Onderwerp
: Intermezzo XVI
Auteur : Tom Gerrets
Datum : 18-12-2010
 


 The Chronicles... So Far
 

Intermezzo XVI

De tempel van Astoth, Belros’ tempel was eigenlijk niet meer dan een oud en tochtig gebouw midden in de genadeloze woestijn. In werkelijk iedere kamer en gang was wel een spoor van zand te vinden.
En op die dagen wanneer de woestijnwind genadeloos over de zandduinen heen raasde, vormden zich in de gangen die het dichtst bij de buitenmuren bevonden, vanuit het niets kleine zandwolken. Zandwolkjes die door hun trechtervorm nog het meeste leken op miniatuurtornado’s. Verder niet gevaarlijk, maar zij zorgden er wel voor dat het zand verder het complex in werd gedragen en er dus een continue toevoer van verse stofdeeltjes door de tempel heen werd gejaagd. Op deze dagen verloor de majestueuze tempel een sprankje van haar statigheid en deed de bewoners en bezoekers eraan herinneren dat zonder the Voice of Astoth dit heiligdom niet meer was dan een oud en stoffig gebouw.
Dit was zo’n dag, bedacht Marcus zich, terwijl er een wolkje zand onder de tafel waar zijn voeten op lagen, geblazen werd.

Zonder e aanwezigheid van zijn vriend Belros, wisten de overige priesters van Astoth de dagelijkse gang van zaken wel te laten draaien, maar toch miste iedereen de leider van deze tempel. Wanneer Marcus deze dagen door de gangen van de tempel liep, zag hij het in de ogen van de monniken. Hij zag de angst dat de priesters hun leider misschien voorgoed kwijt waren.
In de ceremoniële zaal hoorde hij de gebeden van de monniken die om beurten Astoth verzochten om Belros weer bij hen te brengen, gezond van lijf en geest. Maar ook hoorde hij de gemompelde gebeden aan alle andere goden om het herstel van hun leider. Gebeden aan Ilmater, Lathander en zelfs aan Moeder Woestijn. Het leek alsof alle Goden voor de volgelingen van Astoth welkom waren om een klein steentje bij te dragen aan het herstel van the Voice of Astoth.
Marcus had verbitterd gekeken omdat ook hij niet langer gaf om een eender welke God dan ook de oplossing zou bieden, als hij zijn kameraad maar terug kreeg, gezond van lijf en leden. Binnensmonds bood hij Torm excuses aan en bad om begrip van zijn eigen God voor het feit dat ook hij een kort gebed had gewijd aan Ilmater en Lathander.
Terwijl Marcus diep in gedachten verzonken zat, had hij de jonge acoliet Nerial niet horen kloppen en vervolgens ook niet binnen horen komen. Een opmerkelijk feit, gezien zijn training tot demon hunter al zijn zintuigen tot een bijna bovenmenselijk niveau hadden ontwikkeld. Het kwam voor hem dan ook als een lichte schok toen de jonge monnik voor hem stond en uiterst zacht sprak: “Heer Marcus, ik dacht dat u wel iets te eten kon gebruiken.”
Marcus keek de jongen in zijn vriendelijke, grijze ogen. De monnik glimlachte warm en oprecht, alsof met deze geste hij de paladin kon overhalen om nu eindelijk iets te eten.
Description: monk_01_tif_jpgcopyDe demon hunter haalde zijn voeten van tafel, waarna de jonge monnik de heerlijk geurende maaltijd op tafel zette. Marcus keek naar het gerecht dat voor hem was neer gezet en Nerial keek ook naar de tafel, terwijl hij zijn best deed om de maaltijd aan te prijzen bij de paladin: “Voor u heb ik een heerlijke stoofpot gemaakt van woestijnhaas en hiernaast een puree van elrackwortel met stemgember. Iets waar zelfs een uitgeputte bulette weer van op krachten zal komen.”
D’Orrimblade keek de monnik aan en glimlachte kort, terwijl deze langzaam weer opkeek van het gerecht dat hij zojuist had toegelicht. “Nerial, je hebt waarlijk een goed hart en je warmte zal worden geprezen door…”
Toen Marcus de jonge monnik weer recht in de ogen keek, zag hij niets dan zwarte leegte. De anders zo vriendelijk lachende mond van de monnik verwrong zich tot een monsterlijke grimas, terwijl deze met een holle stem zei: “Je was al een keer geclaimd en terug gehaald! Een tweede keer heb je Haar ontlopen met een Stenen Hart! En nu waag je het om ons Rijk te betreden en iemand terug te halen? Eeuwig durend zal jouw pijn zijn, wanneer We je weer komen halen! En dan zal er niemand zijn die je uit Onze klauwen kan redden!”
Verschrikt sprong Marcus op en trok zijn zwaard. In een tel sprong de jonge monnik in een hoek van de kamer en dook ineen, terwijl hij zijn gezicht beschermde. “Nee heer, alstublieft. Ik bedoelde het goed.”
De jonge Nerial keek omhoog en zijn vochtige, grijze ogen keken Marcus smekend aan.
Marcus liet zijn zwaard weer zakken en keek verloren naar de jonge monnik die in de hoek zat te huiveren.
“Nerial, sorry. Ik wilde je niet aan het schrikken maken. Ik ben mezelf niet helemaal de laatste tijd. Ik…”
De jonge monnik was al opgesprongen en rende richting de deur naar zijn veiligheid.
Marcus zuchtte diep. De laatste dagen hadden hun tol geëist en hij zag nog steeds schimmen van hetgeen hij waarschijnlijk vijf dagen geleden had mee gemaakt.

Hoe hard hij ook zijn best deed, hij kon zich maar weinig herinneren van de resurrectie van Belros.
Hij wist nog dat hij samen met de sterkste vertrouwelingen van Belros en natuurlijk oude bekenden als Tariq al Fateen de reis om Belros terug te brengen was begonnen.
De geur van kaneel in het wierook dat Stellar the Deathwatcher brandde tijdens het ritueel was onmiskenbaar. “Een baken om de weg terug te vinden, als al het andere mocht mislukken.”, had de grimmige man gezegd.
Ze hadden allemaal plaats genomen in een cirkel om de Deathstone, een altaar waarop het lichaam van Belros opgebaard lag. En door de diepe, zoete geur was Marcus langzaam weg gezonken naar diepere oorden.

Met een schok kwam hij bij! 

Nog steeds gezeten om de Deathstone merkte hij dat hij in een mistige omgeving terecht was gekomen. Alle kleding die hij had gedragen was verdwenen en naakt, zoals hij jaren geleden geboren was, keek hij naar de Deathstone waarop het lichaam van Belros ontbrak. De mist week korte tijd, waardoor hij iedereen die deel nam aan het ritueel om de grote, granieten steen zag zitten. Allen net zo naakt als hij zelf was.
De enige persoon die hij niet herkende was de donkerharige vrouw tegenover hem. Toen hij haar bleef aanstaren, gromde zij diep vanuit haar keel en keek vervolgens onrustig om haar heen.
De jonge leerling van Stellar draaide een goudkleurig voorwerp rond in zijn handen en zei dat omwille van de tijd de groep moest opsplitsen en ieder een weg moest gaan om Belros Darkeyes zo snel mogelijk te vinden en over te halen om terug te komen naar de aardse wereld. Alle herinneringen hierna waren een mistige, grijze soep. Het eerste dat de demon hunter zich weer kon herinneren van deze trip, is dat hij bij kwam in een eenvoudig, houten bed met een ontzettende hoofdpijn. Hij zag vakkundig aangelegde verbanden om zijn torso en benen en bedacht zich onmiddellijk dat dit apart was. Hij lag immers in een tempel en daar beschikten meerdere personen over genezende gaven. Dus waarom kiezen voor de ambachtelijke geneeswijze?
Marcus wilde opstaan uit het bed en voelde direct een vreselijke, snijdende pijn op zijn borst.
Geduldig sprak hij de krachten van Torm aan en verzocht hen nederig om deze pijn te verlichten, terwijl hij zijn eigen handen op de wond zette. De verbazing deed hem meer pijn dan de wond op zijn borst, toen hij merkte dat zijn anders zo vertrouwde genezende gaven geen effect hadden op deze verwondingen. Het was lang geleden dat hij op een natuurlijke manier van zijn wonden moest herstellen en bad dus wederom tot Torm; ditmaal een verzoek om hem het geduld te geven dat nodig was om te herstellen en zijn belangrijkste missie weer op te kunnen pakken. Diep in zijn hart twijfelde hij of hij het geduld wel kon opbrengen en vervloekte hij de situatie waarin hij beland was. De volgende dagen droomde de demon hunter akelige en nare dromen die hem een ongrijpbare hint zouden moeten geven over wat er was voor gevallen bij de resurrectie van Belros. Soms droomde hij flarden als hij klaarwakker was…

“Alternatieve realiteiten! Ik spreek toch geen orcish? Transgressieve retrotheorie en verschuiving van duale of Multi personale identiteiten!  Daar moet je toch kruisverwijzingen van hebben in deze bibliotheek?
De oude bibliothecaris keek Valerius glazig aan. Alsof hij als een waanzinnige probeerde uit te leggen dat de Toril rond was in plaats van plat. “Magus Valerius, met alle respect, maar er bestaan geen alternatieve realiteiten. Dus er bestaat ook geen literatuur over dit onderwerp.”
Driftig en geïrriteerd wuifde Valerius de opmerking met zijn hand weg. Een teken dat de bibliothecaris in zijn eigen voordeel interpreteerde en zich zo snel mogelijk uit de voeten maakte; schijnbaar heel erg druk met iets anders. Iets anders dat in ieder geval niet in de buurt van Valerius moest gebeuren.
De magiër kon zich nog goed herinneren wat de leerling van Stellar had gezegd toen ze net over waren gestoken naar de andere zijde: ‘Het is een andere realiteit en de kans bestaat dat we een andere Belros tegenkomen. Deze verandering kan klein en subtiel zijn. Maar het kan ook heel goed zijn dat we een complete tegenpool van onze Voice of Astoth tegen komen. Hoe langer we hier verblijven, hoe groter de kans dat we een ‘andere’ Belros tegenkomen. Dit instrument geeft ons aan hoeveel tijd we reëel gezien nog hebben om de Belros die wij kennen terug te vinden en dan ook nog terug te kunnen keren.’
De leerling had een gouden gyroscoop laten zien waar in het centrum een kleine zandloper draaide. Met iedere wenteling liet de zandloper een paar korrels naar de andere kant van de loper vallen. Of dit nu omhoog of omlaag was, dat maakte niet uit; het leek wel of de zandloper alle wetten van zwaartekracht aan zijn laars lapte.
Hierna had de acoliet van the Deathwatcher zijn wenkbrauwen gefronst en aangegeven dat de groep het beste in duo’s kon opsplitsen om Belros te vinden omdat er nog weinig tijd over was.
De zorgelijke blik van de aspirant Deathwatcher en de donkerharige, naakte dame naast hem waren Valerius met name opgevallen.
Wat er verder gebeurd is kon Valerius zich met de beste wil van de wereld niet terughalen. Slechts flarden.
Het fluiten van een boogpees en dat hij rende als nooit tevoren. Alsof zijn leven er nog meer dan anders, van af hing, rende hij. De man die hij ondersteunde, was onwillig. Het leek dat hij niet wilde terugkeren naar de veiligheid die Valerius zo verwoed zocht. Hierna werd de herinnering een grijze mist en hoe hard Valerius het ook probeerde, welke vorm van mediteren hij ook gebruikte, hij kon zich verder niets herinneren.
Het idee dat hij en zijn metgezellen op zoek waren geweest naar de ziel van Belros in een alternatieve realiteit, bleef maar aan de magiër knagen.
Natuurlijk had ook Valerius wel gehoord van de theorieën over oneindig veel realiteiten die parallel langs elkaar leefden. Realiteiten waarin exacte kopieën van alle personen en wezens van deze wereld leefden. Maar omdat zaken daar net iets anders lopen kunnen de levens van deze dubbelgangers een hele andere wending nemen.
Maar dat er uit deze andere realiteit een dood persoon terug gehaald zou kunnen worden , was gewoon je reinste blasfemie. De enige geleerde die hier 150 jaar geleden vrijuit een thesis over had durven schrijven, was met recht niet erg oud geworden. De diverse tempels hadden hier wel voor gezorgd.

“Dogma’s;  religieus, politiek of wetenschappelijk,  zijn collectieve conceptuele gevangenissen. Vreemd is, dat mensen houden van hun gevangeniscel, omdat die hen een gevoel geeft van ‘Ik weet het’.

Dat is waarmee Eckhart Tolle zijn thesis had betiteld. Hij had indertijd waarschijnlijk geen rekening gehouden met de standvastigheid van de clerus.
Uiteraard was Valerius het ook niet eens met de theorie van Tolle, want het kon domweg niet zo zijn dat personen uit een andere realiteit opnieuw tot leven gewekt zouden worden. Theoretisch onmogelijk om naar een andere realiteit te komen. Een andere dimensie? Ja, dat kan wel. Valerius had het immers zelf ervaren. Een andere plane? Ook dit behoorde tot de mogelijkheden. En ook hier was deze magiër geen vreemde van.

Valerius schrok op uit zijn overpeinzingen toen Skylar zijn entree maakte in de Spartaans ingerichte bibliotheek van de tempel van Astoth. De lap die hij over zijn linkeroog droeg, wees de magiër erop dat hetgeen zij enkele dagen geleden hadden meegemaakt, wel degelijk echt en tastbaar was. En dat dit zeker niets met andere realiteiten te maken had. De wond die hij had opgelopen bij de zoektocht naar zijn mentor Belros was wel degelijk echt. En deze wond had hij meegenomen naar de prime material plane.
Skylar had aangegeven dat het opgeven van een oog een klein offer was geweest in het terughalen van de Voice of Astoth en dat hij indien nodig ook zijn leven had gegeven om Belros terug te halen. En dat hij het overlijden van de leerling van Stellar betreurde, maar dat hij zijn leven had gegeven voor het grote goed.
Skylar was niet de enige die niet ongeschonden uit de strijd was gekomen.
Destrin had een zilverwitte streep door haar zwarte vacht gekregen, toen iedereen weer bij kwam rondom de deathstone. Er waren wel degelijk belangrijke dingen gebeurd bij de zoektocht naar de ziel van Belros, maar de Goden wilden, waarschijnlijk om hun eigen grillige redenen, Valerius niet laten zien wat er was voorgevallen in het domein dat niet voor stervelingen bestemd was.
Inmiddels was Valerius al gewend aan de verschijningen die hij op klaarlichte dag zag. Verschijningen van een prachtig klein meisje dat hem alleen maar aankeek. Ook nu verscheen zij achter Skylar en keek voorzichtig om de massieve vechter heen.
Hoewel het meisje er zeer onschuldig uitzag, begreep Valerius dat zij een belangrijke cruciale rol speelde in het ontcijferen van zijn eigen geheugen. Dat deel van zijn herinneringen dat hij wanhopig probeerde te bereiken.
Valerius keek het kleine meisje indringend aan, alsof hij hiermee een antwoord op al zijn vragen zou krijgen.
Ongemakkelijk volgde Skylar de blik van Valerius en keek achter hem naar beneden.
Description: Josephine_DeathDe magiër was er inmiddels al aan gewend dat andere mensen het kleine meisje niet zagen en reageerde dus ook diplomatiek toen Skylar hem vragend aankeek. “Nee, ik had een theorie over de mogelijke terugkeer van Belros en was in gedachten verzonken.”, loog Valerius ongemakkelijk.
“Misschien is die theorie niet langer nodig, want Belros is inmiddels bij. Daar kwam ik u ook over inlichten.”
De schok bij Valerius was groot bij het horen van dit goede nieuws. “Laten we onmiddellijk naar hem toegaan, want dit is geweldig nieuws!”
Voor het eerst in al die keren dat Valerius het kleine meisje had gezien, leek het alsof zij een hem een kleine glimlach toewierp. Onmiddellijk hierna nam zij haar, voor Valerius vertrouwde, neutrale, onleesbare houding weer aan en verdween achter Skylar, die zich omdraaide en schijnbaar dwars door het kleine meisje heen beende richting de deur. Echter, het meisje was alweer verdwenen. Iets waar ze enorm goed in was.
Valerius volgde Skylar de bibliotheek uit om zelf getuige te zijn van de daadwerkelijke terugkeer van Belros. Toen hij de deur achter zich dicht trok en op een holletje achter Skylar aan wilde gaan, schrok hij van het meisje dat plots voor hem stond in de gang. Ze siste zachtjes: “It’s coming!”, en verdween toen als sneeuw voor de zon. Valerius kee achter zich de lege gang in om zicht ervan te verzekeren dat hij dit zich zeker ingebeeld had.
Hierna liep hij met het zweet in zijn handen richting de slaapkamer van Belros.

In de kamer van Belros stond Marcus al naast zijn bed. Belros zat rechtop en plukte hier en daar wat aan het verband dat vakkundig om zijn borst was aangebracht.
Bij het binnenkomen van Valerius glimlachte Belros flauwtjes.
“Ik kan me niets meer herinneren. Marcus vertelde me net dat ik terug ben gehaald uit het dodenrijk.”, zei hij hulpeloos.
“Kun je echt niets meer terughalen van wat er gebeurd is?”, Valerius keek Belros hoopvol aan.
Belros gromde pijnlijk toen hij iets meer rechtop wilde zitten in zijn bed.
Dit was voor Stellar het teken dat hij de bezoekers van de patiënt kon gaan melden dat de bezoektijd voorbij was.
“Sorry dat jullie zo kort bij heer Belros konden zijn, “ sprak hij met een diepe stem, “maar hij moet nu echt eerst zijn rust nemen. Ik kijk nog een keer naar zijn wonden en dan kan heer Belros de herstellende slaap gaan pakken.” Hierna bleef Stellar demonstratief naar de deur kijken.
Bijna teleurgesteld vertrokken Marcus, Skylar en Valerius na het zeer korte ziekenbezoek. Tijdens dit korte bezoek hadden ze het belangrijkste in ieder geval gezien; Belros was na zes dagen ontwaakt uit zijn coma en zat weer rechtop in zijn bed. Hij zou zeker gaan herstellen. Omdat het nieuws van het ontwaken van Belros als een lopende vuurtje door de tempel heen ging, wisten waren binnen korte tijd alle bewoners van de tempel op de hoogte en leek het of de tempel langzaam weer ontwaakte uit een depressieve trance.

Stellar controleerde kort de verbanden waarin Belros gezwachteld was en knikte kort. De acolieten hadden goed werk afgeleverd.
Description: wounded knight“Hoe is het met Skylar?”, Stellar keek verbaasd op naar Belros. “Heer Belros. Ik nam aan dat u zich niets meer kon herinneren van de resurrectie?” Stellar zag dat Belros worstelde en woordenloos, maar vergeefs zocht naar herinneringen. Na een lange stilte zuchtte hij diep en bracht zijn hand naar de rechterkant van zijn gezicht: “Hier was Skylar volgens mij geraakt. Klopt dat?”, Stellar knikte kort ter bevestiging en vroeg toen met zijn kenmerkende diepe stem: “Zijn rechteroog hebben we niet meer kunnen redden. Verder maakt hij het naar omstandigheden goed. Kunt u zich nog meer herinneren van de resurrectie?” Belros schudde teleurgesteld zijn hoofd. Hierop zuchtte Stellar enigszins opgelucht. Na een korte stilte, sprak de Deathwatcher gebiedend: “U moet nu rusten, heer. De wonden die u heeft opgelopen bij het terugbrengen kunnen niet op magische wijze genezen worden en zullen via de natuurlijke weg moeten helen. Gelukkig heeft u een sterke conditie en zult u snel weer op de been zijn.” Belros gaf een korte instemmende knik en hierna liep Stellar naar de deur.
Voordat hij de deur achter zich sloot keek hij nog eenmaal om naar de zwaar gehavende Belros die met gesloten ogen in het bed lag. Tegelijk dacht hij terug aan het moment waarop de groep Belros terug bracht en als vanuit het niets de verwondingen die eenieder in het hiernamaals had opgelopen, op de lichamen rondom de Deathstone verschenen. Met name Skylar had het uitgeschreeuwd van de pijn en het rechteroog dat als vanuit zichzelf wegbrandde, bezorgde hem nu nog de rillingen.
Zijn meest belovende leerling, had Stellar vast gepakt bij het ontwaken naast de Deathstone en met zijn laatste adem gefluisterd: “Zelfs in de Hemel zijn er Engelen die gevaarlijke zwaarden dragen. En zij vechten het hardst om de meest pure zielen te behouden. Tot snel, meester.” Hierna was hij bezweken onder zijn gruwelijke verwondingen. Langzaam maar resoluut liet Stellar de deur in het slot vallen.

De zachte klik van de deurklink die in het slot viel, klonk voor Belros als een oorverdovende klap op een aambeeld en geschrokken opende hij zijn ogen. De schaduwen die de enige kaars in de kamer op de muur wierp leken in een soort schimmenspel de verontrustende droom na te spelen die Belros gedurende zijn coma was bijgebleven.
Hij bevond zich in een compleet witte kamer  en zat achter een smetteloos witte tafel. Verder was de kamer compleet leeg.
Langzaam vormden de schaduwen op de muur in zijn slaapkamer het silhouet van een konijn…

Belros keek in de witte kamer hulpeloos om zich heen en ontdekte dat zonder kleurschakeringen het bijna onmogelijk was om afstanden in te schatten. Hij had dus ook geen enkel benul van de afmetingen van de kamer. Voor de tafel ontdekte hij plots een donkere woestijnhaas. Net toen hij voorover wilde buigen om het dier wat beter te bekijken veranderde de woestijnhaas in een afzichtelijk wezen dat op een bijna waanzinnige manier samen gesteld leek te zijn van allerlei verschillende dieren. Belros siste door zijn tanden: “Lycantroop!” en greep impulsief naar zijn zwaard. Hij kwam tot de verontrustende ontdekking dat zijn schede leeg was.
“Geen Lycantroop!”, gromde het wezen, terwijl hij langzaam van gedaante veranderde. “Theriantroop. Iemand met de gave om in allerlei verschillende dieren te veranderen. Dus een stuk verfijnder dan een lycantroop.”
Belros keek het wezen aan en vroeg met krachtige stem: “Wat doe ik hier?”
Het monster brulde ongeduldig en sprak daarna met grommen en snauwen: “Luisteren! Dat doe je hier. Als Moeder het me niet verboden had, zou ik je al lang uit elkaar getrokken hebben. Maar ze heeft mij de taak gegeven om jou te vertellen dat je in een verkeerde richting kijkt. Je let teveel op mij, mijn broers en mijn twee zusters, terwijl het gevaar hierdoor juist van achteren zal komen. Jij maakt je druk over materiële en aardse zaken, waarvan je geen sterfelijk besef hebt, wat deze zaken nu eigenlijk zijn. En voor welk groter doel zij zijn geschapen. In onze taak om de Soul of the Desert weer bij elkaar te brengen probeer jij ons te dwarsbomen. En dit terwijl the Soul of the Desert het enige is dat de echte vijandkan vinden; jouw vijand en die van de Woestijn, van haar bewoners en uiteindelijk van de rest van de wereld. Als zij weer compleet is, maken we nog enige kans om dit eeuwenoude kwaad te stoppen, voor het te laat is.”
In de korte stilte die het wezen liet vallen, stelde Belros een vraag: “Wie is deze vijand dan?”
Het wezen gromde en huilde diep vanuit zijn keel: “Wanneer je de juiste kant op kijkt, zal alles als vanzelf duidelijk worden.” Achter het wezen vervaagde een witte muur om plaats te maken voor een woestijnlandschap.

De schaduwen speelden op de muur van de slaapkamer en veranderde een groot schaduwachtig wezen in de contouren van een oud half begraven gebouw…

Achter het wezen had de witte muur inmiddels plaats gemaakt voor een woestijngezicht waarin een oude ruïne de aandacht trok.
“Hier zal jouw reis naartoe leiden. Het laatste deel van the Soul of the Desert bevind zich hier. In handen van een oude bekende.”, het geluid dat het wezen hierna maakte leek nog het meest op de lach van een hyena. Hij dient het eeuwenoude kwaad maar is onwetend in wie daadwerkelijk aan de touwtjes trekt.”
De ruïne werd langzaam in duisternis gehuld en het leek alsof de contouren van een gigantische verwrongen schedel zichtbaar waren in deze schaduw. Uit de schaduw kwam langzaam een persoon naar voren lopen.Description: desert avatar animals
“De man die de scherf van the Soul of the Desert in zijn bezit heeft, is zonder zijn weten, ook slechts een stuk in het grote Spel en zeker niet de Meester die de stukken beweegt. Daarom is het belangrijker dat je ons the Soul of the Desert compleet laat maken, dan een stuk op het speelbord te verwijderen. Want als wij the Soul of the Desert in handen hebben, kunnen we de Meester van het Spel vinden en de bron van dit oprukkende kwaad bij de kern aanpakken.”, het wezen zweeg weer even, alsof het spreken een aanzienlijke inspanning voor hem moest zijn. Belros wilde vragen stellen, dingen weten, maar merkte dat hij zich er niet toe kon zetten om te spreken.
Terwijl de persoon langzaam uit de gigantische schaduw trad, hervatte het dierlijke en monsterlijke wezen zijn relaas, terwijl hij wees op de persoon die uit de schaduw van de ruïne stapte: “Wij, mijn broeders en zusters en ik, kunnen de drie andere delen niet veel langer veilig houden, want hij is ook op zoek naar the Soul of the Desert om zijn Meester te beschermen. We hebben hem moeten laten weten dat wij de overige delen in ons bezit hadden om zo een geplande massale aanval op jouw tempel te voorkomen. Dit had onnodig veel levens gekost en hoewel ik hier niet veel om geef en het voordeel ervan had in gezien om hen jouw tempel te laten aanvallen, heeft Moeder anders besloten. En aan Moeder haar wijsheid kan ik niet twijfelen. Kijk nu goed naar de locatie en de drager van de scherf. Over vier dagen vertrekt hij met zijn volgelingen en zal dan op zoek gaan naar de overige drie fragmenten. De grootste kans om een woestijnleeuw te verslaan maak je door hem te verrassen op zijn eigen gebied. Deze regel geldt in dit geval ook. Verras hem in zijn eigen schuilplaats.” Belros zag het wezen veranderen in een zandadder en langzaam van hem wegkruipen.

Op de muur namen de schaduwen een slangachtige, sliertige vorm aan en dansten vervolgens weer naar een ander silhouet; het silhouet van een slanke, gewapende man…

Belros keek de slang na, terwijl deze langzaam uit het zicht verdween. Weer had hij geprobeerd om de slang al zijn vragen na te schreeuwen, maar weer lieten zijn keel en stembanden hem in de steek. Vanuit de verte hoorde hij de slang met de grommende stem van het wezen zeggen: “Let niet op mij. Je zult mij toch gaan vergeten. Let op datgene wat voor je tentoon gesteld wordt.”
In antwoord hierop keek Belros terug naar de ruïne, de doodshoofdschaduw die boven het gebouw hing en de persoon die inmiddels herkenbaar uit de schaduw naar voren kwam. Belros wist dat hij dit gebouw nog nooit in zijn leven eerder had gezien, maar wist tegelijk dat hij later onfeilbaar de weg zou kunnen vinden naar deze ruïne. Het tegenovergestelde was waar voor de persoon die zich inmiddels van de schaduw had los gemaakt. In de verte voor de ruïne stond de onmiskenbare, slanke  gestalte van de leider van de voormalige Black Hand; Maximillam de Ténébreux! Onder zijn zwarte harnas haalde hij een ketting waaraan een grote, paars gekleurde steen hing die flonkerde in het zonlicht. De Ténébreux keek langzaam in de richting van Belros en lachte een dunne sinistere lach. De doodshoofdschaduw boven de ruïne leek met de anti paladin mee te lachen.

Het bed van Belros was inmiddels klam van zijn zweet, toen een onverwachte bries de kleine kaars uitblies en een einde maakte aan het shaduwspel op de muur. Belros viel kort hierna in een onrustige, diepe en droomloze slaap.

 

 

 
Paladins! A Forgotten Realms Campaign - All contents © copyright 2004. All rights reserved.