Onderwerp
: Salt - Verhalen Uit De Woestijn III
Auteur : Tom Gerrets
Datum : 18-11-2010
 


 The Chronicles... So Far
 

Salt - Verhalen Uit De Woestijn III

 
Het leven voor de Moad Sharib stam was veranderd sinds Kadir al Sharaff hen ontvallen was.
De Moad Sharib waren een trots woestijnvolk. Zij respecteerden de Woestijn, Haar wetten en Haar grillen. Hoewel de wet van de Woestijn soms hard en meedogenloos leek voor hen die niet ingewijd waren in de wijze van de Woestijn, vonden de Moad Sharib vrede in al wat de Woestijn gaf en nam.
Dit kwam zeker ook door de warme woorden die Kadir al Sharaff sprak, wanneer de Woestijn tijdelijk de stam zwaardere ontberingen bracht. Deze warme woorden werden niet langer gesproken sinds zijn vertrek. En juist nu had de stam deze woorden meer dan ooit nodig.

Als de Woestijn Haar beproevingen bracht door een oogst te laten mislukken, geiten of kamelen om te laten komen in een zandstorm, of één of meerdere onoplettende kinderen te laten verdwalen in de Eeuwige Leegte die de Woestijn ook kon zijn, dan vroegen de hulpeloze stamleden Kadir al Sharaff om raad. En dikwijls, wanneer de stambroeders of stamzusters dan over het aan hen gedane onrecht hadden geklaagd, sprak hij over de mooie dingen die de Woestijn een ieder bracht. Dan sprak hij over de oases met drinkbaar water die net op het juiste moment aan de stam geopenbaard werden door Moeder Woestijn. Hij verhaalde over het feit dat tegenover die eindeloze, lege en dorre zandmassa er rotsformaties waren die ons kleuren gaven waarvan menigeen niet eens wist dat zij konden bestaan. Hij vertelde over mensen die dagen, soms weken, in de Woestijn verloren waren gewaand en daarna toch weer gevonden werden door hun families; omdat de Woestijn dit zo had gewild. Omdat de Woestijn ook barmhartig kon zijn. De Woestijn nam immers, maar Zij gaf ook net zo vaak aan hen die ervoor hadden gekozen om Haar wetten te respecteren.
En, wanneer Kadir al Sharaff zo sprak, dan glommen zijn ogen, zijn gezicht werd dan eerbiedig, onderdanig en trots tegelijk. Waardoor de mensen, die vlak hiervoor nog dachten dat de Woestijn een plek was die de Hel op deze wereld zou moeten zijn, dachten, nee, zij wisten, dat Kadir gelijk had en dat de Woestijn vereerd moest worden. Ondanks dat zij soms een wreedheid kon laten zien die hartverscheurend kon zijn, had dit een logica die mensen niet konden begrijpen. Kadir begreep het wel. En daar putten zijn stamgenoten kracht uit.
Natuurlijk putten zij ook kracht uit de woorden die hij vaak sprak, wanneer zijn relaas over al het moois dat onze Moeder Woestijn bood ten einde was. De woorden die hen een richting op wezen om in het oosten naar hun kinderen te zoeken; of de korte boodschap: “De helft van je veestapel is nog te redden uit de zandput ten Westen van ons dorp.” En altijd had Kadir het bij het juiste eind.
Hij werd zelfs bezocht door wanhopige mensen van andere stammen die ervan overtuigd waren dat verdriet en drama hen was toegebracht door de Woestijn. En zelfs voor hen, had Kadir warme woorden en regelmatig nuttige adviezen.

Kadir was de ongekroonde profeet van de Woestijn, de stem van Zij die Geeft en Neemt.

Kadir vereerde Moeder Woestijn zoals niemand anders dit kon, want, wie kon de Woestijn nu vergeven dat zijn of haar dochter of zoon moest omkomen? Om vervolgens te bedenken dat voor dit vreselijke offer, een hele stam of familie maandenlang kon voortbestaan en leven van Moeder Woestijn?
Wanneer niet Moad Sharib hier een cynische opmerking over maakten in de trant van dat het wel makkelijk was voor iemand die nog nooit iemand was verloren aan de Woestijn om er op deze manier over te praten. Ja, dan was er altijd wel iemand die deze aanklager terecht kon wijzen en hem of haar kon vertellen dat ook Kadir zijn offers aan de Woestijn had moeten brengen. Ook hij had zijn vrouw en drie kinderen verloren aan de Woestijn. Een onverwachte duinval had zijn familie onder het zand bedolven en hem als bij een wonder gespaard. En hoewel zijn verdriet hartverscheurend was geweest en hij drie weken niet had gesproken, had hij hierna nog steeds de Woestijn niet veroordeeld. Hij was eerder positiever over Haar gaan spreken.

Twee weken geleden begon de man met de immer warme woorden zich opeens anders te gedragen.
Kadir al Sharaff werd snel oud, volgens de overige familie. Zijn stem werd krakerig en hij bewoog zich houteriger dan voorheen. Te snel werd hij oud, riepen sommige bijgelovige stamleden zelfs.
En de zoutkristallen die zich langzaam op zijn huid vormden hielpen natuurlijk mee aan de verhalen dat ook hij, zélfs hij, verdoemd was om gedood te worden door Moeder Woestijn.

Een open geest is moeilijk te vinden bij de stammen van de Woestijn. Dat wist Kadir ook al , voordat hij de roep van de Woestijn hoorde en begreep dat ook hij één van haar avatars zou worden. Of het nu kort of lang zou duren de stam zou hem uit bijgeloof verstoten en overlaten aan zijn Lot in de Woestijn.
Daarom besloot Kadir om het initiatief in eigen hand te houden en zelf afscheid van de stam te nemen. Stamleden die in het verleden ooit waren geholpen met de warme woorden of adviezen van Kadir stonden lijnrecht tegenover de andere stamleden die ervan overtuigd waren dat Kadir de stam moest verlaten omdat hij onheil over de stam zou brengen. Kadir observeerde de discussie waarvan hij het onderwerp was, terwijl het hem opviel dat er door de betogers niet naar hem werd gekeken, maar alleen maar naar hem werd gewezen als was hij een ziek dier dat preventief geruimd moest worden omdat hij de rest van de kudde wel kon infecteren. Zijn huid brandde en langzaam keek hij naar zijn arm die er uitzag als gedroogd vlees dat te lang in een pekelton had gezeten. Toen hij wilde spreken om de menigte tot rust te manen, voelde hij zijn lippen scheuren van vochtgebrek en wanneer hij zijn tong langs zijn lippen haalde om ze te bevochtigen, proefde hij alleen maar bitter zout.
Zonder dat de kibbelende stamleden het zagen, draaide Kadir zich om en strompelde bij het tentenkamp van de Moad Sharib weg.
Pas toen Kadir uit het zicht verdwenen was merkten de stamleden zijn vertrek pas op en drie mannen die het op hadden genomen voor Kadir, besloten om hem achterna te gaan en hem nogmaals te vertellen dat zeker niet alle stamleden unaniem achter zijn verbanning stonden.
Kadir bewoog zich steeds moeizamer voort onder de verzengende hitte van de woestijn. Het voelde alsof zijn gewrichten niet meer wilden buigen omdat zijn huid er zo ontzettend strak overheen was gespannen. Terwijl hij naar zijn benen keek, voelde hij de huid in zijn nek scheuren onder de neerwaartse beweging die zijn hoofd maakte. Hij zag dat er zich een dikke zoutkorst had gevormd om zijn benen en onder deze zoutkorst was zijn vlees verschrompeld tot bijna papier. Kadir moest even stil staan, even op adem komen en dan weer verder gaan. Langzaam deed hij zijn ogen dicht..

De drie mannen hadden Kadir gevonden, of eerder dat wat van Kadir was overgebleven. Zij keken naar een pilaar van zout die ongeveer net zo groot was als hun oude stamgenoot.

Kadir opende zijn ogen omdat hij ver weg een vrouwenstem hoorde die hem vertelde dat hij verder moest. Door een witte, kristallijnen waas, zag hij een bekend gezicht. Het gezicht van zijn stambroeder Udu; de man die enkele jaren geleden zijn dochter was kwijt geraakt in de woestijn en nadat Kadir hem had verteld dat zij waarschijnlijk aan het spelen was bij de oase ten oosten van het kamp, hem dolgelukkig had bedankt toen zij hier inderdaad terug was gevonden.
Moeizaam probeerde Kadir Udu bij zijn arm te pakken om hem te zeggen dat hij terug moest keren naar de stam en het in orde was op deze manier. Maar toen Kadir zijn stamgenoot bij de arm pakte, keek deze verschrikt op en zag Kadir dat bijna onmiddellijk al het vocht uit het lichaam van Udu gezogen werd. Als een verschrompelde mummie viel zijn stamgenoot op de grond en de twee andere stamleden schreeuwden het uit, terwijl zij zo snel mogelijk terug vluchtten naar het kamp.
Kadir had dit nooit gewild en als het zout op zijn lichaam dit had toegelaten, zou er een traan verschenen zijn op zijn door zout wit uitgeslagen gezicht.

De vrouwenstem vertelde hem dat hij afscheid moest nemen van zijn aards bestaan en de Moad Sharib moest vergeten. De woestijn was nu definitief zijn thuis en hij was aangewezen om zijn thuis te verdedigen en dat hij van Haar de middelen had gekregen om dit zo effectief mogelijk te doen.

Alleen was hij sterk, maar als hij zijn door de Woestijn gekozen broers en zusters zou vinden, zouden zij samen onverslaanbaar zijn.
In een oude ruïne vond Kadir een lederen wapenrusting met hierbij een helm die zijn uitgedroogde gezicht zou verhullen. Kadir was inmiddels bijgesproken door de Stem van de Woestijn over het gevaar dat naderde… voor de Woestijn, Haar kinderen en de rest van de wereld. Ook aan hem de eervolle taak om dit gevaar te stoppen.
 

 

 
Paladins! A Forgotten Realms Campaign - All contents © copyright 2004. All rights reserved.