Onderwerp
: A Thousand Shades Of Grey
Auteur : Remco Gerrets
Datum : 19-06-2011
 


 The Chronicles... So Far
 

A Thousand Shades Of Grey

Welk moment geeft aan dat iemand zich niet langer op onbekend terrein bevindt? Hoeveel uren, dagen of zelfs weken zijn er nodig om een omgeving, waar je voorheen nog nooit was geweest en hoogstwaarschijnlijk het liefst nooit zou willen belanden, daadwerkelijk als bekend terrein te gaan beschouwen? In het pikkedonker had Suneair na, naar eigen inschatting, ongeveer twee weken haar directe omgeving volledig in kaart gebracht. Haar smaragdgroene ogen waren na de eerste dag tot rust gekomen en haar pupillen hadden zich tot het uiterste gestrekt om maar zoveel mogelijk licht toe te laten. Om, zoals ze het zelf noemde, de omgeving te lezen. Voor wellicht de duizendste keer gleden haar ogen van links naar rechts; van de rotswand, die gekarteld de aangrenzende ruimte afschermde, via een snelle blik om de kettingen die haar handen met het gewelf verbonden, naar de verste hoek die zij vanaf haar positie nog kon waarnemen. Langs de drie stalagmieten die als langs een liniaal gelegd voor haar op wacht leken te staan. Op een moment dat inmiddels een eeuwigheid geleden leek had Suneair haar drie ‘wachters’ namen gegeven; David, Bernice en Maya; waarom dat wist ze niet, misschien omdat ze simpelweg mens wilde blijven. Vooralsnog had Suneair geen woord met haar ‘stenen vrienden’ gewisseld. Heel in het begin had ze geschreeuwd; eerst uit woede, daarna uit frustratie. Het enige dat haar antwoorde was de echo van haar uitzonderlijk fraaie stemgeluid. Uiteindelijk deed de bard er het zwijgen toe.
Suneair had al weken geen kleur meer gezien en was tot de ontdekking gekomen dat dit duister desondanks tientallen, zo niet honderden kleurschakeringen bevatte. Zo had ze eens meer dan 130 verschillende kleuren grijs geteld; kiezel-grijs, wand-grijs, schaduw-grijs, waterdruppel-op-stenen-grond-grijs, hand-grijs, vinger-grijs, nagel-grijs, nagelriem-grijs, het-randje-rond-je-ringvinger-als-je-vantussen-je-wimpers-kijkt-grijs; en zo voort. Na 132 verschillende kleuren grijs te hebben geteld had ze haar ogen gesloten (133, het-geestesbeeld-dat-je-ziet-wanneer-je-te-lang-naar-iets-gekeken-hebt-en-vervolgens-je-ogen-sluit-grijs) en was ze in een diepe slaap gevallen.
Vervolgens werd ze wakker, schudde ze haar handen en vervloekte in stilte de boeien waarmee ze al dagen aan haar troosteloze omgeving geketend zat.

Veertien keer eerder was er in de grijze ruimte voor haar vanuit het niets en geheel geluidloos een schaal met brood en een nap met water verschenen. Nu, de vijftiende keer, hoefde Suneair alleen maar op de geur van het oude brood af te gaan om haar ‘maaltijd’ te vinden. Zelfs de geur van haar eigen stront en schrale pis konden de stank van het oude brood niet onderdrukken en opnieuw maakte Suneair zichzelf de belofte die ze zeven keer geleden ook al had gedaan. Mocht ze dit Godverlaten oord ooit verlaten, dan zou ze nooit meer een stuk brood eten. Met gescheurde nagels trok de volgelinge van Suné de droge korsten uit elkaar en doopte deze voorzichtig in de nap met water. Suneair was al tijden geleden gestopt zich af te vragen waarom het water zo gronderig smaakte en stopte het zompige stuk brood in haar mond.
Van het een op andere moment knalde de stilte uiteen, teisterde een bekende stem in een fluistering haar trommelvliezen; “SUNEAIR! HET IS OK! WE KOMEN JE HALEN!”. De doorgaans zachte stem van Valerius Goldenmind luidde Suneair’s zogenaamde ‘zonderbrood maanden’ in.

Grit, Gruis En Pulver

“Suneair, ogen dicht, toorts.” De militaire stem van Belros Darkeyes gaf instructie en Suneair volgde. Zelfs met dichtgeknepen ogen voelde de bard haar ogen prikken, alsof Belros in plaats van een fakkel te ontsteken een ons zout in haar ogen had gestrooid.
“Scouting omgeving…” Suneair herkende de stem van Marcus de Bénevé onmiddellijk. Inmiddels liepen de tranen over haar wangen, niet zozeer van vreugde of verdriet, maar voornamelijk vanwege de plotselinge klimaatverandering qua licht en geluid.
“Rustig maar, Suneair. Het komt allemaal goed”, Valerius legde een warme hand op de schouder van Suneair en wreef de bard zachtjes over haar rug. De magiër interpreteerde de tranen duidelijk anders, maar het maakte Suneair niets uit. Voor het eerste sinds tijden voelde ze hoe koud ze het eigenlijk wel niet had. En, als een warm deken liet Suneair de zorg van Valerius en Belros over zich heen komen.

Marcus liep, voor zover de grot waar Suneair zat vastgeketend toeliet, in een rechte lijn van Suneair naar het andere einde van de grot. De echo’s van Valerius en Belros fluisterende stemmen klonken zachtjes, bijna overstemt door Marcus’ ijzeren voetstappen op het harde gruis dat over de vloer van de grot verspreid lag. Een ruime grot. Geen teken van leven. Dat was Marcus’ eerste observatie en tevens eerste misvatting. Als vanuit het niets ontstond er voor de paladin van Torm een gravel elemental dat duidelijk slechts één taak had, ‘kill on sight’. Marcus hoorde de klap eerder aankomen dan dat hij deze voelde. Een windvlaag ging vooraf aan een enorme slag in zijn middenrif; alsof er een emmer met brokstukken op hoge snelheid op hem afgevuurd was. De half-elf sloeg achterover en incasseerde zo nog enigszins de impact van de aanval, maar het hield eerlijkheidshalve niet echt over. Marcus had nog even de gedachte om ‘Contact!’ te roepen, maar was er eigenlijk wel van overtuigd dat het geluid van schurend armor op ruw steengruis voldoende aanleiding was om Valerius en Belros te alarmeren. Buiten dat had de paladin amper tijd om op adem te komen, want het elemental stond alweer klaar voor een tweede aanval. Dit keer was Marcus beter voorbereid en ontweek de meeste stenen brokstukken die door het monster werden afgeschoten. Terwijl Marcus met volle overtuiging in naam van Torm op het elemental insprong snelde Belros zich naar het gevecht.
Valerius ontfermde zich nog steeds over Suneair en veranderde de bard met een knip van zijn vingers, ironisch genoeg, in een grijze muis. Vervolgens stopte hij Suneair in een van zijn vele binnenzakken om zich daarna voor te bereiden om zichzelf en zijn vrienden weg te teleporteren.
“Links, Belros!” schreeuwde Marcus terwijl hij het gravel elemental met een draaiende beweging flankte. Belros begreep de hint en deed hetzelfde. Slechts tientallen seconden later viel het elemental uiteen. Zowel Belros als Marcus had flinke kleerscheuren opgelopen tijdens het gevecht met het elemental, dus van grootspraak aan het eind van de schermutseling was geen sprake. In plaats hiervan richten de twee zich op Valerius die hen volgens plan terug zou teleporteren naar The Library of Azuth.
“Klaar?” vroeg Valerius, waarop Belros en Marcus instemmend knikten, klaar om in Darromar weer op krachten te komen. Echter, Valerius zou de kans niet krijgen om zijn teleport spreuk af te maken, want nog voordat hij kans kreeg de eerste lettergreep van de spreuk te voltooien, doemde het gravel elemental op vanachter de magiër. Met een vernietigende slag werd Valerius opzij geworpen en opnieuw stonden Belros en Marcus oog in oog met het stenen monster. Zoals het de levende legenden betaamde maakten de voorvechter van Torm en The Voice of Astoth binnen luttele seconden korte metten met hun tegenstander. De strijd mocht naam geen hebben, waarna Valerius, hoewel gehavend, zijn vrienden en Suneair veilig een enkele reis naar de Library of Azuth bezorgde.

Day-to-Day Business, Of Toch Niet?

In de uren na de terugkeer van Suneair namen de paladins de tijd om alles nog een s op een rijtje te zetten. De afgelopen paar uur waren hectisch geweest en om er zeker van te zijn dat zij niets over het hoofd zagen liepen Belros, Valerius en Marcus alles nog eens grondig na. De familie van Valerius was in veiligheid gebracht; de Tenebreux was gedwarsboomd in zijn duivelse plannen; Suneair was vermoeid en vermagerd, maar verder ongedeerd. Van wie waren de lichaamsdelen die de Tenebreux als hints had achtergelaten? Zou de teleport stone ooit nog werken nu de broodnodige edelstenen niet langer op het material plane aanwezig waren? En, waar is Shadout Harrah al die maanden toch naartoe? Terwijl Suneair haar verhaal deed over hoe ze uiteindelijk in haar benarde situatie was beland (de bard van Suné was samen met Liana onderweg naar Paleluds en had kamp opgeslagen. Vervolgens werd ze geketend en al wakker in de grot, haar stenen cel. Waar Liana is gebleven was haar een raadsel.), kreeg Valerius een bericht dat hem de eerstvolgende drie nachten onverwachts uit zijn slaap zou houden.
Het werd duidelijk dat er in de straat aangrenzend aan The Library of Azuth ineens opvallend veel huizen verkocht werden. Drie huizen, om precies te zijn. Na een algemene rondvraag van Marcus en een hoogstpersoonlijk bezoek van Valerius en Belros aan de verkopers bleek dat de drie huizen aan één en dezelfde opkoper waren verkocht. Iemand van buiten Tethyr nog wel! Klaarblijkelijk was het de nieuwe eigenaar eraan gelegen de huizen te slopen om er vervolgens danwel een overdekte markt, danwel een wooncomplex te plaatsen. Wat het ook zou Valerius werd er niet gelukkiger van.

Terwijl Valerius zich bezighield met de sores rond zijn bibliotheek bezocht Belros voor het eerst sinds tijden zijn ouders, en deed Marcus min of meer hetzelfde, al ware het niet zijn ouders, maar zijn tweede ouderlijk huis; de temple of Torm.

Na een aantal dagen kwamen de paladins tot de conclusie dat zij er toch niet gerust op waren dat de Tenebreux’ plannen volledig gedwarsboomd waren en besloten een extra check te doen op het bassin dat voorheen toegang verschafte aan de dimensie waar The Stones of the Desert waren verborgen. Valerius concentreerde zich en sprak een clairvoyance spreuk uit waarmee hij de locatie van het bassin in The Heart of The Desert kon bekijken, als ware het alsof hij er zelf naast stond. Rond het bassin lagen drie bruut vermoorde magiërs. Het was Valerius meteen duidelijk dat deze mages niet in de strijd waren omgekomen, maar hun einde hadden gevonden aan de hand van een tot waanzin gedreven, gefrustreerde de Tenebreux. De eerste magic-user was klaarblijkelijk doodgeslagen met een stomp voorwerp; de tweede simpelweg dood gegeseld, terwijl de derde door onthoofding om het leven was gebracht. Valerius walgde van de beelden en maakte een mentale notitie om na het avondmaal een gebed voor hun onzalige ziel te doen.
Het bassin leek provisorisch hersteld, terwijl de mozaïek tekening nog steeds onherstelbaar beschadigd was. Alles leek in orde. En juist dat gaf de paladins een onheilspellend gevoel. De laatste zeven jaar was niets in orde… waarom zou dat nu anders zijn?

 

 
Paladins! A Forgotten Realms Campaign - All contents © copyright 2004. All rights reserved.