Onderwerp
: Intermezzo XVIII
Auteur : Tom Gerrets
Datum : 19-02-2012
 


 The Chronicles... So Far
 

Intermezzo XVIII

Ithford twee weken geleden:
De avond  was net over het kleine vissersdorpje gevallen.
Kings Coin scheen fel aan het firmament. De grote, gele ster die de pommel van de Sword constellatie vormde, gaf de speelse kabbeling op de Ith rivier extra diepte, waardoor het leek of er kleine, verlichte golfjes de rivierbedding wilden beklimmen.
Marcus staarde vanuit het venster van zijn eenvoudige kamer naar het serene schouwspel van licht en water.
De sereniteit die dit speldenprikje op de landkaart van Tethyr uitstraalde, was één van de redenen waarom Marcus zich zo nu en dan graag terug trok in deze woongemeenschap aan de rand van de grote rivier. Al die keren dat hij dit dorpje had bezocht had hij nog nooit een zweem van Kwaad kunnen ontdekken. De inwoners waren allemaal hardwerkende lieden die voornamelijk leefden van de vis die zij zelf uit de rivier vingen en de gewassen die zij op de kleine landerijen iets verder landinwaarts verbouwden. Het dorpje lag een ruime dag verwijderd van de dichtstbijzijnde weg, die van Darromar naar Sarradush en de oever van de rivier was hier te ondiep voor schepen om aan te meren. Hierom werd het dorp dan ook nauwelijks door buitenstaanders bezocht omdat het domweg niet interessant is om economische of historische redenen.
Toch hadden de inwoners van Ithford Marcus direct vriendelijk ontvangen toen hij jaren geleden bij toeval het dorpje was in gewandeld.
Niemand hier wist wie Marcus was, welke rol hij speelde in de rest van de wereld of welke lasten hem op zijn schouders rustten. Alle 43 inwoners behandelden Marcus als een doodgewone man, een gelijke. En de demonenjager accepteerde dit als een warme, anonieme deken.
Een andere reden waarom Marcus zo graag zijn rust zocht in Ithford was het feit dat hij in Ithford nagenoeg onvindbaar was. Niemand die hem per ongeluk kon herkennen op de zandpaden tussen de kleine huisjes, zoals dit in de middelgrote en grote steden wel kon gebeuren op de straten.
Hij kende na zijn tweede bezoek immers al alle inwoners van het gehuchtje en de gezichten van de dorpelingen waren hem stuk voor stuk bekend en vertrouwd .Ithford was met recht één van de weinige plekken in Tethyr waar hij zich echt veilig voelde; tot een klein half uur geleden.

Vlak voor zonsondergang werd er op de kale, houten deur geklopt van de kamer waarin Marcus zich voor de nacht terug had getrokken.
‘Joh, dat zal Sandrine zijn om me uit te nodigen voor het eten met het gezin vanavond, de lieverd…’, had Marcus gedacht terwijl hij breed lachend op de deur af stapte.
Marcus logeerde eigenlijk min of meer bij het gezin waarvan Sandrine onmiskenbaar de koningin in het huis was. Een gastvrije, warme en hartelijke koningin wel te verstaan. Een vrouw zoals eigenlijk alle koninginnen in heel Toril zouden moeten zijn.
Lachend zwaaide Marcus de deur wagenwijd open en sprak opgemonterd: “Wat een eer op deze mooie avond om zo…”, de woorden stokten in Marcus’ keel en zijn brede lach verdween ogenblikkelijk. In de deuropening stond waarlijk een gigant van een man. Ogen als gitzwarte kooltjes keken nog net onder de bovenste deurpost door en het laatste licht van de dag werd in de deuropening geblokkeerd door het reusachtige postuur van de man. De donkere, bijna zwarte huid van de man verried dat hij van een ander ver weg gelegen continent afkomstig was. Om de man heen hing een onmiskenbare lucht van kaneel en anijs.
Marcus had zichzelf aangeleerd om in Ithford zijn zwaard altijd goed weg te bergen. Dit om overbodige vragen van de dorpelingen te voorkomen.
Nog niet eerder had hij zich naakt gevoeld zonder zijn zwaard in dit rustige dorpje, maar nu wel.
friar kopie.jpgHet ontbreken van het bijna vertrouwde gewicht van zijn wapen op zijn lichaam maakte hem nu onrustig.
De donkere reus bekeek Marcus nogmaals, alsof hij zich ervan wilde vergewissen dat hij de juiste persoon voor zich had en greep toen vliegensvlug onder de donkere cape die hij droeg.
In een reflex schoot Marcus achteruit en nam een verdedigende houding aan.
De man haalde nu iets rustiger zijn hand weer onder de cape vandaan en reikte een verzegelde perkamentrol door de deuropening.
Met een zware stem, maar in opvallend accentloos Tethyrian bood hij het perkament aan en zei: “Met de complimenten van Muhyi Haddad.” Bij het horen van deze naam kroop er heel even een leeg gevoel in de buik van de paladijn. Gedachte flitsten door zijn hoofd, terwijl hij bijna afwezig het perkament aannam: ‘Muhyi Haddad, die vuige, overspelige toverdokter! Hoe had hij hem hier gevonden? Die met twee tongen pratende…’, De woorden van de reus onderbraken Marcus’gedachten: “Ik wacht u op, Net buiten het dorp. Wanneer u uw spullen in gereedheid heeft gebracht.” Vervolgens draaide de reus zich om en stapte het zandweggetje op dat naar de rand van het dorp leidde. Afwezig registreerde Marcus dat de drie dorpelingen die een eindje verderop langs de weg stonden te keuvelen, de langslopende gigant niet eens opmerkten.
Marcus sloot de deur van zijn kamertje, ontstak een olielamp en brak het zegel van de rol perkament.
Bij het breken van het zegel kwam er een frisse muntgeur vrij; waarschijnlijk het ontladen van een beschermende spreuk.
De demonenjager ontrolde het perkament en las de boodschap die hoogstwaarschijnlijk direct van de hand van Muhyi Haddad afkomstig was:

Beste ‘Perigo’,
Enige tijd geleden heb je gebruik gemaakt van mijn diensten. De persoon die het betrof lijkt compleet genezen van datgene waaronder hij leed.
Het is nu tijd om de rekening die hiervoor indertijd is opgesteld te vereffenen. Ik verzoek je om onder de bindende voorwaarden die bij aanvang van het contract zijn bepaald, je te vervoegen bij mijn trouwe dienaar en hem jou naar mij te laten brengen. Ik kan je dan inlichten over de specifieke taken die het voldoen van de rekening vereisen.

Met hoogachtende groet,
Muhyi Haddad

Het serene spel van water en licht aan de oever van Ithford deed Marcus nu al heimwee hebben naar het dorp waar hij nu nog was. Hij had graag nog een paar dagen gebleven, maar achter hem, in een donkere hoek van de eenvoudige kamer, lagen alle zaken die hem maakten tot wat hij was.
In doeken gewikkeld, lag daar zijn harnas, het hogere eerbetoon aan Torm. Zijn zwaard, het verlengstuk van zijn focus om al het Kwaad uit deze wereld te bannen. Zijn tweede kledingset, met deze kleren verdween Marcus van Toril en deed zijn schimmige alter ego, Perigo, zijn intrede. En natuurlijk zijn naalddunne, gouden dolk, de Extender die hem één van de gevreesde demonhunters maakte. Enigszins verbitterd greep hij zijn rugzak en de andere spullen en beende zonder om te kijken de kamer uit. Terwijl hij het zandpad afliep richting de zoom van het dorp, voelde hij dat hij weer voor onbepaalde tijd de rust en vertrouwdheid de rug toekeerde. ‘Sandrine zal vanavond net iets te laat zijn met haar uitnodiging voor het eten en een lege kamer aantreffen. Goed dat de bewoners van Ithford geen vragen stellen. Ook niet als je de laatste keer zomaar vertrokken bent…’

Buiten het dorp stond de donkere man rustig te wachten op Marcus. De paladijn keek om zich heen, speurend naar enige vorm van vervoer; paarden, een koets of tenminste een bootje.
Alsof de reus Marcus’ gedachten kon raden, zei hij: “Maak je niet druk, we zijn er in een ogenblik.”, vervolgens legde hij voorzichtig een hand op de schouder van de paladijn en sprak één enkel woord.
Waarde twee mannen zojuist hadden gestaan, trok de implosie van lucht nu een stoffige zandwolk van het pad.

 

Darromar twee weken geleden:
De flits van licht die Marcus verblindde bleek afkomstig te zijn van de toortsen die in de kamer brandden. Het misselijke gevoel in de maag van de paladijn, vertelde hem dat ze een soort van teleportatie hadden gedaan. Op de donkere zandweg buiten Ithford hadden de ogen van de half-elf zich volledig aangepast aan de duisternis om hem heen. Met het plotselinge licht van de toortsen, leek het licht dwars door zijn netvlies en zo in zijn hersenen te steken.
“Ik haat dit!”, gromde Marcus. De reus keek even naar beneden en zei: “Sorry voor het ongemak, sir Paladin Knight of Torm.”, boog vervolgens diep richting een tafel verderop in de kamer en verliet de ruimte.
De ogen van Marcus wenden maar langzaam aan het licht en de wazige schim achter het bureau leek rustig te wachten tot Marcus weer diepte kon zien.
Voor de demonhunter zat de Muhyi Haddad. De kale, bleke en gedrongen man keek Marcus emotieloos aan.
“Welkom Perigo. Fijn dat je zo snel kon komen. Wellicht iets te drinken tegen de misselijkheid?”
In antwoord hierop ging Marcus nog rechter op staan en snauwde: “Laat de beleefdheden maar achterwege. Ik ben er. Jij wilt een schuld vereffenen en ik wil ervan af!”, de paladijn had de cynische toon onder de naam ‘Perigo’ niet gemist. En ook de formele titel die de donkere man had gebruikt was hem niet ontgaan. Muhyi Haddad wist echt wel wie ‘Perigo’ echt was en wat ‘hij’ deed.
De kleine goblinachtige man bleef net zo emotieloos staren als voorheen en kraakte: “Des te beter. Ik heb ook nog veel te doen.” “Als je maar wel weet dat ik geen vuile klusjes voor je ga opknappen. Daar is met geen woord over gesproken bij het contract en zelfs jouw ‘bindende’ voorwaarden laten mij niet van mijn geloof afdwalen…”, de cynische toon waarmee Marcus het woord ‘bindende’ had uitgesproken, was zelfs voor een kind nog te herkennen.
“Oh, maar dan onderschat je mij en je vergist je. Ik ben er namelijk van overtuigd dat iedereen het beste functioneert als ze vanuit hun kracht werken.”, viel de toverdokter Marcus in de rede. “Hoewel je voor mijn smaak te vroeg je rekening mag voldoen. Veel te vroeg… Helaas.”
“Kom nu maar op met datgene wat je te vertellen hebt…”, Marcus bleef gespannen staan wachten op het antwoord van Muhyi Haddad.
“Ik wil dat je afreist naar Marsember en daar een oude vriend van je opzoekt.
En dan datgene doet waar je goed in bent…”, Marcus sneerde Muhyi Haddad toe: “Hah, ik ben nog nooit in Marsember geweest. Dat ligt toch in Cormyr? Daar heb ik helemaal geen vrienden.”
Het nog steeds emotieloze gezicht van de Muhyi Haddad opende zich weer voor de volgende, stekende woorden: “Ah, maar dan vergis jij je weer. Je hebt wel degelijk oude vrienden in Marsember. Of liever gezegd: oude bekenden.”, de gedrongen man wierp achteloos een klein gouden amulet met hierop een groene, gegraveerde rune op zijn bureau.  Met een blik van herkenning liep Marcus op de tafel af en pakte het kleinood op.
7750334 kopie.jpg“Je zult er nog één vinden in Marsember. En nog mooier: je hoeft je niet eens druk te maken of ik ze misschien wil gaan verzamelen. Vernietig deze en degene die je in Marsember gaat vinden en jouw rekening aan mij is voldaan. Kortom, doe datgene waar je goed in bent.”, de gedrongen Muhyi Haddad boog zich weer over het boek dat voor hem op tafel lag.
“Maar, ik kan toch nooit die lange reis naar Cormyr maken?”, sprak Marcus terwijl hij het amulet in een dieprode beurs stopte. “Zo lang kan ik niet wegblijven zonder dat dit opgemerkt wordt.”
Zonder op te kijken van zijn boek, sprak Muhyi Haddad emotieloos: “Daar heb je vrienden voor, toch? Zoek ze op en vraag om hulp. Het verleden leert dat je genoeg wijsheid hebt om tijdig hulp in te roepen, nietwaar?”
“Ja natuurlijk. Ik weet niet eens waar ik ben.”, wierp de paladijn tegen.
Muhyi Haddad keek even op van zijn boek naar Marcus en zei: “Je vergist je weer. Je bent in Darromar. Als je hier de deur uitloopt, klim je gewoon op het dak aan de overkant van de straat en verder weet je vast de weg dan wel.” ‘Maakte de toverdokter nu een grap door te verwijzen naar de eerste keer dat Marcus hem had geobserveerd vanaf het dak?’, Marcus liet de gedachte varen toen hij het nog steeds emotieloze gezicht van Muhyi Haddad zag.
De toverdokter zat alweer diep in zijn boek toen Marcus de deur achter zich dicht trok en de kortste weg naar de tempel van Azuth insloeg.

De volgende dag kwam Valerius over enthousiast de kamer binnen rennen waar Marcus op zijn vriend zat te wachten.
“Marcus, vriend. Je hebt wat gemist, hoor. Je had erbij moeten zijn. Het was echt geweldig. Belros en ik volgden dus een spoor dat gegeven was door één van de studenten van de bibliotheek. En toen we binnen kwamen bleek al snel dat er meer aan de hand was. Allemaal beelden in die grot. En toen bleven we vastplakken aan die versteende Umber Hulk, die eigenlijk een mimic was””, Marcus hief een hand op om de magiër tot rust te manen, tevergeefs.
“.. Maar toen bleek dat er ook een medusa, of eigenlijk twee medusa’s, in het spel waren, werden we toch wel een beetje nerveus. Die trol, of eigenlijk was dit een phasm, die veranderde in een rust monster en voor ik een spreuk kon uitspreken, had hij met zijn voelsprieten mijn mithril vest geraakt. Het hele vest viel zomaar als roestige stof uit elkaar! Maar gelukkig wisten we de laatste medusa weg te jagen toen ik met een spreuk dat hele beest verbrandde en toen …”, “Valerius ga eens zitten en luister even naar me.”, zei Marcus terwijl hij zijn handen op de schouders van zijn vriend legde. Valerius herkende de serieuze blik in de ogen van Marcus en ging langzaam op de stoel zitten waar Marcus hem naartoe dirigeerde.
“Weet je nog dat het een tijdje geleden niet zo goed ging met je? Toen je dat onderzoek naar de Trychian Golems gestart was?” Valerius knikte instemmend. “Nou, datgene wat je had is niet zomaar weg gegaan. Daarvoor hebben we hulp van buitenaf in moeten roepen.”, Valerius knikte weer zwijgend bij het horen van Marcus’ verklaring.
“Wat ik je niet heb verteld is dat die hulp niet gratis was. Daarvoor heb ik een schuld moeten uitschrijven; een contract. En nu moet ik mijn schuld inlossen. In Cormyr. In Marsember. En ik heb jouw hulp daarbij nodig. Om in Marsember te komen. Verdere details zijn eigenlijk niet zo belangrijk. Want als ik eenmaal in Marsember ben is de rest geschiedenis.” Marcus keek verwachtingsvol naar Valerius. Enkele ogenblikken bleef de magiër hem woordenloos aankijken. Toen deed hij zijn brilletje af en vroeg op ernstige toon: “Wat voor een contract en met wie?”, voordat Marcus kon antwoorden, kwamen de volgende vragen: “Wat moet er gebeuren in Marsember? Waar heb je jezelf mee in gelaten?” Marcus zuchtte diep en zei terwijl hij een stoel bijschoof: “Bij Torm, het is tijd om open kaart te spelen.” , Marcus nam plaats op de stoel tegenover Valerius en vertelde tot in detail wat er gebeurd was tijdens het ziekbed van Valerius en wat er nodig was geweest om Valerius weer gezond van geest te krijgen…

Marsember één week geleden
Zelfs na twee dagen in deze stad was Marcus nog niet gewend aan de stank die de straten konden produceren. De geur die de vele kanalen in deze stad op een normale zomerdag produceerde, was één van de mindere aspecten waar deze stad bekend om stond. Naast de vele vismarkten die de stad rijk was en haar een continu lichte zweem van rottende vis gaf, waren er ook de vele kanalen die door Marsember koersten. De grachten deden niet alleen dienst als vervoersroute voor de vele kleine bootjes die handelswaar vanaf de haven verder de stad in brachten, maar ook als open riool. Tijdens de warme dagen van het jaar werd de rioollucht versterkt door het moerasrijke gebied dat achter Marsember lag. Dit had als gevolg dat de stad op deze dagen werd gehuld in kleed van een hele specifieke, maar zeer penetrante lucht van rottende uitwerpselen gecombineerd met vochtige, aardse tonen. Binnen de dievengemeenschap was het een gevleugelde uitdrukking om te zeggen: “Daar heeft een Marsembian aan gezeten.”, wanneer bepaalde waar niet helemaal te vertrouwen was. Marcus begreep nu maar al te goed waar deze rake uitdrukking vandaan kwam.
De paladijn stond op één van de vele bruggen die de stad rijk was en kijk uit over de gracht waar groenbruin water als een soort van dunne, vochtige pap doorheen stroomde en dacht terug aan het moment dat hij Valerius had betrokken in het kat en muis spel waarin hijzelf beland was.
Marcus had verwacht dat de magiër hem vreselijk de les zou gaan lezen, of beschuldigend zou zeggen dat hij dat niet voor hem had moeten doen. Echter, niets was minder waar.
Nadat Valerius van de eerste schok was bekomen, stelde hij alleen maar veel vragen.  Vragen waar Marcus vaak zelf ook het antwoord niet op wist. Tenslotte had hij erop aangedrongen dat hij mee moest. Marcus wilde niets van dit alles weten. Het ging hier om een type IV demon en dat is voorzichtig gezegd, dodelijk gevaarlijk. Valerius legde rustig uit dat hij Marcus alleen met een teleport spreuk naar Marsember kon brengen en dat bij deze spreuk de magiër alleen maar iemand mee kan nemen en niet zomaar iemand verplaatsen. Daar kwam bij dat Marsember niet voor niets The City of Spices wordt genoemd. De stad wordt geroemd om de import van de meest exotische specerijen en exporteert ook ingrediënten, waaronder voornamelijk mosterd en mosterdzaden.
Valerius ‘moest sowieso’ naar Marsember omdat hij alweer aardig door zijn kruiden waarmee hij de voor hem zo belangrijke thee maakte, heen raakte.
Na veel gesoebat begreep Marcus uiteindelijk dat Valerius van geen wijken wilde weten en stemde hij grimmig in met het voorstel van Valerius om hem te vergezellen.
Valerius sloot het gesprek af met de opmerking dat hij nog ‘een paar dingetjes’ in de bibliotheek moest regelen en dat ze dan gelijk konden vertrekken.
Die paar dingetjes hadden helaas wel drie dagen in beslag genomen.

Toen het duo vervolgens in een achteraf steegje van Marsember tevoorschijn plopte, duurde het niet lang voor Marcus de magiër kwijt was. Terwijl hij met de magiër richting de stadshaven liep bespraken zij waar ze voor de komende tijd hun onderkomen zouden zoeken. Bij het binnenstappen van de eerste herberg, stond Valerius al verstrooid aan de overkant van de straat te grabbelen op een marktkraam gevuld met specerijen en kruiden.
De verdere dagen bleken min of meer een herhaling van zetten in het gedrag van Valerius.
Als een kind in een snoepwinkel struinde hij alle markten af op zoek naar de beste deals voor kruiden, specerijen, magische componenten en alles wat hier ook maar enigszins bij in de buurt kwam.
Marcus was al lang blij dat Valerius zichzelf bijna verloor in het rijke specerijenaanbod, want dat gaf hem de gelegenheid om de speurtocht naar Yagg-Toth op te pakken op die manier die hij het allerbeste alleen kan doen.
Marcus werd opgeschrikt uit zijn gedachten door een glinstering die speels over het modderige kanaalwater bewoog. Direct moest hij terugdenken aan zijn laatste keer in Ithford. Het licht van de sterren dat over het kristalheldere water van de Ith speelde.
De glinstering in deze grauwe soep bleek echter van een weggegooide kookpot te zijn en weer vroeg de paladijn zich even af waarom zijn wereld voornamelijk moest bestaan uit vervuild, vies water met weggegooide vuilnis.
Veel meer tijd om weg te drijven op gedachten kreeg hij niet, want inmiddels kwam zijn contact de brug op lopen. Een ranke man met een klein ringbaardje en een norse uitdrukking liep hem tegemoet. De lieslaarzen, donkere cape en bijpassende handschoenen die hij droeg, waren de gebruikelijke klederdracht in deze stad. Ongetwijfeld was deze kledinglijn jaren geleden ook uit noodzaak geboren om in ieder geval iets meer bescherming te bieden tegen alle bacteriën die de straten rijk waren.
Om zo min mogelijk op te vallen had Marcus na de eerste dag zelf ook een dergelijk tenue aangeschaft.
Zodra de man binnen fluisterafstand was gekomen, trok Marcus een kleine, donkere buidel onder zijn cape vandaan en liet de inhoud even verleidelijk rinkelen. “Maleth, wat heb je voor me?”, sprak Marcus zachtjes.
bridge-medieval-fantasy-city.jpg“Ehh, nou Perigo, het lijkt toch ingewikkelder dan ik aanvankelijk dacht. Ik heb in ieder geval nog niemand gevonden die zo’n amulet in de verkoop heeft, maar ik wil natuurlijk nu verder zoeken naar iemand die het amulet in ieder geval in zijn bezit heeft…”, terwijl de informant Maleth verder ging uitleggen wat er nu verder allemaal moest gaan gebeuren en wat hij daar allemaal wel niet voor moest gaan doen en natuurlijk… wat dit allemaal wel moest gaan kosten, dacht Marcus bij zichzelf: ‘Eigenlijk is het ook overal hetzelfde. Ook hier is geduld een schone zaak.’
Marcus wist dat hij met Maleth één van de betere informatiebronnen van deze stad had gevonden. Hij voelde dit instinctief aan. De man had overal in de stad wel een vinger of een deel van een vinger zitten en wist van rijk tot arm dingen te weten te komen. Hij was er ook van overtuigd dat Maleth voor een man in zijn beroep ‘eerlijk’ was en ook serieus probeerde om het amulet van Yagg-Toth te traceren zonder al teveel omwegen. Als iemand het amulet kon vinden, was het deze Maleth wel. Marcus moest geduld hebben en Maleth zijn werk laten doen…

 

Marsember vandaag, vlak na middernacht
“Waarom moeten dit soort dingen nu altijd gedaan worden in het holst van de nacht?”, Valerius keek schichtig om zich heen, terwijl hij met een hand op zijn hoofd probeerde de wind te beletten om zijn hoofddeksel te laten wegwaaien.
Marcus keek geërgerd achterom naar de magiër: “Ja, dat is nu eenmaal zo. In de nacht zijn er minder mensen op straat, dus minder getuigen. Het werk dat ik doe is nu eenmaal supergeheim. Als jij tenminste niet alsnog de hele buurt wakker brult. En laat die pet ook eens los, het waait amper.”
“Ja maar ik sta anders wel boven op een dak, hoor.”, piepte Valerius een beetje tegen, terwijl hij langzaam zijn hand van zijn hoofd haalde.
“Ok. Het plan hebben we vaak genoeg doorgenomen, toch?”, sprak Marcus terwijl hij het grote pakhuis aan de overkant van de straat geen moment uit het oog verloor.
De magiër knikte kort naar de rug van de paladijn en fluisterde zachtjes de ingestampte instructies: “We teleporteren naar de bovenste verdieping van het pakhuis en lopen dan naar de eerste verdieping toe, waar de eigenaar zijn privé vertrekken heeft.” Zonder om te kijken, maar met iets verheven toon fluisterde Marcus terug: “En HOE lopen we naar de eerste verdieping?”
Valerius zuchtte even: “Zo stil mogelijk. Nog stiller dan een muis.”, Valerius dacht even aan alle beloften en dreigementen die Marcus hem eerder had gedaan over wat hij met de magiër zou doen als deze ook maar één enkel geluid maakte in het huis en er schoot een onbeheersbare rilling over zijn rug. Valerius schudde snel het kille gevoel van zich af en ging verder: “Dan stap jij de slaapkamer in. De plek waar bijna zeker het amulet ligt. Ik blijf op de gang staan en raak absoluut niets, maar dan ook niets aan.” Marcus knikte zwijgend, nog steeds spiedend naar de eerste verdieping van het pakhuis.
“Jij pakt het amulet, loopt naar buiten en dan gaan we muisstil naar de tweede verdieping, waar ik dan weer een teleport uitspreek om ons weg te halen. Niet op de eerste verdieping want mijn spreuk kan de eigenaar schuine streep demon wakker maken, en dan kan hij ons alsnog traceren. Wel mooi dat hij dat kan, hoor. Zou i eigenlijk wel meer van willen weten. Doet hij dat door een link te leggen met het intraplanaire…” “Valerius!”, siste Marcus zonder om te kijken: “Focus!”
“Ehh… ja. Nou de teleport naar de herberg dus, waar we onze spullen al klaar hebben staan en vervolgens zo snel mogelijk afstand maken van Marsember. Toch?”
Marcus knikte kort en draaide zich naar Valerius toen hij had gezien dat op de eerste verdieping van het pakhuis het licht gedoofd was.
“Nu nog even wachten tot alles in echte rust is in het pakhuis en dan gaat het beginnen, grote vriend.”, glimlachte Marcus terwijl hij met zijn rug tegen de dakrand ging zitten.
Valerius bestudeerde de getekende plattegrond van het pakhuis nog een keer, zodat hij deze echt uit zijn hoofd kende. Een extra gift van Marcus’ informant omdat het langer dan drie dagen had geduurd voor hij de locatie had gevonden.

Na wat een eeuwigheid van wachten leek, zei Marcus plots: “Kom, tijd om te gaan.”, en stond op.
Valerius stond ook op en keek nog een keer naar het kleine raam op de zesde en hoogste verdieping van het pakhuis. De verdieping waar zij zo dadelijk in het pakhuis zouden verschijnen.
De magiër haalde een keer diep adem, greep Marcus bij zijn pols en sprak luid één arcaan woord.
Vanuit het kleine raampje op de bovenste verdieping keek Valerius naar het dak waar hij en zijn kameraad een ogenblik geleden nog hadden gestaan. De echo van de arcane spreuk werd mee gevoerd met de wind en leek niet meer dan het holle geluid van een hond die enkele seconden geleden geblaft of gejankt moet hebben.
Valerius keek naar Marcus in het enkele licht dat door het kleine raam kwam en zag dat deze voorover gebogen stond en zich weer probeerde te herpakken.
Als Marcus nu hardop had kunnen spreken, had hij zeker: “Ik haat dit!”, gegromd. Maar nu kon Valerius de afkeer tegen teleportatie alleen maar aan het gezicht van de half-elf aflezen.
Enkele tellen later rechtte de demonhunter zijn rug en stapte behoedzaam op de deur van de kamer af.
‘Het is begonnen!’, dacht Valerius opgewonden.

 

 

 
Paladins! A Forgotten Realms Campaign - All contents © copyright 2004. All rights reserved.