekening maakte van de impromptu autopsie. ‘Geen expressie van angst, wellicht dat de wachters onverwachts zijn overvallen.’ Valerius draaide zich om en vroeg Marcus of hij de lichamen verder kon onderzoeken, wellicht dat de demon hunter nog iets wist te achterhalen. ‘Ik ga even bij de teleport stone kijken. Gewoon om zeker te zijn dat alles in orde is.’
Slechts minuten later werd Valerius’ vrees waarheid. Er was iets grondig mis met de teleport Stone. Het lage monotone gezoem dat normaliter de ruimte vulde was weg. De teleport stone was gesaboteerd! In eerste instantie viel het Valerius niet eens op, maar bij nader onderzoek wist hij het met zeker. Waar voorheen links en rechts van de teleport stone twee helblauwe stenen pronkten, waren holle gaten de stille getuigen van de roof die de teleport stone onklaar hadden gemaakt. Waar Valerius normaliter patent had op wollig taalgebruik ontglipte hem een welgemeend en ontnuchterend ‘Oh, shit!’.

Dust in the wind
Woest was Belros. Waarom hadden de wachters bij de teleport stone niets gezien? Hoe kon iemand ongemerkt door zijn tempel lopen, twee van zijn soldaten ombrengen zonder dat er een enkel spoor te vinden was? En waar was de Shadout?!
‘We moeten nu naar het Inner Santcum!’ gromde Belros terwijl hij de war-room verliet. Marcus en Valerius volgden hem op de voet. Malend over de afgelopen gebeurtenissen stampvoette Belros richting het heiligste gedeelte van zijn tempel. Na een paar minuten stapte hij een lange gang in die, wanneer uitgelopen, na twee keer linksaf slaan zou uitkomen bij het Inner Sanctum. Verderop in de gang zag hij hoe twee undead warriors of Astoth op hem af kwamen. Marcus maakte aanstalten om de undead te turnen, maar Valerius hield de Tormyte tegen.
Belros bulderde door de gang; ‘Warriors of Astoth! Stand your ground! I am The Voice of Astoth and demand clarification why you have left your tombs!’ De undead staakten hun mars en met een onaardse stem als zand op steen antwoordde een van hen. ‘The temple is in peril. We protect the temple.’
Valerius legde uit dat de undead de feitelijke beschermheren waren van de tempel van Astoth. Hun opdracht de tempel te beschermen zouden zij tot in het extreme uitvoeren door alles dat zich niet tot Astoth had bekeerd te elimineren. Belros hield de reizigers die zich nog in zijn tempel ophielden in gedachte en eiste dat de undead alleen evil zouden aanpakken. De undead leken hiermee akkoord te gaan.
‘Ik moet eerst naar de catacomben om dit recht te zetten.’ zei Belros tegen zijn mede-paladins. ‘Als ik de undead niet in toom houd, dan maken ze alles en iedereen af. Als jullie het Inner Sanctum checken zien we elkaar daarna terug in de war-room.

Het duurde slechts minuten voordat Belros de catacomben had bereikt en onderweg was hij al verscheidene undead tegengekomen. In de catacomben was het werkelijk een drukte van belang. De undead waren opgestaan en overal waar hij keek zag Belros de warriors van Astoth. De barse stem van Belros galmde door de catacomben oen hij de skeletons met succes opdracht gaf terug te keren naar de catacomben. Opeengepakt stonden de warriors of Astoth in de catacomben.
‘Warriors, waar is jullie leider?’ sprak Belros. Een van de undead gooide een bronzen hoofdband naar voren. ‘Onze leider is niet hier. De tempel is in gevaar.’
‘Wie is er binnen geweest?’ vroeg Belros.
‘De wind van de woestijn.’ antwoordde de ondode.

Valerius en Marcus hadden het inner sanctum bezocht en er leek niets aan de hand. Niet veel later troffen zij Belros zoals afgesproken in de war-room.
‘Het is goed mis, mannen.’ zei Belros. ‘De undead hebben geen leider meer en de teleport stone is uitgeschakeld. Ik wil dit tot de bodem uitgezocht hebben. Ik wil alle belangrijke vertrekken gecheckt hebben. Te beginnen met de schatkamer.’
In rap tempo bezocht het drietal de meest belangrijke kamers van de tempel; te weten de schatkamer, de kamer waar het hart van Marcus stond, en natuurlijk de worship room. Alles leek in orde totdat Belros aanstalten maakte de hartkamer te verlaten. De heilige tekens van Astoth waren verdwenen!!
Terwijl de drie naar het persoonlijke vertrek van Belros liepen klonk er een schreeuw om hulp. De paladins renden op het geluid af en stonden een aantal tellen later oog in oog met een dun figuur. Terwijl de paladins hun wapens pakten aarzelde het dunne wezen geen moment en gooide iets richting het drietal. In een flits was de gang gevuld met rook en vanuit de rookwolk klonk een diep beestachtig geluid. Een soort reusachtige wolf sprong vanuit de rookwolk. Met messcherpe tanden probeerde het monster de paladins te bijten. Het gevecht met de Guulvorg was snel en hard. Over en weer vielen rake klappen waarbij het magical beast het onderspit delfde.

De drie paladins liepen verder naar Belros privévertrek om het Sword of Astoth op te halen. Aldaar maakte Belros nogmaals de balans op. Allereerst waren er de twee dode wachters, vervolgens de gedeactiveerde teleport stone, de spoorloze undead leader en de verdwenen tekens van Astoth in de hartkamer.
‘Hoogstwaarschijnlijk kan ik de undead slechts voor korte periode onder controle houden. Daarom wil ik dat alle acolieten de tempel uit worden gezet. Zij zijn nog niet zo ingewijd in de leer van Astoth dat de undead hun met rust zullen laten.’ De volgeling van Belros rende naar de ontvangsthal van de tempel en instrueerde enkele luitenanten om er zeker van te zijn dat echt alle acolieten buiten het tempelcomplex gebracht zouden worden.
Belros, Marcus en Valerius snelden naar de worship room, aangezien dit de laatst overgebleven kamer was waar mogelijk iets ontvreemd of ontheiligd was. Eenmaal aangekomen in de bidkamer bleek alles nog intact. Desalniettemin besloot Belros de hulp in te roepen van de undead en samen de tempel van Astoth te cleanen. Na twaalf warriors of Astoth in de worship room te hebben gepositioneerd trok The Voice of Astoth met de rest van het undead leger door zijn tempel.
In minder dan een kwartier vertakte het undead leger onder aanvoering van Belros zich door het gehele tempel complex. Kamer voor kamer werd de tempel veilig gesteld. Valerius en Marcus waren wederom onder de indruk van het staaltje leiderschap dat hun brother-in-arms vertoonde.

Het veiligstellen van de tempel verliep voorspoedig, echter, in een gang op weg naar de library verscheen er plotseling een grote zandwolk die hen de weg versperde. De wervelwind van zand geselde de paladins en langzaam maar zeker ontwaarde zich een figuur in het midden van de wolk. Belros trok het Sword of Astoth terwijl Valerius zonder succes een dispel magic uitsprak. Onaangedaan aanschouwde het figuur van zand de drie paladins en hun opmerkelijke kompanen, het undead leger. Met een stem als schurend zand sprak het wezen; ‘De balans van de woestijn moet hersteld worden’. Met een enkel woord veranderde het figuur weer in een zandwolk en verscheen er een giant sand scorpion.
Opnieuw was het gevecht kort, maar hevig. Valerius wendde zich tot de gunsten van Azuth, terwijl Marcus met de hulp van Torm vanuit het niets water creëerde, waardoor de scorpion stukje bij beetje werd uitgeschakeld.
Nadat de scorpion was verslagen renden de paladins naar de uitgang. Belros was er van overtuigd dat het zandfiguur de uitgang had opgezocht en zodoende schreeuwde hij de wachters toe de tempelpoort te openen. Nog voordat de poort een halve meter was geopend wurmde Belros zich al door de opening, zo gebrand was hij om het figuur te achterhalen. Echter, de woestijn en haar zandstormen belette hem het zicht en de mogelijkheid zijn gram te halen.
Zijn vraag aan het undead leger of de tempel nog in gevaar was bleef angstvallig onbeantwoord. Met het Sword of Astoth ter hand staarde The Voice vanuit zijn tempelpoort naar de machtige woestijn voor hem. In zijn radeloosheid was hij niet in staat de boodschap te doorgronden die werd meegevoerd op de tonen van de huilende wind.

 
 
 

 

 
Paladins! A Forgotten Realms Campaign - All contents © copyright 2004. All rights reserved.