Onderwerp
: The Curious Case Of Patty Blue - part III
Auteur : Remco Gerrets
Datum : 14-01-2012
 


 The Chronicles... So Far
 

The Curious Case Of Patty Blue - part III

“…door de vuiligheid van de volken, om hun gruwelen,
waarmede zij vervuld zijn, van het ene einde tot
het andere einde, met hun onreinigheid…”

                                                                                                      – Ezra 9:11

Het gejammer vanuit het complex begon Yaminah op haar zenuwen te werken. Het gehuil dat nog slechts een zweem van vrouwelijkheid en menselijkheid bevatte deed haar op een of andere manier denken aan die bewuste dag dat haar tribe werd overvallen en het tentenkamp in brand werd gestoken. Onbewust voelde ze onder haar sluier aan haar inmiddels geheelde, desalniettemin verminkte gezicht.
Waar haar huid jong, strak en zacht had moeten zijn, voelden Yaminah’s vingers hard en onregelmatig vlees, als een onstuimige zee van gestold lava.
Iedere groef bracht een ander beeld van die diepzwarte dag. Dan weer een flits van plunderende krijgers van de rivaliserende stam, dan weer het moment dat haar lange zwarte haard vlam vatte. Zelfs nu, jaren later, brachten de herinneringen meer dan alleen beelden, wat nog over was van haar neus werd geprikkeld en de penetrante geur herinnering van verbrand haar, in combinatie met doorbakken huid kwam ongevraagd weer tot haar.
Ineens werd de archer bruut wakker geschud uit haar overdenkingen toen ze vanuit de geheime gang waardoor zij en haar compagnons waren binnen gekomen geschuifel hoorde. Ze gaf een kort signaal naar Daryl die tegenover haar stond; waarop de ranger Snitch maande tot dekking. De dief stopte zijn handelingen om de deur voor hem te openen en verdween geruisloos in de schaduw.
Dat Yaminah alarm had geslagen bleek terecht, want slechts seconden later wandelde Trouvit langs, klaarblijkelijk had hij geen van de groepsgenoten opgemerkt want de excentriekeling liep hen straal voorbij. Zo snel als Trouvit was verschenen, zo snel was hij weer uit beeld. Snitch en Daryl lieten er geen gras over groeien en besloten Trouvit te volgen. Er was hier iets goed mis en ze waren er zeker van dat de man hen rechtstreeks naar de misstand zou leiden.

Daryl volgde het spoor van Trouvit tot aan een soort tussenruimte wat opvallend netjes was ingericht, inclusief kacheltje, bureau en boekenkasten. Op het bureau lag een foliant waarin namen en nummers genoteerd stonden. Geen van de groepsgenoten kon hier echter wijs uit worden. Als een stel volleerde inbrekers doorzocht de groep de kasten en het bureau. Niet veel later drukte Snitch een aantal potions in zijn pouch en bestudeerden Lucien, Sandor en The Pilgrim een doosje met daarin een langwerpige naald en een aantal potjes die een bepaalde substantie leken te bevatten. Een bijzonder voorwerp, zo werd besloten, maar waar het toe diende ook dat was niet duidelijk.

Terwijl het drietal nog in discussie waren over het eventueel gebruik van de naald stapte er onverwachts een wachter de ruimte in. The Pilgrim aarzelde geen moment en greep de man bij zijn kraag verder de kamer in. In een vloeiende beweging draaide de monnik achter de bewaker langs om hem zo in een houdgreep te nemen en tegelijkertijd met een korte trap de deur te sluiten. Heel angstig leek de man niet toen, zoals inmiddels gebruikelijk en geaccepteerd binnen de groep, Lucien het woord nam.
“Ik stel een vraag en verwacht een kort en duidelijk antwoord.” De man trok een snerende glimlach naar de sorcerer, waarop The Pilgrim zijn houdgreep ietwat kracht bijzette.
“Ok, ok…” kuchte de man. …

… Konrad Caldera deed zijn ronde zoals hij al jaren had gedaan. Eerst voor de oude Trouvit, dat was best een goede vent, hard maar fair; een echte zakenman. Iemand voor wie je respect had. En nu, tja nu voor Gillian Trouvit. Voorheen had Konrad Gillian Trouvit al een aparte man gevonden, maar sinds hij vanuit de dagbewaking naar de dungeon bewaking was overgeplaatst had hij geluiden gehoord en dingen gezien waar hij inmiddels bijna dagelijks ’s nachts van wakker schrok. Zijn vrouw had hem al meerdere malen gevraagd om ergens anders te gaan werken, maar Konrad was snel wijs geworden. Met alles wat Konrad in huize Trouvit had gezien was zijn leven buiten de muren van het landgoed niet veel waard. Dat het letterlijk “stikken of slikken” zou worden was Konrad nu nog niet duidelijk.

Terwijl Konrad zijn routine doorliep van deuren checken, indien op slot, dan niks aan de hand, indien niet op slot even checken en vervolgens dichtdraaien, dacht hij aan de belofte die hij had gedaan aan zijn 5 jaar oude dochtertje, Janar; voor het slapengaan nog één verhaaltje. Waarschijnlijk zouden het er wel twee worden en met een milde glimlach checkte Konrad de volgende deur. Hey, deze deur was open, apart…. plotseling schoot een pezige hand door de kier van de opengaande deur en greep Konrad bij zijn tuniek. Met brute kracht werd hij door de deuropening de kamer in getrokken. Binnen een span van tijd van minder dan een seconde overviel Konrad een gevoel van schrik, stokkende angst, verbazing en vervolgens een redelijke mate van zelfverzekerdheid; hij was immers een getrainde wacht en voor de duvel niet bang. Gedurende de seconde van intense emotiewisseling werd Konrad om zijn as gedraaid, zag hij de onbekende gezichten van drie mannen en een gesluierd persoon, en voelde hij hoe de arm zich als een boa constrictor rond zijn keel kneep. Terwijl Konrad met zijn rug naar de deur stond wist hij dat de man die hem in een wurggreep had tegelijkertijd met een korte trap de deur had gesloten. Even leek Konrad het bewustzijn te gaan verliezen, maar de wurggreep rond zijn keel werd wat losser. In plaats van een poging te ondernemen om los te komen, verkoos Konrad in al zijn wijsheid zich koest te houden. Hij was outnumbered en zijn enige ontsnappingsroute was net geblokkeerd.

Even was er een moment van verwarring zo leek het. De personen in de kamer, zag Konrad, waren allemaal gekleed in tunieken van de huishouding, geen wachters, maar bedienend personeel. Op een na, was dat nou een halfling?
Eén van de personen, een man, stapte naar voren en maakte een eind aan het moment van verwarring. Met een vlakke hand sloeg hij Konrad in het gezicht en gaf hem vervolgens een harde stomp in het middenrif. Konrad kuchte en rochelde wat maagzuur op, maar had geen adem genoeg om het uit te spugen, waardoor het langzaam uit zijn mond sijpelde. Er werd hem iets gevraagd; Konrad registreerde het wel, maar hoorde het niet. Opnieuw een klap in zijn gezicht. Enigszins verbaast bleek het dat hij er helderder van werd.
“Ik stel een vraag en verwacht een kort en eerlijk antwoord, is dat begrepen? ”
Konrad had de vraag nu wel begrepen. “Ja…”, antwoorde hij en probeerde een vuige, stoere glimlach op te zetten. Dit werd duidelijk niet gewaardeerd. De ondervrager sloeg Konrad nogmaals in het gezicht en de wurggreep werd nog even extra aangezet.
“Ok, ok…” kuchte Konrad. Het was duidelijk, het was de mannen ernst. …

… Hoewel het niet allemaal even van harte ging beantwoorde de bewaker Luciens vragen, schijnbaar naar alle eerlijkheid. Echter, toen Lucien de lange naald toonde en vroeg waar deze toe diende schoot de bewaker in de paniek.
“Aha, dus dit doet je beven!” zei Lucien zachtjes. “Vertel eens dan, wie heeft hier de leiding? Heeft Trouvit de leiding?” De man begon nu echt tegen te stribbelen en The Pilgrim had moeite om de bewaker onder controle te houden.
“Ik kan… mag… niet…” de bewaker gorgelde zijn laatste woorden, waarna zijn ogen schuin naar boven wegdraaiden en het leven liet. …

…Honderden flarden van gedachten schoten Konrad door het hoofd. Hij was gevangen genomen, wat mocht, moest of kon hij zeggen? Welke ronde had hij gedaan en wie zou er na hem komen, en hoe laat? En hoe laat was het nu? Die indringers, wat moesten die hier, waren ze van plan hem te doden, had hij kans van overleven? En als ze hem niet zouden doden, wat dan? Invalide was hij niets meer waard voor zijn familie, laat staan voor zijn werkgever. Wat moesten ze dan?
Ondertussen gaf Konrad zonder al teveel emotie te tonen en niet teveel informatie weg te geven antwoord op de vragen die hem gesteld werden. Het leek allemaal best goed te gaan. Hij schikte zich in de rol van gevangene en gaf min of meer de informatie die van hem verlangd werd. Tot het moment dat de ondervrager de naald tevoorschijn haalde. De honderden flarden gedachten vormden zich in een fractie tot angst. Het zweet brak Konrad uit. Het voorwerp waarvan hij exact wist waar het toe diende, waarvan hij wist welk leed het had veroorzaakt; de pijn; de verminkingen!
“Aha, dus dit doet je beven!” fluisterde de ondervrager. Konrads onderkaak begon letterlijk te klapperen van angst.
Weer een vraag: “Vertel eens dan, wie heeft hier de leiding?”
Konrad voelde zich koud en misselijk, en ineens een brandend gevoel op zijn borst. Was het de piercing die hij als initiatie tot de dungeon bewaker ‘opgespeld’ had gekregen? Het branderige gevoel werd ondragelijk en Konrad begon uit pure doodsangst los te komen uit de grip van zijn wurger.
Opnieuw een vraag: “Heeft Trouvit de leiding?”
Konrad wist het antwoord en wilde het uitschreeuwen van pijn en afschuw, maar zijn stem stokte terwijl zijn longen zich leken te vullen met fakkelolie. Het enige dat hij nog kon uitbrengen waren korte woorden. Terwijl hij zich realiseerde dat hij aan het overlijden was vouwden Konrads laatste gedachten om het verhaal dat hij die avond aan zijn dochter, zijn Janar zou vertellen. …

“Ik was het niet!” zei The Pilgrim stellig.
Sandor bekeek de dode bewaker en stelde de monnik gerust. “Deze man is niet gewurgd.” Voorzichtig opende de cleric van Lathander de mond van de bewaker. Achterin in het keelgat zat een krop vlees dat op een of andere manier omhoog was geschoten. “Deze man is gestikt.”
Bij nader onderzoek bleek dat een stalen ring diep in de borst van de man gebrand was. Waarschijnlijk een magisch ‘last resort’ alarm dat af is gegaan toen de bewaker teveel vrij informatie zou geven.
De overleden bewaker ontving de zegen van zowel Lathander als Mystra en werd vervolgens verborgen.

“…wanneer de wachters des huizes zullen beven,
en de sterke mannen zichzelven zullen krommen…”

                                                                                        -Prediker 12:3

Niet veel later, Daryl was het spoor van Trouvit inmiddels kwijt, zag Snitch in de verte van een lange gang een andere bewaker staan. Helaas bleven de torches en bull’s eyes van de groep ook niet ongemerkt en deed de bewaker wat een bewaker hoort te doen. Met luide stem eiste de wachter opheldering: “Wie is daar?”. Maar, geen van de zes avonturiers gaf een krimp. Nogmaals vroeg de wachter om henzelf bekend te maken; “Wie is daar?”
In plaats van antwoord te geven doofden de torches. Kordaat stapte de bewaker door de deur achter hem en draaide deze vervolgens op slot.
In de schaduw keken Daryl en Snitch elkaar een beetje vragend aan, maar binnen no-time werd duidelijk dat de overige bewakers waren gealarmeerd, aangezien een groep van vier wachters vanuit de gang achter de avonturiers kwamen aanmarcheren. Yaminah hield de bewakers op afstand, terwijl Snitch naar voren rende om de deur van het slot te halen. De bewakers trokken zich terug. Vakkundig ontgrendelde Snitch de deur waarna de groep verder het complex introk.

De bewaker die zijn collega’s had gealarmeerd had zich verschanst achter een deur en wachtte stijf van de adrenaline op wat komen ging. Hij gluurde door de ijzeren spijltjes die als doorkijk gat fungeerden. Zijn zicht was beperkt tot de trap die zich voor de deur naar boven baande en ongeveer 1 meter aan weerszijde van de deur. De spanning was om te snijden, zeker toen hij de schaduwen zag die ongetwijfeld door fakkellicht tegen de muur langs de trap werden geworpen. Toen zag hij de eerste van zes personen; klein van stuk, maar met een verbeten gezicht, zoekende, zo leek het.
Wat moest hij doen?  Dacht de bewaker. Hij keek om zich heen, naar de accessoires die hij ter beschikking had om indringers buiten te houden; vuur, kokend lood, en niet te vergeten zijn geladen kruisboog. Hij besloot af te wachten wat er zou volgen, maar hield de geladen crossbow paraat.
Stuk voor stuk liepen de indringers voorbij de deur tot die ene lange gespierde vent hem recht in het gezicht aankeek, even wachtte en hem een knipoog gaf, daarna liep de man door. De bewaker voelde een druppel zweet vanuit zijn nek langs zijn ruggengraat naar beneden glijden. Hij liep langzaam naar achteren, uit het zicht van de man aan de andere zijde van de deur. Zou hij onopgemerkt gebleven zijn? Dat kon toch niet! Die kerel keek hem recht aan en gaf nog een knipoog toe! Toch bleef het heel rustig aan de andere kant van de deur.
De bewaker vertrouwde het niet en kwam weer dichterbij de deur waar het hem opviel dat er gemorreld werd aan de deur. Aha! dacht hij, die zijn bezig met het slot. Voorzichtig pakte hij het kommetje met kokend lood en goot het door de ijzeren spijltjes. Meteen resultaat! Een korte schrille schreeuw was het gevolg en de bewaker kon zien hoe een korte man, het leek wel een halfling, nee het was een halfling, achteruit was gesprongen. De bewaker aarzelde geen moment en schoot met zijn kruisboog een pijl af, gemikt op de hartstreek van de weggesprongen halfling. Tot zijn verbazing zag de bewaker hoe zijn opponent zich in een onmenselijk flexibele vouw draaide en de pijl wist te ontwijken. Het tafereel ontspon zich in alle stilte.

Aan de andere kant van de deur zag Lucien hoe Snitch de crossbow bolt net wist te ontwijken.
“We missen de plank!” fluisterde Daryl. Maar, liet zich van zijn praktische kant zien door de bediende-tuniek uit te trekken en vervolgens voor het doorkijk gat van de deur te houden. Daarna gaf hij Snitch het signaal verder te gaan met het openen van de deur. “Zo, schiet nu nog maar eens een bout af, vriend.” voegde de ranger er triomfantelijk aan toe. De bewaker had echter andere plannen en stak de tuniek pardoes in brand!
“Ook goed!” reageerde Lucien en liet de brandende tuniek tegen de houten deur vallen. Dit keer verscheen de hand van de bewaker door de ijzeren spijltjes en probeerde met een bakje water het vuur te doven. Daryl greep daarop de arm van de wachter en trok hem door het gat tegen de deur. “Doe die deur open of ik trek je arm eraf!” De bewaker wist zich echter los te wurmen en wilde zich uit de voeten maken. Maar Lucien was dit keer voorbereid; hij wendde zich tot Mystra sprak een magic missile uit. Vanachter de deur klonk een kreet en de bewaker maakte dat hij wegkwam.

Inmiddels hadden een aantal andere bewakers de trap ook bereikt. Zoals gebruikelijk stond Yaminah op de uitkijk en wist de wachters doormiddel van hoogstaand boogschutter vakmanschap lang genoeg af te houden. Sterker nog, de bewakers besloten eieren voor hun geld te kiezen en trokken terug.

De houten deur was inmiddels volledig uitgebrand en de avonturiers glipten één voor één voor één langs de smeulende resten. Vanachter een groot traliehek achter in de verlichte kamer schoot de bewaker die eerst bij de deur stond een paar kruisboogbouten af, maar werd al snel uitgeschakeld door Yaminah. Snitch was ondertussen al naar het traliehek gerend. Waarschijnlijk had de dief nog steeds een beetje de pest in over het akkefietje met de houten deur en wist het traliehek werkelijk binnen recordtijd te ontgrendelen. “Zie je wel dat je het kunt.” motiveerde de halfling zichzelf en liep voorzichtig voorbij het hekwerk.

…met het gebed, en smekingen,
met vasten, en zak, en as…

                                                – Daniël 9.3

Waar Snitch en The Pilgrim in zekere mate op de hoogte waren van de erbarmelijke omstandigheden in de gevangenissen van Waterdeep, had Sandor eerlijkheidshalve nog nooit een gevangenis van binnen gezien. Niets kon hem dan ook hebben voorbereid op de geuren en impressies die hij zou opdoen toen hij, zonder het zelf te weten, het cellencomplex onder Trouvit Manor betrad. De voorvechter van Lathander the Morninglord sloeg zijn hand voor zijn mond en neus, maar het was eigenlijk al te laat. De weerzinwekkende geuren-mengelmoes van pis, kots, zweet, bloed, stront en angst was zijn neusgaten en keel al binnengeslopen. De zware misselijkmakende lucht leek rust te nemen op Sandor’s huig, waardoor een korte hevige hoestbui niet viel te onderdrukken. The Pilgrim sloeg de cleric zachtjes op zijn rug, en na een moment rust ging de hoestbui voorbij en hing de omgeving als een koude natte doek om Sandor’s schouders.

Het zestal stapte het cellencomplex binnen en waren werkelijk gechoqueerd door de omstandigheden waarin de ‘gevangen’ leefden. Tientallen cellen, rij na rij na rij, en in iedere cel een of meerdere vrouwen; zwaar verwaarloost, gemarteld, verkracht en verminkt. De meesten zaten in hun eigen uitwerpselen, maar sommigen lagen op de grond of stonden; soms met hun gezicht naar de muur, of in de hoek.

Sandor kon niet anders dan terug te vallen op gebed, een ter bescherming van zichzelf en al het goede. Als hij ooit kwaad had gevoeld, dan was het nu wel. Hoe vuig en wreed de medemens kon zijn?

Snitch was eveneens zeer ontdaan door de dramatische omgeving en liep van cel naar cel. Even maakte hij aanstalten om een celdeur te openen, maar leek zich te bedenken. Wat zou er gebeuren als Trouvit erachter komt dat er een vrouw is vrijgelaten en meegenomen naar de stadswacht? Het antwoord leek Snitch simpel, geen van deze vrouwen die hier gevangen zaten zou het overleven. Trouvit was machtig en vooral rijk genoeg om ze stuk voor stuk te laten verdwijnen. De halfling had zijn keuze gemaakt en had besloten om dan maar alle vrouwen te bevrijden. Nadat hij de eerste vijf celdeuren had geopend kwam hij echter tot inkeer, want hoe moesten ze in godsnaam al deze ‘verwilderde’ en gestoorde mensen het complex uit leiden? Inmiddels had één van de vijf vrouwen al de benen genomen en weigerde een tweede überhaupt uit haar cel te komen. Snitch liet de rest van de celdeuren vooralsnog gesloten.

Snitch was zeker niet de enige die het mentaal zwaar had onder deze omstandigheden. Sandor kreeg regelrechte gewetensbezwaren en ook The Pilgrim stond in dubio; moesten ze de vrouwen bevrijden, of juist niet, zodat hun veiligheid nog enigszins gewaarborgd kon worden? Terwijl de cleric en de monnik elkaars en hun eigen moraal toetsten liepen Snitch, Daryl en Lucien door, dieper het immense complex in. Hoogstwaarschijnlijk, zo dacht Lucien, was het boek dat hij had meegenomen uit de tussenkamer een charter waarin alle gevangenen bijgehouden werden. Boven iedere celdeur zat een plaatje waarin een stukje beschreven perkament geschoven kon worden. Boven ieder van de cellen die bezet waren was een stukje perkament ingestoken en beschreven met een cijferreeks dat overeenkwam met een referentie in het boek.

Lucien was de eerste die haar zag hangen; in cel AA-XXVII was een vrouw met kettingen aan haar cel muren gebonden. Ze hing schijnbaar levenloos in haar cel en haar eens bevallige lichaam was onteerd en beschadigd door ruwe schilderingen van insecten. De link met Patty Blue werd meteen gelegd. Terwijl Snitch de celdeur opende leek de vrouw bij te komen.
“Rustig maar, we nemen je mee.” sprak Snitch zachtjes. En hij ontdeed de vrouw van haar ketenen. “Ik ben Snitch, hoe heet jij?” De vrouw keek de halfling vermoeid aan en wilde antwoorden, maar tot Snitch grote schrik bleek de vrouw geen tong meer te hebben!
“Hij heeft haar tong uitgesneden!” riep Snitch.
The Pilgrim had zich samen met Sandor inmiddels weer bij het merendeel van de groep gevoegd en antwoorde dat dit bij alle gevangen was gebeurd. “Welk zieke geest huist er hier?” prevelde Sandor.
De vrouw met de schilderingen werd meegenomen, terwijl een cel verder een ogenschijnlijk nog gruwelijker voorval had plaatsgevonden. In deze cel, AA-XVIII, troffen de avonturiers een vrouw aan, ook weer gemarteld en verminkt, waarbij door haar rug een rood lint was geregen.
Het macabere schouwspel werd erger naarmate er dieper het cellencomplex werd ingetrokken. Er werden tientallen vrouwen met barbaarse beschilderingen aangetroffen. In iedere cel zat een vrouw en hoewel sommige celdeuren open stonden bleven de gevangenen gewoon zitten, staan of liggen in hun cel.

“Nu wil ik het weten ook.” zei Lucien in zichzelf en sprak een detect magic uit. De sorcerer vermoedde al dat de schilderingen magisch waren en zijn vermoeden werd bevestigd. Snel keek hij naar de lange naald die hij had meegenomen; ook die bleek magisch evenals de gekleurde substantie in diverse potjes uit het bijbehorende doosje. Ineens was het glashelder dat de naald gebruikt werd om de magische schilderingen op de vrouwen te tatoeëren. “Een bruut en barbaars formaat om zoiets delicaats uit te voeren.” merkte Sandor op en hij voelde een koude rilling over zijn rug lopen terwijl hij dacht aan de pijn die de getatoeëerde vrouw naast hem heeft moeten doorstaan.

 

“…En zij drongen zeer op den man, op Sandor,
en zij traden toe om de deur open te breken….”

                                                                              – Genesis 19:9

Met het voorbijgaan van cellen versnelde de groep het tempo. Hoeveel vrouwen werden hier gevangen gehouden? Dacht The Pilgrim in zichzelf. En hoe heeft dit kunnen gebeuren onder het oog van zowel de stadswacht als hemzelf? Voelde hij zich op een verwrongen manier wellicht schuldig voor het leed dat deze vrouwen was aangedaan? Heel veel tijd om hierover na te denken werd de monnik niet gegund.  Inmiddels waren Daryl en Lucien de groep ietwat vooruit gelopen en kwamen een kamer in waar een welbevallige dame hen zwoel aankeek. De dame zat in een uitnodigende houding op een smoezelig bed, geketend aan de muur via een neksluiting.
Zowel Daryl als Lucien moest bekennen dat zij niet geheel onaangedaan waren door haar verschijning, waarschijnlijk nog eens versterkt omdat ze de afgelopen minuten zoveel ellende hadden gezien.
The Pilgrim stapte de kamer in en liet weten dat de vrouw niet echt was. “Dit is een pleasure golem.” Snitch was meer dan geïnteresseerd dus vertelde The Pilgrim iets meer.
“Deze golems worden gebruikt, danwel misbruikt voor het bevredigen van onzedige gedachten. Het komt wel voor dat personen bij het zien van een dergelijke golem hun seksuele driften niet langer de baas kunnen en zich in al hun hevigheid laten gaan.” Snitch knikte en zijn gezicht klaarde enigszins op. Sandor de cleric kwam ondertussen als laatste de kamer in en voegde daad bij The Pilgrim’s woord. Daryl hield een hand voor de ogen van de getatoeëerde vrouw terwijl Yaminah even de deur van de kamer sloot voor wat meer privacy voor de priester van Lathander.

Nadat Sandor zijn celibaat succesvol had verbroken en hij overtuigd werd dat het niet helemaal zijn fout was, het kon immers iedereen overkomen (“Ja, maar het overkomt mij!”), werd besloten dat de beste manier om dit achter ons te laten, de man die al dit kwaad veroorzaakt had ter verantwoording roepen. Met hernieuwde energie leidde Sandor de weg, op zoek naar Gillian Trouvit.

 

Voor zover het mogelijk was werd de beklemmende kwaadaardige atmosfeer nog beklemmender naarmate de groep verder het cellencomplex introkken. Het gejammer van vrouwen ging onafgebroken door, geluiden die je normaliter alleen in kerkers hoorde volden de gangen en cellen. Waar voorheen iedere cel bezet was, bleek hier nu en dan een cel leeg te staan. En ineens, eigenlijk vrij onverwachts, stond daar aan het einde van de gang Gillian Trouvit. Snitch en Daryl doken meteen de schaduw in en probeerden dichterbij te komen.
Trouvit stond vrij stil een cel in te kijken, alsof hij de gevangene aan het bestuderen was. Verderop bleek de gang breder en uit te komen bij een grote dichte deur. Vanuit een andere gang kwam een in het zwart geklede, donker getinte man naar Trouvit toelopen. De man keek naar Trouvit en vervolgens de gang in waar Snitch en Daryl in de schaduw stonden. Het was duidelijk dat de man Daryl had gezien, want na een korte geïrriteerde grom begin de man met het uitspreken van een magische spreuk.
Snitch probeerde zich, net als Daryl, terug te trekken, waarop Trouvit zich naar de halfling draaide en bijna smekend vraagt: “Help me!” De man had Snitch nu ook in de gaten, waardoor de dief niet langer aarzelde en een sneak attack uitvoerde. Daryl’s pijl miste helaas de magiër.
De rest van de groep hadden zich nog niet kunnen mengen in het gevecht. De in het zwart geklede man wachtte niet langer af en riep luidkeels “Attack!” Vrijwel direct sprongen de meeste celdeuren open en werden de groepsgenoten aangevallen door de gevangenen.
“Het zijn zombies!” riep The Pilgrim terwijl hij de naar vlees graaiende handen van zich afsloeg. Sandor de Sauvignon was nu op bekend terrein en riep de goddelijke kracht aan van Lathander om de onreine wezens te turnen.
 “Als dit zombies zijn, dan is dat manspersoon daar verderop een necromancer!” schreeuwde Lucien luidkeels om maar boven het oorverdovende gekrijs van de klauwende zombies uit te komen.
De necromancer viel opnieuw aan, dit keer met de Mage Hand die hij had opgeroepen, maar deze miste Snitch op slechts een haar. Opnieuw schreeuwde de evil mage slechts één woord: “Skrank!” onmiddellijk gevolgd door zwaar dreunende voetstappen vanachter de grote, nu nog dichte deur aan het andere eind van de gang.

 

 

 
Paladins! A Forgotten Realms Campaign - All contents © copyright 2004. All rights reserved.