The Mansion Of Gilian Trouvite

De groep tastte nog steeds in het duister wie Patty had vermoord, in het badhuis had gelegd en welke motieven de moordenaar daarbij had gehad. Snitch wist te vertellen dat de zuiderling, die zich op rituele wijze waste in het badhuis, een bodyguard was van Abu Al Farit. Snitch had eerder van deze Abu Al Farit gehoord. Hij was een crimelord die in het zuiden een eigen kasteel had. Deze Abu was een liefhebber van mooie vrouwen en hij had dan ook een harem. Typerend voor de vrouwen in zijn harem, was dat zij een zilveren band om hen nek hadden met daaraan weer een lange ketting. Elk jaar dat zij Abu Al Farit succesvol hadden gediend, werd er een ring van deze ketting afgehaald. Bij verkeerd gedrag, kwamen er weer ringen aan… Wanneer de laatste ring was verwijderd, was deze dame vrij te gaan waar zij wilde. Om verder aan te duiden dat de vrouwen in Abu’s harem zijn eigendom waren, hadden zij ook diverse tatoeages, die dit aanduidden.

The Pilgrim vond het een goed idee om Titiana weer eens te gaan bezoeken om haar de laatste stand van zaken te laten weten, wellicht dat zij nog een goed idee had, dat zou kunnen helpen. Titiana kon helaas niet verder helpen. Het enige dat zij wist te vertellen, was dat er bordelen waren, waarbij alle dames versierd waren met diverse tatoeages…

Ondertussen had Lucien het idee opgevat om eens de bewoners vlak tegenover het badhuis te ondervragen. Wellicht dat zij iets hadden gehoord of gezien in de nacht dat Patty in het badhuis was neergelegd? Het kostte Lucien enige diplomatiek handelen, maar uiteindelijk wist hij een gesprek aan te knopen met een echtpaar dat in de nabijheid van het badhuis woonde. Uit het gesprek bleek dat zij niets meer wisten te vertellen dan wat Lucien al wist (en dit hadden zij ook al verteld aan de stadswacht). Opeens herinnerde de echtgenote dat zij een schim had gezien tijdens die bewuste nacht en dat zij iets groens meende gezien te hebben. En liet dat nu net ook de kleur zijn, die was verwerkt in de kleding die de stadswacht droeg…

De groep overwoog verder ook nog om met het ondergoed en bh, waarin Patty was gevonden, mee te nemen naar diverse lingeriewinkels om te zien of dit nog iets zou opleveren. Maar uiteindelijk werd er van dit idee afgezien aangezien dit alleen maar meer de aandacht zou vestigen op de groep. Daarom werd besloten om meer het onderzoek te vestigen op Gilian Trouvite. Wellicht dat zijn voorliefde voor het schilderen een ingang zou zijn om hem te kunnen spreken? De groep bracht daarop een bezoek aan een atelier en Lucien nam het woord en gaf aan zeer geïnteresseerd te zijn in een schilderij van Gilian Trouvite.

De atelierhouder wist te vertellen dat schilderijen van Gilian Trouvite niet gauw gevonden zouden worden in een atelier omdat ze gewoonweg niet verkochten en eigenlijk oerlelijk waren. Toch liet Lucien zich hierdoor niet uit het veld slaan en hij bedacht het volgende idee. Lucien, Snitch en Yamina zouden zich voordoen als leden van het zeer illustere gezelschap “De Onzichtbare Penseelstreek” om op die manier een rondleiding te kunnen krijgen in het huis van Gilian Trouvite. Hij besloot nog diezelfde avond een bezoek te brengen aan het huis van Gilian Trouvite om zo deze rondleiding te regelen.

Ondertussen was Snitch het huis van Gilian Trouvite aan het bekijken vanuit de schaduwen om te onderzoeken wat er zoal daar plaatsvond. Snitch wist hierdoor dat het huis zeer goed werd bewaakt en dat er geregeld een groepje bewakers z’n ronde deed. Zomaar binnendringen in dit huis zou niet gemakkelijk gaan…

Het lukte Lucien niet gemakkelijk om, eenmaal aangekomen bij het huis van Gilian Trouvite, de heer des huizes te kunnen spreken om hem te vragen enige van zijn schilderijen te kunnen bekijken. Wel kreeg Lucien het hoofd van de bediening te spreken. Deze wist Lucien te meldden dat Gilian helaas bezet was maar dat er over drie dagen een tuinfestijn zou plaatsvinden. Tijdens dit tuinfeest zou Gilian, Lucien te woord kunnen staan.

Zo gezegd zo gedaan, en inderdaad op de dag van tuinfeest, meldden zich drie personen van het gezelschap van de “De Onzichtbare Penseelstreek” bij de ingang van het huis van Gilian Trouvite. De tuin was feestelijk versierd en stelletjes waren gezellig aan het picknicken op de grasvelden die het huis van Gilian omringden. Snitch merkte onmiddellijk op dat er nu meer bewaking was. Naast zijn gebruikelijk wacht, had Gilian ook een groep Magiërs ingehuurd, als extra beveiliging…
Het hoofd van de bediening, die Lucien eerder had gesproken, kwam het gezelschap “De Onzichtbare Penseelstreek” tegemoet en vertelde dat Gilian het gezelschap nu kon ontvangen en hij leidde hen naar de ontvangsthal. Daar waren een aantal grote tafels neergezet, waar allerlei lekkernijen op waren uitgestald. Hier werd de groep opgewacht door een dame, die hun uitnodigde om wat te eten te drinken. De heer des huizes zou spoedig het gezelschap ontvangen.

Niet veel later verscheen een jonge bleke man bovenaan de trap die omlaag liep naar de ontvangsthal. Het viel Snitch op dat Gilian een glazige blik in zijn ogen had. Was hij misschien aan de drugs? Hij meldde dit aan Lucien en deze vloekte inwendig dat hij dit niet eerder had gezien. Hij kon echter niet achterhalen of Gilian onder de invloed was van een spreuk.

Gilian heette het gezelschap welkom en vroeg of Lucien zijn twee metgezellen kon voorstellen. Nadat dit was gebeurd leidde Gilian het gezelschap, door een gang naar een kamer waar aan de muren diverse schilderijen hingen. De drie leden van het gezelschap van “De Onzichtbare Penseelstreek” waren zeer onder de indruk van deze schilderijen en konden niet begrijpen dat de ateliers niet zulke schilderijen zouden willen verkopen. Waren dit wel de schilderijen van Gilian Trouvite?

Snitch stapte naar voren om van een schilderij de handtekening van de kunstenaar te bekijken. Gilian, die net op dat moment in gesprek was met Lucien, zag dit vanuit zijn ooghoeken gebeuren. Sneller dan je zou verwachten, leidde hij de aandacht van Snitch van het schilderij, nog voordat Snitch de handtekening van de kunstenaar had kunnen afleiden. Ook toen de anderen dit probeerden, haalde Gilian dezelfde actie uit. Het gezelschap van de “De Onzichtbare Penseelstreek” wisten toen vrijwel zeker dat dit niet de schilderijen van Gilian konden zijn geweest. Ook de diverse beelden, die op sokkels waren uitgestald, konden niet van zijn hand zijn.

Al gauw gaf Gilian het signaal dat het bezoek was afgelopen en vriendelijk doch dringend, werd het gezelschap naar de uitgang begeleid. Eenmaal buiten samen met de overige leden van het gezelschap, werd beraadslaagd wat nu verder te doen. Dat er iets niet klopte was duidelijk en er zat niet anders op dan het huis heimelijk te moeten gaan bezoeken indien men wilde uitzoeken of Patty door Gilian zou zijn vermoord. The Pilgrim was het hier niet zomaar mee eens. Men kon toch niet zomaar zonder redenen bij een huis gaan inbreken? Daarvoor moest toch minstens een goed bewijs voor nodig zijn!

Snitch probeerde The Pigrim te overtuigen dat er toch iets niet in orde was met Gilian. Zijn glazige blik en de schilderijen die niet van zijn hand konden zijn geweest. Snitch voelde het gewoon dat er iets niet klopte en dat ze naar binnen moesten gaan voor verder onderzoek. Mocht Snitch het bij het verkeerde eind hebben, dan zou hij voor de gevolgen opdraaien. Met enige tegenzin, stemde The Pigrim toen toe.

De tijd verstreek en op een gegeven moment begonnen de bezoekers de tuin te verlaten en begon men met het opruimen. De groep wachtte totdat iedereen weg was en slopen toen naar de achterdeur, die Snitch al eerder had ‘gespot’. Snitch gaf het teken waarop men naar binnen kon gaan en even later liep de groep stilletjes in het huis van Gilian Trouvite. Inmiddels was de avond reeds gevallen.

In een kamertje vond de groep kleding die door de bediening werd gedragen en besloot men deze kleding aan te trekken om in ieder geval minder op te vallen. Helaas paste Snitch geen van deze kleding. Aldus liep de groep even later weer verder het complex in. Na een aantal gangen en kamers, waar de bediening bleek te slapen, te hebben doorkruist, kwam men vanaf een gang rechts uit op de ontvangsthal van het huis van Gilian, waar de groep van de “De Onzichtbare Penseelstreek” eerder deze dag was ontvangen.

Bovenaan de trap zag Darryl een vrouw staan die gekneveld was en een ontbloot bovenlijf had.  Zodra zij de groep zag, rende zij naar rechts, een van de kamers in en sloot de deur. De groep snelde haar achterna, maar konden niet de deur opendoen aangezien deze op slot was. Snitch wist met enige moeite (het slot was behoorlijk ingewikkeld) de deur open te krijgen. Eenmaal binnen zagen Snitch en The Pilgrim de vrouw naast een hemelbed staan. In deze kamer hingen twee afzichtelijke schilderijen, die het aanzicht niet waard waren. Dit moest de ware ‘kunst’ zijn van Gilian.

Het kostte enige moeite de vrouw, die werkelijk doodsbang was, te bedwingen. Met een goedgeplaatste stoot van The Pilgrim, zakte de vrouw bewusteloos op de grond. Tijdens de worsteling was het Snitch al opgevallen dat de vrouw littekens had. Eenmaal bewusteloos kon Snitch deze littekens beter bekijken. Snitch schrok bijna toen hij zag dat de vrouw vlak onder haar haar een litteken had die haar gehele hoofd omcirkelde. Verder had zij ook littekenen bij haar armen en benen. Het leek wel alsof zij in elkaar was gezet uit lichaamsdelen van verschillende personen! En toch voelde zij warm aan en leek zij niet een zombie te zijn, een koude en zielloze ondode…

The Pilgrim opende een tweede deur in deze kamer die leidde naar de kamer ernaast. Deze was leeg en ook hier wat het smetteloos schoon. Er was hier een kledingkast waar één kledingstuk hing; een zwart gewaad. De vrouw droeg nu een wit gewaad. Er stond verder nog een bureau, waar verder niets bijzonders in lag.

De groep ging weer verder en sloot de vrouw op in haar eigen kamer. De groep wilde weer omlaag gaan naar de ontvangsthal, maar op weg daar naartoe voelde Snitch opeens een luchtstroom in zijn nek, komend vanachter het wandkleed dat daar hing aan de muur. Snitch keek achter het wandkleed en zag daar inderdaad de contouren van een deur, maar hoe kreeg hij die open? Even links vond hij een steen die hij kon draaien. Toen hij die naar rechts draaide opende de deur onder een luid schuivend geluid…

Achter de deur leidde een stenen trap naar beneden de duisternis in, naar de kerkers van Gilian’s Mansion… Welke gruwelijkheden zou de groep hier ontdekken!

 

 

The Curious Case Of Patty Blue – PartII

Zich bewust van het feit dat de mannen van Abe  niemand gevonden hadden stond Daryll zeik nat op de donkere kade.
De avond wind leek wel een pool wind met de combinatie van het zoute zeewater dat van de ranger af droop.
“ik wil naar een warme kamer met een bad” riep Daryll naar de pelrgrim die op hem af kwam lopen.
De monnik lachte en zei dat hij het zelf ook wel genoeg geluk had gehad voor vanavond en ook Yamina vond het een plan om terug te gaan naar de warme herberg waar ongetwijfeld de rondborstige bediening met grote pullen ale de sfeer er goed in zouden weten te krijgen.

De volgende dag was de groep weer compleet en ook Sandor en Lucien waren weer van de partij.
Het plan was om toch Abe nog een keer op te zoeken maar dan overdag op zijn “werk” plek.
Het andere plan was om een kijkje te nemen in het luxe badhuis Calendula dat in NorthWard lag.
Er werd besloten in 2 groepen te gaan en de verdeling was als volgt:
Lucien, Pelgrim en Snitch bezochten het badhuis dat bij Lucien een bekende plek bleek te zijn.
Yamina, Daryll en Sandor bezochten de haven om te kijken of ze Abe eventueel toch nog konden spreken over de moord op Betty.

De haven.
onderweg naar de haven is de Yamina vast besloten om niet zo lopen te klooien als gisteren.
“overdag kan ik ook ze neus opzij timmeren om wat te weten te komen” mompelt de vechtster van Astoth  met de nodige hand gebaren erbij.
Daryll hoort en kijkt het tafereel wat gelaten aan en vertrouwt er een beetje op dat de priester van Lathander wel met praten een heel eind weet te komen.
Aangekomen in de haven is het een drukte van belang, een wirwar van handelaren, scheepslui en arbeiders rent heen en weer.
Na wat navragen van Sandor weten we de plek te vinden waar Abe moet werken.
We zien hem op een gegeven moment uit een gebouwtje lopen en kijken vanaf een afstand wat hij doet.
Abe heeft duidelijk een leidinggevende functie en commandeert en ruziet wat met een man die op vernuftig gemaakte hijs machine zit.
Daryll en de Yamina hebben ook wat handlangers in de gaten die herkend worden van de avond ervoor en lichten ook Sandor in over de situatie.
Daryll en Sandor volgen Abe vervolgens als deze terug loopt naar het gebouwtje waar hij net uit kwam en de Yamina houd de boel buiten op de kade in de gaten.

“Abe mogen we je wat vragen” roept Sandor als Abe voor een deur staat op het punt om een loods in te lopen.
Abe draait zich om en loopt op de twee mannen af en reikt ze vriendelijk een hand toe “natuurlijk waar gaat het over?” antwoord de ogenschijnlijke vriendelijke Abe.
“het gaat over de moord op Blue Betty” antwoord Sandor.
Het gezicht van Abe veranderd en de vriendelijkheid verdwijnt als sneeuw voor de zon.
“ik weet daar niets van, ik kwam er wel eens maar ze wilde me niet als klant!”
Zegt Abe wat venijnig.
“dat ze jou niet als klant wilde vinden we juist interessant, iemand met jouw reputatie van losse handjes en agressief gedrag is dan al gauw verdacht”
Zegt Daryll terecht.
Abe is hier duidelijk gevoelig voor en balt zijn vuisten al als hij Daryll al tierend en schreeuwend laat weten niets met de zaak te maken te hebben en dat de ranger maar op zijn tellen moet passen met dat speurneuzen gedoe!
Als Sandor het holy symbol van Lathander laat spreken in zijn stem dan word Abe opeens bijzonder rustig en beantwoord rustig nog een paar vragen van de priester.
Abe blijkt zijn best te doen om te helpen en het lijkt erop dat hij de waarheis spreekt en niet veel met de zaak te maken heeft?
Hij zegt afscheid te hebben genomen van Betty en dat zelfs te hebben gevierd met een avondje buitensporig gedrag in “the thirsty merchant”.
Dit is een alibi wat we later kunnen checken en we bedanken Abe voor zijn medewerking.
Als we bij Yamina aankomen op de kade blijven we nog even wachten totdat de rustgevende werking van Lathander is uitgewerkt en Abe kwaad de kade op komt lopen.
We zien hem nijdig wat mannen toespreken en met ze armen zwaaien als hij vervolgens terug de loods in loopt.
Tevreden met de informatie die we hebben lopen we de haven uit.

Het badhuis.
In NorthWard aangekomen merk je meteen dat je in een compleet ander stadsdeel loopt, de stadswacht is veel prominenter aanwezig en de magische verlichting die er brand in de avond geeft alles een veel vriendelijker uitstraling als het donkere DockWard.
Dat de straten veel ruimer zijn opgezet en je daar door veel minder kleine onoverzichtelijke steegjes hebt helpt ook in het hebben van een veilig en rustiger gevoel als in de achter gelegen stadsdelen.
Voordat de Pelgrim, Snitch en Lucien aankomen bij het vooraanstaande badhuis Calendula merken ze meteen dat de city guard behoorlijk scherp is hier.
Snitch die nogal opvalt hier door zijn formaat word ook door de stadswacht in het vizier gehouden en zodra ze iets zien wat op een wapen lijkt staan er gelijk drie man om de halfling heen.
“is dat een kruisboog beste man?” vraagt de stadswacht beleefd.
“eh…eh…ja” zegt Snitch met een kunstmatige glimlach.
“en deze is gebruiksklaar met pees en al?” vervolgt de wacht.
Snitch begint weer wat te stotteren en te slissen en voordat hij antwoord kan geven ziet de wacht ook nog een riem met werpmessen glinsteren in de laag staande zon.
“zo mijnheertje ? u bent nogal wat van plan?.
Dat word een berisping voor de boog en een boete direct te betalen voor de werp dolken die tevens ingeleverd moeten worden!”
Snitch zijn glimlach word steeds kunstmatiger en Lucien gebaart hem maar te doen wat de wacht zegt voordat het helemaal uit de hand loopt.
De Pelgrim weet samen met Snitch een aantal gp’s bij elkaar te zoeken en betaalt de boete zodat we onze weg kunnen vervolgen.

Calendula is een prachtig wit en statig gebouw met een hoop versieringen van alles wat in het water leeft van garnaal tot zeemeermin.
Het eerste wat opvalt als het drietal de straat in loopt is wel dat er een hoop commotie voor de deur van het badhuis is.
Het is opvallend dat vier stadswachten voor de deur tien tallen mensen weten tegen te houden.
In DockWard zou door een linie van vier stadswachten zeker worden heen gebroken wat weer een voorbeeld is van de bescheiden houding van de mensen hier.

De Pelgrim en Lucien begeven zich onder de mensen voor de deur en beginnen ook wat commotie te maken en wat harder te schreeuwen en te trekken als de rest.
Het plan van het drietal werkt als de stadswacht hierdoor word afgeleid en even niet opletten als Snitch dan op zijn beurt langs de wachters schiet en het badhuis in loopt.
Binnengekomen merkt Snitch meteen door zijn ervaring dat er wat loos is in Calendula.
Hij realiseert zich ook dat hij als ingeslopen Halfling nu ook beter niet gepakt kan worden en ietwat nerveus loopt hij van de ene de andere schaduw in.
Hij hoort wat stemmen en probeert het geluid te traceren en sluipt die kant op.

Hij hoort stemmen uit een grote badruimte en ziet twee cityguards staan.
Ze belemmeren hem het zicht op iets en hij hoort ze praten over een vrouw in het badhuis en luitenant Candora die iemand aan het ondervragen is over iets wat deze nacht gebeurd moet zijn.
Als de wachters wat beginnen te bewegen en ze wat heen en weer lopen ziet Snitch tot zijn schrik een ogenschijnlijk dode vrouw op de koude tegels van de vloer liggen.
Ze komt overeen met Patty wat Snitch hoofdzakelijk kan opmaken uit de maat van haar boezem.
Ze heeft kleding aan (weinig kleding maar toch) die Snitch niet herkent als kenner en die ook niet echt bij Patty past.
Hij ziet ook tattoo’s waar hij eigenlijk nog nooit iets over heeft gehoord?
De Halfling sluipt door de schaduw dichterbij en een van de wachters kijkt even om, wat moeilijk kijkend vervolgd hij zijn gesprek met de tweede wachter.
Snitch adem stokte in de keel maar hij loopt verder.
Als hij dichterbij komt ziet hij Patty leggen, nu weet hij het zeker.
Ze heeft een rode kleur zeer verfijnde en kleine bustehouder en broekje aan, iets wat zeker niet bij haar paste.
De tattoos lijken nu wel een soort schilderingen van vogels en vreemde reptielen.
De twee wachters hebben het erover dat Candora huismeester Hatran aan het verhoren is over de gebeurtenissen van vannacht.
De Halfling sluipt door de schaduwen in het gebouw terug naar de ingang en de Pelgrim begint weer wat karate bewegingen te maken om de wachters te imponeren, de halfling kan zo zonder veel moeite weer buiten komen.

Conclusie.
Als de zes leden van de pasgeboren avonturiers groep weer bij elkaar zitten in de gezellige Herberg in DockWard dan komen ze tot de volgende feiten en vragen.

  • Heeft Abe die lang verdacht was wat met de zaak Patty te maken?

Zijn alibi schijnt te kloppen als Daryll en Yaminha deze controleren.

  • Patty is waarschijnlijk gewurgd omdat Snitch een stuk rode stof strak om haar nek zag zitten en voor de rest weinig tot geen bloed zag?
  • Wie heeft er in de avond toegang tot het badhuis?
  • In welk bordeel is rood een kleur die veel gedragen word?
  • Als de Pelgrim Madam Tittania heeft ingelicht dan vraagt deze om een vergelding en genoegdoening van de monnik, weet zij echt niets meer over de toedracht of het motief van de moord.

De groep zit toch best nog wel met een paar dingen en er word afgesproken een gesprekje te hebben met de huismeester Hafran.
Snitch stelt voor dat hij bij de thiefguild van Papa Boso GriGri wat gaat vragen of hij wat van de moord weet volgens de halfling is hij de aangewezen persoon die overal en vooral van NorthWard van alles weet uit de onderwereld.

Papa Boso GriGri.
Snitch heeft een prachtig verhaal vertelt aan zijn vrienden in herberg alleen als hij onderweg is dan word hij wat nerveus.
Papa Boso is namelijk een legende onder de dieven en ob=nderwereld figuren in Waterdeep, hij is naar verluid een sterke sorcerer en gat het niet uit de weg mede door sterke stemming wisselingen om mensen uit de weg te ruimen.
Door een vriend in de thiefguild heeft hij een afspraak met GriGri en hoe dichter hij de deur nadert die hij moet betreden hoe meer spijt hij krijgt van zijn grote mond.
Met een paar kloppen op de deur kijkt er iemand door een luikje en nadat hij Snitch even over het hoofd zag laat hij hem toch binnen.
Zonder te spreken loopt een wat dikke man voor Snitch uit en bij iedere stap komt er een zweterige lucht bij Snitch naar binnen.
Bij een dik rood gordijn aangekomen gebaart de man de halfling hier naar binnen te gaan en loopt terug.
Nog even slikkend en aarzelend doet Snitch het gordijn opzij en zet weer een kunstmatige glimlach op.
In een slecht verlichte hoek zit Papa Boso en hij wacht tot Snitch nadert.
“vanwaar je bezoek Snitch, het is toch wel belangrijk want mijn tijd is zeer kostbaar.”
Snitch zat op zo een begin niet te wachten en begint over de moord op Patty hij slist als nooit tevoren en hij begint er ook nog bij te stotteren.
Hij begint over een gerucht van guild wars tussen DockWard en NorthWarth, gooit tussendoor nog even de zaak Patty er door heen, hij meld ook nog even dat hij van de Red Banner guild komt en dan is de chaos wel compleet.
“Silence..!!” roept GriGri tegen Snitch en deze houd direct zijn mond.
Het is doodstil in de kamer en Papa Boso die boezemt echt ontzag en angst in bij iedereen die voor hem staat.
“allereerst hobbit is het zo dat er geen guildwar in NorthWard kan plaatsvinden omdat mijn guild de enige is die actief is daar.
Als je bewijs van een guild hebt die daar opereren zonder mijn toestemming hoor ik dat graag.
Ten tweede word ik zeer afgeleid door dat geslis en gestotter en ik hou niet van gesprekken die te lang duren en nergens over gaan.”
Als Snitch het relaas van de leider van de onderwereld aan hoort schiet hem nog een vraag te binnen?!
“heeft u enig idee wie de moordenaar zou kunnen zijn?” Snitch slikt wat als hij zijn vraag gesteld heeft.
“wie heeft gedaan, wie heeft gedaan??!! WIE HEEFT GEDAAN??!!” Papa begint wat licht te geven en is duidelijk uit zijn hum door de wat stompzinnige vragen van de kleine hobbit en hij begint het idee te krijgen zijn tijd te verdoen.
“ik weet dat toch niet jij kleine hobbit?! Praat met Hafran de huismeester?? Had je dat zelf niet kunnen bedenken?? Uit me ogen kleine kleine kleine…..weg!”
Snitch zet zijn kunstmatige glimlach weer op en is blij dat hij levend het pand verlaat.

Een paar uur later als Snitch zijn verhaal heeft gedaan en de groep compleet is vertrekken ze naar Hafran om het onderzoek voort te zetten.
In NorthWard doen de vechters peace bonds om en zorgen de mannen dat ze niet weer een beote riskeren en lopen richting Calendula.
De deur is dicht en deze keer geen wachters en mensen voor de deur.
Het badhuis is wel gesloten zo valt te lezen op een pamflet wat op de deur is getimmerd.
De deur is echter niet op slot en wat brutaal loopt de groep naar binnen.
Als je linksaf gaat bij de ingang kom je bij een kantoor zo weet Lucien te vertellen als regelmatige bezoeker hier.
Een wat magere man is in het kantoortje met wat paperassen in de weer en kijkt op als Lucien naar binnen loopt.
Hij herkent de sorcerer niet meteen maar ziet wel wat bekends en reikt hem de hand.
“wij onderzoeken in opdracht de moord op Patty en zouden het fijn vinden als we u wat vragen konden stellen.” Vervolgt de sorcerer.
“ik heb alles al verteld aan de stadswacht.” Hafran is wat achterdochtig.
“dat weet ik maar wij onderzoeken buiten de stadswacht om in opdracht van werkgevers en klanten van Patty die een eerlijk onderzoek door de stadswacht niet echt zien zitten en bang zijn dat de zaak in de doofpot beland.”
Hafran denkt even na en legt zijn papieren neer.
“wat wilt u weten?”
We vragen de huismeester van alles en het volgende komt eruit.

  • Patty is waarschijnlijk toch ergens anders gewurgd en hier neer gelegd.
  • Patty had teveel aandacht voor mannen in het badhuis en was daar voor gewaarschuwd.
  • De achter deur was op slot maar als Snitch de deur bekijkt is het een kleine moeite voor een dief om deze open te krijgen.
  • Hafran herkent Abe niet van de compositie tekening.
  • Sporen in het badhuis zijn vertrapt of weg gehaald zodat Daryll niets bruikbaars kan vinden.
  • Er komt een goed gebouwde zuiderling die een nogal uitgebreid ritueel bad neemt en aandacht van Patty had.
  • De zoon van een grote overleden koopman genaamd Gilian Trouvite is ook veel met Patty gezien de laatste tijd en deze heeft ook de hobby te schilderen?

 

De groep heeft dus weer wat informatie om verder te borduren in deze vreemde zaak.
Meerdere mogelijkheden te onderzoeken en de meest voor de hand liggende vraag is natuurlijk nog steeds, waarom is Patty in het badhuis neergelegd als ze ergens anders om het leven is gebracht?

 

 

 

 

 

 

Are We Sewer Rats?

Are We Sewer Rats?Een nieuwe dag brak aan en de groep begaf zich opnieuw naar de riolen om te onderzoeken of de stirges echt waren uitgeroeid. Onderweg vertelde Snitch dat er goed geld verdient kon worden met het uitvoeren van opdrachten in de riolen van Waterdeep. Groepen die zich hierin specialiseerden werden sewer rats genoemd. Snitch kon z’n groepsgenoten wel in contact brengen met zo’n groep, tenminste als men hierin geïnteresseerd was. De stilte die daarop volgde, gaf duidelijk aan dat het animo hiervoor ver te zoeken was…

The Pilgrim maakte van deze stilte goed gebruik om zijn zorgen te uiten over het grote aantal drugverslaafden die letterlijk op straat aan het creperen waren en het leek wel alsof het niemand wat interesseerde. Er was zeker een verband met de slechte kwaliteit van de verdovende middelen die het leven van deze mensen kapot maakte. Ook Snitch moest toegeven dat dit ook bij hem was opgevallen…

De groep had de ingang van het riool bereikt. Behalve Snitch had eigenlijk niemand anders zin om deze stinkende plek opnieuw te gaan bezoeken. Maar Snitch had de groep ervan overtuigd dat hij er zeker van wilde zijn dat deze stirges niemand meer zouden lastig vallen (en dat de beloning die hiervoor uitstond, zeker kon worden gesteld).  De rest van de groep had uiteindelijk hiermee ingestemd maar wel met de afspraak dat ze niet meer dan drie uur in dit stinkende hol wilden rondkruipen (anders zouden ze Snitch gewoon achterlaten).

Are We Sewer Rats?De groep liep zwijgend door de gangen van het riool tot bij de plek waar de zombies voor het laatst waren gezien. Sandor had al voor de zekerheid een Detect Undead uitgesproken. Eenmaal op de plek aangekomen, zag men direct de slachting die hier had plaatsgevonden. Een groep zombies was hier letterlijk finaal in elkaar gehakt. Darryl wist af te leiden dat dit zeer snel was gebeurd. Snitch checkte snel of de zombies iets van waarde bij zich hadden, maar vond niets interessants. Wat hem wel op viel was een teken dat was ingebracht op de ruggen van de zombies. Het was hetzelfde teken dat de groep eerder had gezien…

De groep besloot verder te lopen. Op een gegeven moment viel Snitch een onevenheid op, op de grond voor hem. Hij gebaarde de groep achter hem te stoppen zodat hij dit verder kon onderzoeken. In een mum van tijd had hij door dat het hier om een val ging. En een simpele ook nog. Blijkbaar was Snitch nog onder de indruk van de geweldige wip, die hij de vorige nacht had gehad, want deze val had Snitch in normale omstandigheden zo ontmanteld. Hij reageerde dit keer niet snel genoeg en voelde hij dat er opeens een lus van een touw om zijn pols zat en hij door iets zwaars het riool werd ingetrokken. Met behulp van zijn ploeggenoten werd hij er weer uitgetrokken, maar wat zag hij eruit en de stank!
Bij het vervolgen van de tocht door het riool, hielden de ploeggenoten een grotere gepaste afstand dan normaal van Snitch… De uren vlogen voorbij en er gebeurde niets bijzonders. Op een gegeven moment hoorde Snitch ergens in de verte voetstappen, maar de exacte locatie kon Snitch niet achterhalen. Dit moesten vast andere “sewer rats” zijn geweest…

Het laatste wat de groep vond voordat de tocht naar buiten werd ingezet, was een flesje dat Sandor voorbij zag drijven in het smerige rioolwater. Het duurde niet lang of Sandor had het flesje in zijn hand,  had de dop ervan af had gehaald en rook hij aan de paarsachtige doorzichtige inhoud ervan. Hij herkende de reuk van kruidnagel, maar kon er verder niets uit opmaken. Ook Lucien herkende de vloeistof niet.

Are We Sewer Rats?The Pilgrim herkende deze geur wel en kon vertellen dat in dit flesje een opiaat zat. Deze drug, ook wel Truth Seer genoemd, werd gemengd met water en via het gebruik van een waterpijp kon de gebruiker zijn of haar toekomst zien, gezien door een roze bril (i.e. deze toekomst werd rooskleuriger voorgespiegeld dan deze daadwerkelijk zou zijn).

Verder wist The Pilgrim te vertellen dat deze drug mild verslavend was. Er zaten ongeveer twaalf doses in het flesje. De straatwaarde  was ongeveer 130 gp. Het verkopen van deze opiaat via een heler zou een derde van deze prijs opleveren. Zou Snitch het flesje verkopen aan een assassins guild, dan zou dit 100 gp opbrengen. Direct doorverkopen aan een bordeel zou 80 gp opleveren. 

De groep had genoeg van de stank van het riool en besloot terug te gaan naar de uitgang (opnieuw lieten ze Snitch ver vooruit lopen). Bij de eerste de beste gelegenheid zou Snitch een bad opzoeken en zich door een lekker wijf helemaal laten schoon boenen! 

 

Big Trouble In The Titan Rack
In de dagen die volgden nadat de groep het riool had verlaten, en Snitch weer in de nabijheid van zijn ploeggenoten een avondmaal kon nuttigen, waren Sandor en Lucius druk bezig geweest om het teken van de zombies verder te onderzoeken. Via verschillende informatie bronnen vonden Sandor en Lucius nagenoeg dezelfde informatie over dit teken.

Het teken bleek van een tamelijk nieuwe necromancer te zijn; “the new guy in town“ zogezegd. Om wie het precies ging, bleek niet direct duidelijk af te lezen vanuit dit teken, maar het teken straalde duidelijk ambitie en “het doel heiligt alle middelen” uit.  Verder bleken de zombies inderdaad de dienaren te zijn geweest van deze necromancer en deze waren waarschijnlijk tijdelijk geplaatst op die plek in het riool. Meer informatie kon op dit moment niet worden achterhaald. Maar een ieder had het gevoel dat meer over deze sinistere figuur spoedig duidelijk zou worden..

Are We Sewer Rats?Het was op een avond dat de groep zich te goed deed aan een heerlijke maaltijd in één van de herbergen, toen The Pilgrim benaderd werd door een prachtige dame. Snitch was direct zijn eten vergeten en bleef deze schoonheid ademloos aankijken. De dame, Nel Swann genaamd, vertelde The Pilgrim dat een collega van haar, genaamd Blue Patty, net als zij werkzaam in de bordeel “The Titan Rack”, al een week niet op haar werk was verschenen. Ook haar huis bleek leeg te zijn en al dagen niet te zijn bewoond. Blue Patty had geen vijanden maar ze had wel drie goede klanten, te weten Well Hung Henry, Ding Dong Piet en Tiny Tim with the Coconut. Toen gevraagd werd waarom haar collega Blue Betty heette, wist Nel te vertellen dat dit was omdat ze vaak een verdrietige blik in haar ogen had. Het was duidelijk dat ze geen prettige verleden had gehad.

Er was één klant die Blue Patty dingen wilde laten doen tegen haar zin. Deze klant heette Abe en deze bruut hield wel van ruwe sex. Deze naam deed een belletje rinkelen bij Snitch. Hij kende deze thug en hij wist te vertellen dat Abe een beetje rommelde aan de “onderkant” van Dockward, een bijnaam voor de havenkant Dockward. Hij was de leider van zijn eigen posse. De enige reden dat Abe werd gedoogd door de thievesguilds was omdat hij te stom was om een daadwerkelijk gevaar te worden. Abe was zelf kort lid geweest van een thievesguild, maar vanwege een flink aantal stommiteiten was hij er net zo snel weer uitgeknikkerd. 
 
Nel kon de groep geen geld als beloning aanbieden (iets dat The Pilgrim toch niet zou accepteren). Nel was zelfs op eigen houtje naar The Pilgrim gegaan en haar bazin wist hier niets vanaf. Maar ze kon Snitch beloven dat er één jaar gratis seks voor hem in zat als ze Blue Patty weer zouden kunnen terugvinden. Snitch was meteen akkoord! Lucius had echter een andere mening. Hij wilde wel degelijk betaald worden voor deze opdracht!

Er ontstond een flinke discussie tussen Lucien en The Pilgrim. Lucien was duidelijk niet van plan om maar iets te ondernemen, zonder tenminste ook maar iets van dit Bordeel af te weten (en om zo te weten of er op een andere manier misschien een voordeel te behalen viel). The Pilgrim en Snitch namen Lucien even apart en lichtten Lucien verder in over dit Bordeel. Zo wisten ze te vertellen dat het ging om een net en ordelijk bordeel. De clientèle waren de mid-klasse en de lower klasse. De dames die daar werkten wisten meer van hun klanten af, dan ze lieten weten. Ook de High Society kwam wel eens langs op dit bordeel, hetgeen betekende dat ook hier interessante informatie over bekend zou zijn. Als het lukte om hier een favor los te krijgen, zou dat wel eens erg interessant kunnen zijn, ook voor Lucien!

Lucien was even stil en moest duidelijk de situatie overdenken. The Pilgrim stelde daarom voor om met een kleinere groep het huis van Blue Betty te onderzoeken en eens een bezoekje te brengen aan deze Abe. Deze kleinere groep zou bestaan uit Yamina, The Pilgrim, Darryl en Snitch. Sandor en Lucien zouden in de tussentijd iets anders kunnen gaan doen. In ieder geval had Lucien even de tijd om te besluiten of hij wel of niet zou deelnemen aan dit nieuwe avontuur…

 

Rain And Blood 3

Als Snitch een beetje is bijgekomen van de euforie die hij heeft met het pasje van “Betty’s boudoir” vervolgen we onze weg door het riool.
we hebben inmiddels een vast patroon aan wie er voorop lopen en wie de achterzijde in de gaten houden dus dat geeft steeds minder problemen, het lijkt dat de groep avonturiers wat meer aan elkaar gaat wennen en op elkaar ingespeeld raken.
Rain and Blood 3De groep loopt door de riool van Waterdeep en het moet gezegd worden ook in deze geweldige stad stinkt het behoorlijk.

“wacht!” de Pelgrim maant Daryl tot stoppen.
“wat is er” vraagt de ranger, die slecht ziet in het donkere riool.
“snitch is gestopt, hij kijkt naar de muur volgens mij ziet of zoekt hij iets?”
“ok, laten we wachten op een teken om door te lopen” Daryl ziet dat Sandor en Yaminah ook zijn aangesloten en zegt ze te wachten.

Een tocht door een stuk ingestorte gang heeft Snitch zijn aandacht getrokken en de dief tast de muren af.
Er is nog een stuk intact tussen het puin en dat is vreemd, na wat zoek werk naar mechanisme en deuren vind de dief inderdaad een geheime doorgang en wenkt de rest van de groep om te komen.
Als de groep dichter bij komt krijgt Snitch door zijn hyper gevoelige ogen last van het licht van de toortsen en vlucht het donker in.
De rest kijkt een gang in achter een geheime deur en zien aan het einde een relief op de muur van een hoofd dat half demon half zwijn lijkt te zijn?
Aan de linkerkant van de gang loopt een wat verweerde brede trap naar boven.
De Pelgrim loopt naar het symbool op de muur, terwijl Daryl kijkt of hij recente sporen op de stoffige trap kan vinden.
De Pelgrim weet bijna zeker dat hij de kop eerder heeft gezien en denkt dat het iets te maken heeft met de god Myrkul.

Daryl vind op de trap redelijk verse sporen van humans en van een reptielachtige die hij niet precies kan identificeren.
Als de ranger verder de trap op loopt dan ziet hij een dikke rookwolk hangen en die word veroorzaakt door een slangachtig wezen waar hij alleen de kop van ziet.
Op een plateau ziet hij de kop van een fel rode slang? Die grot en grote rookwolken uit zijn neus gaten produceert?
De ranger duikt weg en denkt dat het wezen hem heeft gezien al waren de ogen wel wat slecht te zien.
De Pelgrim en Sandor komen ook langzaam de trap op lopen en Daryl zegt ze voorzichtig over de rand te kijken.
Als de twee dat vervolgens doen dan klinkt een luide stem door het complex.
“who enters the lair of the mighty Draxion?!!”
Sandor en de Pelgrim kijken elkaar aan en de stem vervolgt.
“intruders! Surrender to the mighty Draxion!!”
Daryl kijkt inmiddels ook weer over de rand van de trap het plateau op en ziet kans naar de overkant te rennen als de slangenkop even de andere kant op draait.
“let the mighty Draxion appear so we can talk” roept Sandor de ruimte in.
Het blijft stil en de slangen kop blijft maar heen en weer bewegen en gromt af en toe wat.
Daryl die nu dichter bij staat tegen de muur onder de kop kan het geheel wat beter bekijken en ziet dat de slangen kop gewoon van hout is?!
Dan komt er een vuur cone uit de mond van de slang en de drie mannen moeten alle weg springen voor een vuur zee die op hen afkomt.

Inmiddels is Lucien de sorcerer ook boven aan de trap komen staan en staat midden in de vuur zee die op de trap afkomt en springt te laat weg.
Sandor en de Pelgrim worden amper door het vuur geraakt en kijken naar de sorcerer, die blijkbaar toch door een soort breath weapon is geraakt?
Is de kop dan wel van hout zoals Daryl beweerde?
Lucien veegt zijn kleding af en met zijn vinger toppen haalt hij wat olie achtige vloeistof van zijn cape af, “alchemist fire” fluistert de sorcerer en zo is het raadsel van de breath weapon ook opgelost.
De groep is er nu wel van overtuigd dat het hier een “fake” tempel betreft waar mensen bang worden gemaakt om waarschijnlijk offers te brengen aan een groep schurken die dit in elkaar hebben gezet.

Een kreet klinkt door het complex als de Pelgrim een aanloop neemt en boven op de houten kop springt en deze vervolgens aan stukken slaat.
Een kobold die achter de kop zit mist de Pelgrim met een pijl en vlucht een gangetje in.
Lucien (die de plank heeft opgehaald) komt samen met Snitch aanlopen en volgt de rest van de groep de gang in achter de houten kop.Rain and Blood 3

Onder aan een trap zit een soort kamer die verlicht is en we lopen naar beneden.
Sandor en Yaminah lopen naar binnen en zien wat kobolds en een human die direct met Alchemist fire begint te gooien.
Sandor rent naar binnen gevolgd door de Pelgrim die meteen op de human afrent en deze met een paar rake klappen weet te vloeren.
De monk vervolgd met een harde trap in het gelaat en de man voor hem stort in een voordat hij weet wat er gebeurd.
Daryl komt als een van de laatste de kamer in en ziet Yaminah met een kobold vechten en wil haar helpen.
De ranger is echter niet op zijn hoede en word door een rogue van schuin achter in zijn flank aan gevallen en valt hevig bloedend op de grond.
De hele ploeg is echter zo in het voordeel en oppermachtig dat ook deze man snel word overmeesterd en vastgebonden.

Als met een ondervraging duidelijk word dat het hier om twee mannen gaat die de kobolds in bedwang hielden door hun in het “houten” wezen te laten geloven en op die manier mensen beroofden en de buit verdeelden besluit de groep om ze aan te geven bij de stadswacht.
De  mannen en de nep tempel blijken echter niets met de Stitches te maken te hebben dus dat is dan weer jammer.

De avond valt en we besluiten dat het voor vandaag genoeg is en nemen een Taverne voor een avondmaal en een overnachting.
Na heerlijk te hebben gegeten en gedronken verdwijnen vijf van de groep naar de kamers in de Taverne, alleen Snitch neemt een ander “adresje”.
De vrouwelijke bediening heeft de thief nogal aangegrepen en de kaart van Betty’s brand in zijn zak.

 

 

 

Rain And Blood

“Er wordt gezegd dat de Stirges queen veelal niet aanwezig is in het nest.” Daryl de ranger zat op de rand van de eikenhouten tafel en rustte zijn gelaarsde voet op een kruk. “Als we dit nest willen uitroeien dan moeten we of de queen afmaken of er voor zorgen dat er voldoende stirges worden gekilled, zodat de overige het hazenpad kiezen.”
“Hetgeen we sowieso moeten hebben is een betere manier om die dingen te vangen.” merkte Yaminah op.
“En we hebben iets van een plank nodig om over die riolen te komen.” voegde de halfling Snitch toe. “Ik wil niet weer tussen andermans drollen terecht komen.”
Na enige uren overleg was het plan gesmeed. Snitch zou op advies van Lucien Rustic een plank laten maken die via een scharnier uitgeklapt kon worden, om zo de riolen over te steken. Terwijl The Pilgrim een visnet kocht waarmee de stirges gevangen moesten worden.
Om aan te tonen dat de stirges gedood waren zouden de steeknaalden worden meenemen als bewijs.

Van dik hout…
Snitch en Lucien waren net bij de Moses de Timmerman geweest waar het plan van de beruchte plank met scharnier was uitgelegd. In eerste instantie had Moses hen aangekeken alsof hij zich in de maling genomen voelde. Maar, toen het ontwerp eenmaal begon te zetten zag de timmerman er wel brood in en melde dat hij de plank binnen drie dagen zou kunnen leveren. Terwijl [name mage] nog in onderhandeling was met Moses over de prijs glipte Snitch er tussenuit om iets van persoonlijkere aard aan te schaffen. Vanuit de werkplaats van Moses had hij Mustaffa, bijgenaamd “de Doper” gespot en het schoot Snitch te binnen dat hij nog iets wilde regelen voordat er opnieuw naar het riool ingetrokken zou worden.
“Mustaffa!” fluisterde Snitch zo hard mogelijk zonder dat het teveel zou opvallen. “Mustaffa! Ik heb ’n vraag.”   ‘De Doper’ draaide zich om en trok de dief een steeg in. “Wut had ‘k latst gezugd?!” Mustaffa was duidelijk niet van hier, maar vond zijn oorsprong waarschijnlijk in Amn. “Niet in ’t upenbur.” Mustaffa hield Snitch op snorhoogte van de grond. En een snor had Mustaffa; als was het een luie naaktslak, zo hing aan weerszijde van ‘de Dopers’ neus een lange zwarte snor. De snor reikte tot ver voorbij het kuiltje in zijn kin, waar en passant een stel harde zwartgrijze haren uit prijkte. “Wut mut juh?”
Snitch legde uit dat hij iets wilde om beter in het donker te kunnen zien. Een ander had de dief op pad gestuurd met een kandelaar met kaars, maar Mustaffa nam zichzelf erg serieus en had geen tijd voor kapriolen.
Mustaffa keek Snitch aan; “Ga juh weer de viespeuk uthungen?”, maar Snitch hield wijselijk zijn mond. “Gaat muh ook niet an.” De Doper plaatste duidelijk geld voor moraal en vertelde dat hij wel iets had. De afspraak was dat Snitch die avond de Doper zou ontmoeten in South Ward. Mustaffa zou tegen een schappelijke prijs aan Snitch’s wens voldoen. In zijn hand hield de dealer een zakje met donker poeder. “Brengt licht in duisternis.” sprak Mustaffa rustig. Het was spul waarmee je zogezegd in het donker kon zien alsof het daglicht was. Het poeder diende via de neus ingenomen te worden. “Maar let op.” waarschuwde Mustaffa, “hoe vaker jij neemt, hoe vaker jij terugkomt bij Mustaffa!” De dealer schudde Snitch de hand waarmee de deal gesloten was. “Jij probeert, als niet goed, jij komt terug bij Mustaffa.” Snitch glimlachte en overhandigde zijn geldbuidel en stopte het zakje poeder in zijn tuniek. Daarna keek de Doper de dief indringend aan; “Jij probeert, is wel goed, jij komt ook terug bij Mustaffa.” Met een diepe lach draaide de dealer zich in de duisternis.

In de sewers
De geluiden en het daglicht van Waterdeep leken een eeuwigheid geleden elders hun toevlucht te hebben gezocht. De sewers van de City of Splendors had geen plaats voor frisse lucht, luidruchtige marktkooplui of verleidelijke prostituees. In plaats hiervan voerde de stank van het afval en de uitwerpselen van de westerse maatschappij de boventoon. Snitch was niet in zijn element en zag bovendien geen hand voor ogen. Schichtig  keek de halfling achterom terwijl hij snel een lijntje darkvision powder over zijn vinger uitstreek. Met een korte snuif inhaleerde Snitch het poeder en wachtte het beoogde effect af. Het was de allereerste keer dat de dief dit spul gebruikte en besefte eigenlijk nu pas dat hij geen idee had wat hij kon verwachten. Achter zich hoorde Snitch zijn ploeggenoten aankomen. Terwijl hij omkeek zag hij het flauwe licht van de bull’s eye van Sandor dichterbij komen. Ineens schoten de lichtstralen als daggers door zijn ogen. Het darkvision poeder vergrootte zijn pupillen om maar zoveel mogelijk licht in de duisternis te vangen. Het opkomende gedimde licht van de bull’s eye bleek teveel. Hij sloeg zijn handen voor zijn ogen die traanden alsof hij net vier kilo verse uien had geschild. Even op letten de volgende keer, dacht Snitch bij zichzelf, dat ik dit poeder wat verder van de groep gebruik. Nadat zijn ogen aan het darkvision effect waren gewend leidde Snitch zijn ploeg verder het rioolcomplex in.

Vanuit de duisternis klonken stemmen en hoewel Snitch normaliter feilloos ieder geluid wist te lokaliseren verwarde het gangensysteem zijn gehoor. Het hielp niet dat The Pilgrim zo nu en dan flink wat lawaai maakte door de robuuste plank die hij meedroeg langs de muren of de voetpaden te schrapen.
Na zeker een half uur lopen klonk ineens het welbekende gefladder van de stirges. Snitch draaide een hoek om en zag hoe een viertal mensen werden aangevallen. Heel verstandig wachtte de dief op zijn ploeggenoten, waarna zij gezamenlijk de mensen te hulp schoten.
Daryl viel het eigenlijk meteen op en riep luidkeels: “Let op! Het zijn zombies!” En, terwijl de ranger zijn waarschuwing riep vloog de stirge alweer weg.
Daryl draaide een van de lichamen die op de grond lagen om. Het wezen viel de ranger vrijwel direct aan, maar bleek geen partij. Met een snelle slag onthoofde hij de zombie. “Da’s ook een manier.”, merkte Sandor op terwijl hij net de overige zombies geturned had. De zombies sprongen een voor een het riool in en verdwenen snel uit zicht.
Het ontzielde en onthoofde lichaam van de zombie aan Daryl’s voeten werd door Yaminah en de ranger onderzocht. Het bleek om een zwerver te gaan.

“Zouden die stirges hier iets mee te maken hebben?” vroeg Lucien. Maar Sandor legde uit dat zombies altijd door een necromancer gemaakt worden. Bovendien had Daryl nog nooit gehoord van stirges die mensen in zombies konden veranderen.
The Pilgrim dacht even de zwerver te herkennen als een dakloze uit de ward Mistshore en zocht naar tekens die hem zekerheid zouden geven. In plaats hiervan vond hij een arcane teken op de rug van de man. Zowel The Pilgrim als Sandor en Lucien herkenden het teken niet, maar het duidde er wel op dat iemand de man opzettelijk had geturned tot zombie.
Nadat The Pilgrim een gebed had gedaan voor de overleden zwerver trok de groep verder het riool in.

Food for rats
Wederom nam Snitch het scouten voor zijn rekening en al snel leidde hij de groep naar een maalstroom waar aan de overkant van het riool klaarblijkelijk een lichaam lag. Met de encounter met de zombies nog vers in het geheugen ging de groep voorzichtig te werk en maakte zo min mogelijk lawaai. The Pilgrim legde de plank zodanig neer dat iedereen zonder problemen naar de overkant van het riool kon komen. “Deze is echt dood.” zei Yaminah zakelijk. Snitch pakte het short sword dat naast het lichaam lag en deed onbewust een appraisal, maar klaarblijkelijk vond hij het wapen niet interessant genoeg en legde het weer naast de dode. De dief draaide het lichaam om. “Ziet eruit als een avonturier, as je ’t mij vraagt.” De man, inderdaad gekleed in een avonturiers tuniek, bleek te zijn doodgestoken door een kort steekwapen. Terwijl Snitch zijn positie als scout weer innam waren Daryl en The Pilgrim ondertussen druk bezig met het onderzoeken van een reeks krassen op de vloer en de muur naast het lichaam. De monnik gebruikte zijn quarterstaff om op de plek waar de krassen het riool inliepen in het water pookte. “Ik voel hier iets hards. Lijkt alsof ik op ijzer zit of zo.”
Daryl had ondertussen meer krassen gevonden. “Volgens mij zijn het krassen van nagels of iets dergelijks.” De ranger sprak meer tot zichzelf dan tot The Pilgrim. “Als je het mij vraagt, dan… dan lijken dit nog het meest op krassen die veroorzaakt worden door de nagels van ondoden.”
Plotseling klonk de nasale stem van Snitch: “Ze komen eraan!” De halfling kwam in volle vaart terug gerend naar zijn ploeggenoten, met in zijn kielzog tientallen stirges.

Yaminah en Snitch stonden in de frontlinie van het gevecht en wisten al meerdere stirges te vellen voordat het leeuwendeel van de zwerm de groep had bereikt. “Zorg dat ze je niet raken!” schreeuwde Daryl. Tegelijkertijd begonnen Lucien en Sandor beide met het voorbereiden van een spreuk.
De cleric van Lathander hield zijn holy symbol hoog boven zijn hoofd terwijl er in een wijde omtrek rond hem, in dikke golven een drapperige dikke mist ontstond. Helaas stond Lucien midden in de obscuring mist en kon geen kant meer op.
Het gevecht was hevig maar kort en zowel Yaminah als Snitch werden meerdere malen hard geraakt door de stirges. Desalniettemin wisten de avonturiers het gevecht te overleven.

Na het gevecht met de stirges was iedereen het snel eens dat het niet verstandig was om veel langer op deze plek te blijven. The Pilgrim sprak een gebed voor de overleden avonturier, pakte het enige van waarde van het dode lichaam en gaf het aan Sandor. Daarna schopte hij het lichaam het riool in. “Laat de ratten maar ander voedsel zoeken.” De groep trok wederom verder het riool in.

Baton ‘Rouge’
Na ruim een half uur lopen eindigde het pad waar de avonturiers op liepen bij een ironoak deur. De dief Snitch toonde zijn waarde en opende zonder blikken of blozen het slot. Sandor keek enigszins streng, omdat dat zo moest. Maar, Snitch keek de cleric aan met en blik van… “Hey, ieder zijn vak… broeder.”
De kamer waarin het zestal vervolgens stapte bleek niets meer dan een toegangshal waar rioolwerkers normaliter hun werktuigen achterlieten als ze klaar waren met hun werk. Zo ook nu. Lucien pakte een dreghaak die in een hoek stond en zei dat deze wel eens van pas zou kunnen komen en dat hij nog eens terug wilde naar de plek waar de avonturier was gevonden. Snitch liet zijn oog vallen op iets heel anders, namelijk op een aantal batons die als vanzelf licht gaven. “Uitermate handig, zou ik zeggen.” sprak de dief triomfantelijk in zijn nasale stem. Terwijl Daryl een baton aanpakte las hij de belettering op het lichtvoorwerp “Property of the community of Waterdeep”. Lucien antwoorde simpel dat hij een inwoner was van Waterdeep en dat hij net zoveel aanspraak kon maken op de batons als ieder ander in Waterdeep. Daryl en Sandor keken elkaar aan en haalden hun schouders op. Het was geen van beiden duidelijk of de sorcerer een grap maakte of niet. En het maakt hen ook niet uit, de batons waren inderdaad een stuk handiger dan de zware bull’s eyes.

Eenmaal terug bij de plek waar de avonturier was gevonden begonnen Lucien en The Pilgrim te dreggen naar het stuk ijzer dat eerder met de quarterstaff was gevoeld. “Volgens mij heb ik het.” zei de Pilgrim, maar nog voordat ze konden zien wat voor voorwerp het was viel het gewicht alweer naar de bodem van het riool.
Een paar pogingen later was het dan toch gelukt en haalde The Pilgrim een oude helm boven het gore water. Lucienhad inmiddels letterlijk iets aan de ‘dreg’-haak geslagen. Het bleek om een backpack te gaan en ondanks de stank en de rot van het rioolwater wist Snitch een stuk touw, verband, een lamp, wat olie 3 vials met holy water en wat vermolmde scrolls uit de tas te vissen.

Terwijl zijn ploeggenoten zich over de backpack met inhoud bogen trokken de krassen op de vloer en de muren opnieuw de aandacht van Daryl. Hij wist het nu eigenlijk wel zeker. Dit waren de krassen van skeleton handen en voeten. Terwijl het de krassen een stuk volgde zag hij hoe de krassen het water inliepen om aan de andere kant van het riool weer tevoorschijn te komen. “Mensen, volgens mij heb ik hier iets gevonden.” informeerde hij zijn mede-avonturiers. De groep formeerde zich en volgde Daryl die het spoor van de skeletons onderzocht.

Na enkele minuten leidden de krassen de groep naar het bassin van het riool. Hier werd het water normaliter door rioolwerkers gedregd, waarna het rioolwater naar de zee toeliep. Her en der dreven voorwerpen; kratten; stukken stof; letterlijk het slijk der aarde. Snitch hengelde een krat naar zich toe en tilde het vervolgens op de rand. Voorzichtig brak hij het krat open om tot de zure ontdekking te komen dat het vol zat met verrot voedsel, aangevreten door vuistdikke maden! De maden waren niet gediend van de opdringerige dief en vielen de halfling spontaan aan. Met weerzin schopte Snitch de maden van zich af en trapte het krat weer terug het riool in.
“Sandor,” Lucien tikte de cleric van Lathander aan. “Volgens mij ligt daar een lichaam.” De sorcerer bleek gelijk te hebben. Samen met The Pilgrim werd het lichaam dichterbij gehaald en omgedraaid. Ook hier waren de maden heer en meester en hadden het lichaam inmiddels onherkenbaar aangevreten.
“Het is in ieder geval geen zwerver.” zei The Pilgrim terwijl hij met een doek voor zijn mond een zilveren plaatje uit het revers van de overleden man pulkte.
“Wat is dat?” vroeg Sandor, waarop The Pilgrim antwoorde dat Snitch hoogstwaarschijnlijk wel zou weten wat het was. Bij het zien van het zilveren kaartje werden de ogen van de halfling twee keer zo groot. Met zijn kleine handen graaide hij naar het voorwerp, The Pilgrim plaagde even maar stond het plaatje daarna af.
“Wel heb je ooit….” sprak de dief vol bewondering. “Nou wat is het dan?” vroeg Yaminah enigszins geïrriteerd.
Snitch kuchte kort om zijn keel te schrapen, trok zijn leather strak en ging rechtop staan. “Dit, dame en heren… Dit is het lidmaatschap voor Betty’s Boudoir.”  De halfling zei de naam alsof het hier ging om het meest exclusieve juweliersgilde in Waterdeep en omstreken. En op een bizarre manier had de halfling nog gelijk ook. Betty’s Boudoir was een bijzonder exclusieve club  waar dames van lichte zeden zouden voldoen aan eenieders wens.
Snitch draaide het plaatje een aantal keer om, alsof het er zeker van wilde zijn dat hetgeen hij in handen had wel echt was. Daarna likte hij zijn lippen en tuitte zijn mond. “Dit hier… hier ga ik dankbaar gebruik van maken.”, waarna de dief het plaatje zonder poespas in zijn binnenzak stak.

On a Dark and Rainy Evening . . .

On a Dark and Rainy Evening . . .Het was avond en de regen kwam met bakken omlaag in een van de meest ongure wijken van Waterdeep, Dock Ward. Zelfs de meest geharde Stadswachten meden dit gebied en het was dan ook niet vreemd dat de straten helemaal uitgestorven waren. Zelfs de ratten, die normaal op dit moment de straten bevolkten, hadden hun onderkomen elders gezocht waar het warm en droog was. Wat de zes figuren, allen gekleed in donkere mantels en de kappen ver over de hoofden getrokken dan toch had bezield om zich in dit weer buiten te begeven, zou nog allemaal duidelijk worden op een later tijdstip wanneer de tijd daarvoor rijp zou zijn…

Opeens werd het monotone geluid van de plenzende regen verstoord door een lispelende stem van het kleinste lid van het gezelschap van zes, genaamd Snitch, “De volgende straat linkss, daar iss de herberg “The Sslippery Sserpent. Ik ken die tent nog goed van vroeger. Als het goed is werkt daar Circe nog. Als je de tieten van die meid ziet, nou …!”. “Ja, ja, we weten het nu wel”, klonk de stem van een ander lid van dit gezelschap, die luisterde naar de naam Lucien. “Je staat al weer niet hoe lang droog? Twee dagen?”.  “Pffft”, was het verontwaardigende antwoord van de halfling Snitch. “Wacht maar als je haar zelf ziet!”.

De groep kwam inderdaad even later aan bij de herberg de Slippery Serpent en toen de deur openzwaaide kwam de warmte en de geur van drank en voedsel de groep tegemoet. De groep ontdeed zich snel van de doorweekte mantels en Snitch was al op zoek gegaan naar een vrije tafel en had er inderdaad niet veel later eentje gevonden. Snel klom hij op de tafel en zwaaide zijn metgezellen tegemoet. Ondertussen had Snitch al de gehele ruimte in zich opgenomen. Links van het haardvuur was een groepje mannen iets aan het bekokstoven. Aan de andere kant waren twee geliefden druk met elkaar bezig. Het waren twee vrouwen.  De bartender was een zelfverzekerde gnoom. Snitch had ook al meteen de smalle deur naar de keuken gezien. “Goed om te weten als we ons snel uit de voeten moeten maken”. Verder zat er aan de bar een figuur die Snitch direct herkende als een “directe collega”. “Die moeten we even in de gaten houden”, en hij wilde Lucien dit melden toen zijn ogen vielen op de twee ongelooflijk lekkere barmeiden die de bestellingen opnamen. Hetgeen hij wilde vertellen aan Lucien verdween onmiddellijk uit zijn gedachten en geobsedeerd bleef hij de barmeiden volgen en in het bijzondere de donkerharige, Circe… “Zeg schat, mogen wij even de bestelling bij je opnemen?”.

Even later zat de groep heerlijk te genieten van het dampende eten. De rogue Snitch bekeek zijn groepsleden, die hij nu al weer een paar maanden kende., een voor een. Naast hemzelf waren hier:

Sander Savignon, een Priester van Lathander,
The Pigrim, een monnik,
Yamina Hutum, de fighter (wiens zwaar verbrande gezicht altijd verscholen ging achter een doek die bijna haar hele gezicht bedekte),
Daryl Crosley, een ranger,
Lucien Rustic, de sorcerer.

Daryl was als eerste klaar met z’n eten en begaf zich naar de open haard om zijn natte kleding sneller te laten opdrogen. Hij passeerde de twee vrouwen, beiden verstrengeld in een innige omhelzing en merkte op dat achter een van deze vrouwen tegen de muur een longsword stond…

Lang om hierover na te denken had hij niet toen plots de stem van de bartender klonk. “Its Story Time!!! Kom op mensen! Wie heeft er een sappig verhaal! Diegene met het mooiste verhaal, wint een hele avond gratis eten en drinken!”. Dit was het teken voor de halfling om zich snel uit de voeten te maken en zich een te maken met de schaduwen… Als hij ergens een hekel aan had was het als alle ogen op hem waren gericht…

Daryl meldde zich als eerste bij de gnoom en hij vertelt het verhaal hoe hij vanuit Darromar op magische wijze plotsklaps in Waterdeep was gekomen. Na zijn verhaal klonk het luidde applaus van de menigte. Dit verhaal had hen duidelijk goed bevallen.

“Dat is nog niets!”, klonk opeens een zware stem afkomstig van het groepje mannen. “Mijn naam is Svendor Gladrock en ik heb een verhaal dat jullie echt zal doen griezelen!”. Hij vertelt het verhaal
van de bloedzuigers die de riolen van Dock Ward onveilig maken en ziektes verspreidden. Hij vertelde dat er zelfs een beloning was uitgeloofd voor diegenen die dit geheim zouden kunnen ontrafelen!

Het derde verhaal werd verteld door Yamina. Zij vertelde het verhaal van een zestien jarige meisje dat op een dag alleen de woestijn introk om vier en een half jaar later als prachtige jonge vrouw terug te komen. Ze bleek in die vier en een half jaar de gevangene te zijn geweest van een Fire Demon en het enige dat het wezen weerhield het meisje te doden waren haar verhalen. Op een gegeven moment werd de demon zelfs verliefd op haar. Uiteindelijk wist het meisje de demon te overtuigen haar vrij te laten.

Opnieuw klonk een luid applaus en bleek dat dit verhaal wel zeer goed was ontvangen! Aangezien niemand meer een verhaald wilde delen, was het tijd om te stemmen en bleek niemand minder dan Yasmina de winnares te zijn! Zij kon de gehele avond gratis eten en drinken!

Iedereen keerde weer terug naar zijn of haar zitplaats en Lucien boog zich naar de halfling toe. “Kun jij niet even zo’n affiche voor ons bemachtigen? Dan kunnen we vast kijken of het verhaal van die Svendor echt waar is”. Snitch keek Lucien ongelovig aan. “Ben je soms vergeten wat voor een weer het buiten is?”, wierp de halfling hem toe. Het kostte Lucien enige overredingskracht om de halfling te overtuigen om zich toch opnieuw in het slechte weer te begeven. Uiteindelijk ging Snitch mopperend naar buiten, maar niet voordat hij Lucien had laten beloven dat hij die prachtige volle tieten van Circe nog diezelfde avond eens goed van dichtbij mocht gaan bekijken…

Een half uurtje later kwam Snitch doorweekt de herberg binnenlopen om Lucien het gevraagde affiche te overhandigen. “En? Is het nog gelukt met Circe?”, vroeg de rillende halfling terwijl hij zijn kleding ging ophangen vlakbij de open haard. “Bijna, Daryl is er nu mee bezig”, zei Lucien.

Het affiche bevestigde inderdaad het verhaal van Svendor. Er werd een beloning uitgeloofd van 50gp aan diegenen die duidelijkheid konden verschaffen over de bloedzuigers in de riolen. Een beloning van 100 gp werd uitgeloofd aan diegenen die dit probleem zouden kunnen oplossen. De groep besloot na overleg om de opdracht aan te nemen en om morgenochtend vroeg te verzamelen bij de ingang van de riolen.

De volgende dag in de vroege ochtendgloren ging de groep de trap af en de stinkende riolen in, de kleine Snitch voorop. Lucien sprak een Mage Armor uit op The Pigrim en Daryl.

On a Dark and Rainy Evening . . .Eenmaal aangekomen aan het einde van de trap, kwam de groep uit op het riool zelf. In het midden stroomde het rioolwater in kanaaltjes dat zich als een doolhof vertakte. Links en rechts van het kanaal kon men lopen. Hier en daar was een bruggetje. En soms zat er niet anders op om naar de overkant te springen. Lucien wilde even uittesten hoe diep het water was en stak zijn staf in het water. Het water bleek niet al te diep te zijn. Maar de geur die bij deze actie vrijkwam, maakte het dat The Pilgrim bijna moest overgeven.

Even verderop merkte Snitch op dat er een lijk op het water dreef. Met de quarterstaff van de monnik werd het lijk aan de kant gehaald. Met enige moeite werd het lijk op de kant getrokken. Sandor, inmiddels een doek om z’n mond gebonden tegen de stank, deed een healthcheck en het werd hem duidelijk dat het bloed volledig uit het lichaam van het slachtoffer was gezogen en dat het lijk twee dagen oud was.

De groep liep weer verder het rioolcomplex in. Snitch was al druk bezig een plattegrond te maken om te voorkomen dat de groep zou verdwalen. Even verderop kwam er opeens een andere groep ons tegemoet vanaf de andere kant van het riool. “Wat doen jullie hier?”, vroeg een van de leden van die groep. Snitch gaf als antwoord, “Wat denken jullie zelf? We komen voor de beloning net als jullie!”. Hierop gaf de andere groep geen antwoord en vervolgden zij hun weg. Ook onze groep vervolgde haar weg en weldra kwam men op een punt waarop we over het rioolwater moesten gaan springen om aan de andere kant te komen om dus verder te kunnen gaan.

Dit bleek gemakkelijke gezegd dan gedaan. Snitch sprong er met gemak over heen, maar zowel Daryl als Sandor kwamen in het stinkende rioolwater terecht. Aan de andere kant werden ze weer uit de modder en troep getrokken en even later kon de groep weer verder gaan. Snitch liep wat verder voorruit om te waarschuwen in het geval iets onze kant op zou komen. Verderop zag hij een aantal dode vleermuizen op de grond liggen. Ook deze hadden dezelfde symptomen als bij het dode lijk. Al het bloed was uit de vleermuizen gezogen.

Opeens hoorde Snitch het geluid van een hoop vleugeltjes dat onze kant opkwam. Hij waarschuwde de groep en iedereen maakte zich klaar voor wat komen zou. Niet lang daarna kwamen er een groep Stirges On a Dark and Rainy Evening . . .onze kant opvliegen. Zowel Snitch, Daryl als Yamina konden er al een aantal uit de lucht schieten voordat ze dichterbij konden komen. Het duurde niet lang of iedereen was in direct gevecht met een aantal Stirges. Het bleek al gauw duidelijk dat zij de oorzaak waren van de leeggezogen lijken. Zodra een Stirge een groepslid kon raken, zat deze vast aan het slachtoffer en begon de Stirge meteen het bloed te drinken.

Met vereende krachten en een aantal rake klappen van The Pilgrim, Sandor en Daryl, gevolgd door een magic missile van Lucien, werden de stirges uitgeschakeld. Het was nu duidelijk dat de Stirges de “bloedzuigers” waren uit de riolen en de groep besloot de beloning van 50gp op te gaan halen. De beloning werd inderdaad uitgekeerd en even later werd een nieuw affiche opgehangen waarop een beloning van 80gp werd uitgeloofd voor diegenen die de riolen kon bevrijden van deze Stirge plaag!

 

 

 

 

A Thousand Shades Of Grey

Welk moment geeft aan dat iemand zich niet langer op onbekend terrein bevindt? Hoeveel uren, dagen of zelfs weken zijn er nodig om een omgeving, waar je voorheen nog nooit was geweest en hoogstwaarschijnlijk het liefst nooit zou willen belanden, daadwerkelijk als bekend terrein te gaan beschouwen? In het pikkedonker had Suneair na, naar eigen inschatting, ongeveer twee weken haar directe omgeving volledig in kaart gebracht. Haar smaragdgroene ogen waren na de eerste dag tot rust gekomen en haar pupillen hadden zich tot het uiterste gestrekt om maar zoveel mogelijk licht toe te laten. Om, zoals ze het zelf noemde, de omgeving te lezen. Voor wellicht de duizendste keer gleden haar ogen van links naar rechts; van de rotswand, die gekarteld de aangrenzende ruimte afschermde, via een snelle blik om de kettingen die haar handen met het gewelf verbonden, naar de verste hoek die zij vanaf haar positie nog kon waarnemen. Langs de drie stalagmieten die als langs een liniaal gelegd voor haar op wacht leken te staan. Op een moment dat inmiddels een eeuwigheid geleden leek had Suneair haar drie ‘wachters’ namen gegeven; David, Bernice en Maya; waarom dat wist ze niet, misschien omdat ze simpelweg mens wilde blijven. Vooralsnog had Suneair geen woord met haar ‘stenen vrienden’ gewisseld. Heel in het begin had ze geschreeuwd; eerst uit woede, daarna uit frustratie. Het enige dat haar antwoorde was de echo van haar uitzonderlijk fraaie stemgeluid. Uiteindelijk deed de bard er het zwijgen toe.
Suneair had al weken geen kleur meer gezien en was tot de ontdekking gekomen dat dit duister desondanks tientallen, zo niet honderden kleurschakeringen bevatte. Zo had ze eens meer dan 130 verschillende kleuren grijs geteld; kiezel-grijs, wand-grijs, schaduw-grijs, waterdruppel-op-stenen-grond-grijs, hand-grijs, vinger-grijs, nagel-grijs, nagelriem-grijs, het-randje-rond-je-ringvinger-als-je-vantussen-je-wimpers-kijkt-grijs; en zo voort. Na 132 verschillende kleuren grijs te hebben geteld had ze haar ogen gesloten (133, het-geestesbeeld-dat-je-ziet-wanneer-je-te-lang-naar-iets-gekeken-hebt-en-vervolgens-je-ogen-sluit-grijs) en was ze in een diepe slaap gevallen.
Vervolgens werd ze wakker, schudde ze haar handen en vervloekte in stilte de boeien waarmee ze al dagen aan haar troosteloze omgeving geketend zat.

Veertien keer eerder was er in de grijze ruimte voor haar vanuit het niets en geheel geluidloos een schaal met brood en een nap met water verschenen. Nu, de vijftiende keer, hoefde Suneair alleen maar op de geur van het oude brood af te gaan om haar ‘maaltijd’ te vinden. Zelfs de geur van haar eigen stront en schrale pis konden de stank van het oude brood niet onderdrukken en opnieuw maakte Suneair zichzelf de belofte die ze zeven keer geleden ook al had gedaan. Mocht ze dit Godverlaten oord ooit verlaten, dan zou ze nooit meer een stuk brood eten. Met gescheurde nagels trok de volgelinge van Suné de droge korsten uit elkaar en doopte deze voorzichtig in de nap met water. Suneair was al tijden geleden gestopt zich af te vragen waarom het water zo gronderig smaakte en stopte het zompige stuk brood in haar mond.
Van het een op andere moment knalde de stilte uiteen, teisterde een bekende stem in een fluistering haar trommelvliezen; “SUNEAIR! HET IS OK! WE KOMEN JE HALEN!”. De doorgaans zachte stem van Valerius Goldenmind luidde Suneair’s zogenaamde ‘zonderbrood maanden’ in.

Grit, Gruis En Pulver

“Suneair, ogen dicht, toorts.” De militaire stem van Belros Darkeyes gaf instructie en Suneair volgde. Zelfs met dichtgeknepen ogen voelde de bard haar ogen prikken, alsof Belros in plaats van een fakkel te ontsteken een ons zout in haar ogen had gestrooid.
“Scouting omgeving…” Suneair herkende de stem van Marcus de Bénevé onmiddellijk. Inmiddels liepen de tranen over haar wangen, niet zozeer van vreugde of verdriet, maar voornamelijk vanwege de plotselinge klimaatverandering qua licht en geluid.
“Rustig maar, Suneair. Het komt allemaal goed”, Valerius legde een warme hand op de schouder van Suneair en wreef de bard zachtjes over haar rug. De magiër interpreteerde de tranen duidelijk anders, maar het maakte Suneair niets uit. Voor het eerste sinds tijden voelde ze hoe koud ze het eigenlijk wel niet had. En, als een warm deken liet Suneair de zorg van Valerius en Belros over zich heen komen.

Marcus liep, voor zover de grot waar Suneair zat vastgeketend toeliet, in een rechte lijn van Suneair naar het andere einde van de grot. De echo’s van Valerius en Belros fluisterende stemmen klonken zachtjes, bijna overstemt door Marcus’ ijzeren voetstappen op het harde gruis dat over de vloer van de grot verspreid lag. Een ruime grot. Geen teken van leven. Dat was Marcus’ eerste observatie en tevens eerste misvatting. Als vanuit het niets ontstond er voor de paladin van Torm een gravel elemental dat duidelijk slechts één taak had, ‘kill on sight’. Marcus hoorde de klap eerder aankomen dan dat hij deze voelde. Een windvlaag ging vooraf aan een enorme slag in zijn middenrif; alsof er een emmer met brokstukken op hoge snelheid op hem afgevuurd was. De half-elf sloeg achterover en incasseerde zo nog enigszins de impact van de aanval, maar het hield eerlijkheidshalve niet echt over. Marcus had nog even de gedachte om ‘Contact!’ te roepen, maar was er eigenlijk wel van overtuigd dat het geluid van schurend armor op ruw steengruis voldoende aanleiding was om Valerius en Belros te alarmeren. Buiten dat had de paladin amper tijd om op adem te komen, want het elemental stond alweer klaar voor een tweede aanval. Dit keer was Marcus beter voorbereid en ontweek de meeste stenen brokstukken die door het monster werden afgeschoten. Terwijl Marcus met volle overtuiging in naam van Torm op het elemental insprong snelde Belros zich naar het gevecht.
Valerius ontfermde zich nog steeds over Suneair en veranderde de bard met een knip van zijn vingers, ironisch genoeg, in een grijze muis. Vervolgens stopte hij Suneair in een van zijn vele binnenzakken om zich daarna voor te bereiden om zichzelf en zijn vrienden weg te teleporteren.
“Links, Belros!” schreeuwde Marcus terwijl hij het gravel elemental met een draaiende beweging flankte. Belros begreep de hint en deed hetzelfde. Slechts tientallen seconden later viel het elemental uiteen. Zowel Belros als Marcus had flinke kleerscheuren opgelopen tijdens het gevecht met het elemental, dus van grootspraak aan het eind van de schermutseling was geen sprake. In plaats hiervan richten de twee zich op Valerius die hen volgens plan terug zou teleporteren naar The Library of Azuth.
“Klaar?” vroeg Valerius, waarop Belros en Marcus instemmend knikten, klaar om in Darromar weer op krachten te komen. Echter, Valerius zou de kans niet krijgen om zijn teleport spreuk af te maken, want nog voordat hij kans kreeg de eerste lettergreep van de spreuk te voltooien, doemde het gravel elemental op vanachter de magiër. Met een vernietigende slag werd Valerius opzij geworpen en opnieuw stonden Belros en Marcus oog in oog met het stenen monster. Zoals het de levende legenden betaamde maakten de voorvechter van Torm en The Voice of Astoth binnen luttele seconden korte metten met hun tegenstander. De strijd mocht naam geen hebben, waarna Valerius, hoewel gehavend, zijn vrienden en Suneair veilig een enkele reis naar de Library of Azuth bezorgde.

Day-to-Day Business, Of Toch Niet?

In de uren na de terugkeer van Suneair namen de paladins de tijd om alles nog een s op een rijtje te zetten. De afgelopen paar uur waren hectisch geweest en om er zeker van te zijn dat zij niets over het hoofd zagen liepen Belros, Valerius en Marcus alles nog eens grondig na. De familie van Valerius was in veiligheid gebracht; de Tenebreux was gedwarsboomd in zijn duivelse plannen; Suneair was vermoeid en vermagerd, maar verder ongedeerd. Van wie waren de lichaamsdelen die de Tenebreux als hints had achtergelaten? Zou de teleport stone ooit nog werken nu de broodnodige edelstenen niet langer op het material plane aanwezig waren? En, waar is Shadout Harrah al die maanden toch naartoe? Terwijl Suneair haar verhaal deed over hoe ze uiteindelijk in haar benarde situatie was beland (de bard van Suné was samen met Liana onderweg naar Paleluds en had kamp opgeslagen. Vervolgens werd ze geketend en al wakker in de grot, haar stenen cel. Waar Liana is gebleven was haar een raadsel.), kreeg Valerius een bericht dat hem de eerstvolgende drie nachten onverwachts uit zijn slaap zou houden.
Het werd duidelijk dat er in de straat aangrenzend aan The Library of Azuth ineens opvallend veel huizen verkocht werden. Drie huizen, om precies te zijn. Na een algemene rondvraag van Marcus en een hoogstpersoonlijk bezoek van Valerius en Belros aan de verkopers bleek dat de drie huizen aan één en dezelfde opkoper waren verkocht. Iemand van buiten Tethyr nog wel! Klaarblijkelijk was het de nieuwe eigenaar eraan gelegen de huizen te slopen om er vervolgens danwel een overdekte markt, danwel een wooncomplex te plaatsen. Wat het ook zou Valerius werd er niet gelukkiger van.

Terwijl Valerius zich bezighield met de sores rond zijn bibliotheek bezocht Belros voor het eerst sinds tijden zijn ouders, en deed Marcus min of meer hetzelfde, al ware het niet zijn ouders, maar zijn tweede ouderlijk huis; de temple of Torm.

Na een aantal dagen kwamen de paladins tot de conclusie dat zij er toch niet gerust op waren dat de Tenebreux’ plannen volledig gedwarsboomd waren en besloten een extra check te doen op het bassin dat voorheen toegang verschafte aan de dimensie waar The Stones of the Desert waren verborgen. Valerius concentreerde zich en sprak een clairvoyance spreuk uit waarmee hij de locatie van het bassin in The Heart of The Desert kon bekijken, als ware het alsof hij er zelf naast stond. Rond het bassin lagen drie bruut vermoorde magiërs. Het was Valerius meteen duidelijk dat deze mages niet in de strijd waren omgekomen, maar hun einde hadden gevonden aan de hand van een tot waanzin gedreven, gefrustreerde de Tenebreux. De eerste magic-user was klaarblijkelijk doodgeslagen met een stomp voorwerp; de tweede simpelweg dood gegeseld, terwijl de derde door onthoofding om het leven was gebracht. Valerius walgde van de beelden en maakte een mentale notitie om na het avondmaal een gebed voor hun onzalige ziel te doen.
Het bassin leek provisorisch hersteld, terwijl de mozaïek tekening nog steeds onherstelbaar beschadigd was. Alles leek in orde. En juist dat gaf de paladins een onheilspellend gevoel. De laatste zeven jaar was niets in orde… waarom zou dat nu anders zijn?

Stone Temple

aangekomen op de vlakte waar de resten van een tempel zich aan het einde bevinden is het rustig.
Het is bijna te rustig voor het gene zich hier zal gaan afspelen.
Dit moet de plek zijn waar de Tenebreux heen reist om de vier overige stenen te bemachtigen, hier in deze tempel moeten de vier stenen zich bevinden en we begeven ons langzaam naar de ineen gestorte ingang van het complex.

De begane grond zoals we die zien blijkt slechts het begin van een aanzienlijk groot complex dat zich vooral inmiddels onder de grond begeeft omdat het in de loop van jaren behoorlijk is weg gezakt.
Een kracht veld dat waarschijnlijk later is neergelegd maakt een opening als wij die betreden.
Dat is alvast een begin om de troepen van de Tenebreux af te remmen.
We weten natuurlijk dat de groep sorcerers die de Tenebreux mee neemt wel raad weet met dit soort dingen dus er moet meer gebeuren om de stenen te beschermen.

Als we onder de grond komen proberen we alles in kaart te zetten om de vier belangrijke stenen te behouden maar er is een probleem, we kunnen de stenen niet vinden?
We zoeken het hele complex af maar van de stenen geen spoor.
Ook is er hier geen levende ziel te bekennen en dat hadden we stiekem wel gehoopt om wat  versterking te hebben voor als het leger van de Tenebreux zal arriveren.
Een hoop gangen en blijkbaar lege kamers op wat rommel na en een vluchtgang met een aantal geheime deuren is alles wat we in kaart kunnen brengen en kunnen vinden.
Er is een kamer die eruit springt en dat is duidelijk een grote zaal die waarschijnlijk is gebruikt voor het aanbidden voor de god die hier eens werd aanbeden.

De kamer valt op door een groot bassin waar eens water in gestaan moet hebben.
Verder na een paar spreuken van Valerius zien we in de hoek war arcane tekens op de grond en het plafond.
Als je in deze hoek gaat staan dan zie je in het bassin een soort engel vleugels verschijnen die normaal vanuit welke ander hoek dan ook moeilijk te zien zijn.
De glazen koepel boven het bassin is bedekt met zand en laat geen licht door.
Na overleg is het duidelijk dat we denken dat de koepel zonlicht moet door laten in een bassin met water en dat dit een spectaculair effect moet hebben op de gehele ruimte.
Valerius gaat met dit idee aan de gang en Belros gaat samen met Marcus wat vallen zetten om de troepen van de Tenebreux eventueel wat op te houden.
Onder het werk praten Belros en Marcus wat over de 4 tegen 100 situatie waar we ons waarschijnlijk over een paar uur in zullen bevinden en hulp van de woestijn zal er moeten komen anders lijkt het een verloren zaak, nog steeds geen spoor van enige steen?

Na een uur (of wat langer) keren Belros en Marcus terug naar de hal waar Valerius bezig was met het bassin en licht inval vanaf het plafond.
Het is gelukt, een helder licht van boven af valt in het bassin wat inmiddels ook is gevuld met een klein laagje water en het effect is werkelijk prachtig.
De schitteringen op de kale grijze muren zijn prachtig en in de hoek zijn de rune goed te zien, maar waar is Valerius.
De eerste minuten hebben de 2 paladins nog oog voor de hal en het moois wat het licht teweeg brengt maar met elke minuut word de ongerustheid groter als Valerius taal nog teken geeft?
Belros besluit na verloop van tijd in de hoek te gaan staan waar de engel achtige vleugels in het water van het bassin met de licht val nog mooier geworden zijn.
Maar dan ziet hij Marcus opeens vervagen?
Hij roept hem maar Marcus reageert niet?
Ook Destrin reageert niet en dat is nog vreemder.
Als Belros probeert de kamer in te lopen lukt dat niet en hij beseft dat niet Marcus en de kamer vervagen maar hij zelf word weg getrokken uit de realiteit.

Marcus kijkt de grote hal door en mist Belros?
Heeft nou nog wel alles op een rijtje?
De paladin van Torm is ervan overtuigd dat Belros een minuut geleden nog in de hal stond en hij zou nooit vertrekken zonder hem in te informeren.
Destrin kijkt wat onrustig om zich heen als hij ziet dat Belros is verdwenen en dat ook Marcus niet goed weet wat er loos is.
Ook Marcus loopt naar de hoek met de rune op de grond omdat hij denkt Belros als laatste daar gezien te hebben.
Een minuut later staat Destrin alleen in de hal en het enige dat het wilde dier kan doen is rustig in de hoek gaan leggen waar hij zijn baas als laatste heeft gezien. Hij loopt naar de hoek van de kamer en de rune lichten een klein beetje rood op als de leeuwin gaat leggen.

Het is een rare gebeurtenis als je na een blackout van een paar minuten? Weer bij je positieven komt en je in een totaal ander “lichaam” zit.
Dit overkomt de paladins en de leeuwin.
Allemaal zijn ze gepolymorphed in een elemental.
Destrin is air, Valerius water, Marcus fire en Belros een earth elemental en het enige wat ze over een dorre vlakte voor zich zien zijn de contouren van een gebouw wat verdacht veel op de eerdere tempel lijkt waar ze uitkomen.Er word koers gezet naar het gebouw maar dit blijkt niet voor iedereen even makkelijk te gaan als je van water of aarde bent?
Na een tijdje wennen gaat het wel en we bereiken het gebouw.
Alleen de deur lijkt echt te zijn en de rest is een doorzichtige contour van het gebouw.

Belros slaat de deur aan puin en we kunnen naar binnen.

Binnen is de tempel normaal en lijken de muren en grond van echt steen te zijn gemaakt.
De platte grond is makkelijk want we hebben net de gehele tempel in kaart gezet dus is het geen probleem de weg te vinden.
In een van de kamers staat een steen met een zwevende vlam erboven?
Zullen dan hier de 4 belangrijke stenen ergens liggen?
Met vereende krachten proberen we bij de zwevende vlam te komen.
In eerste instantie lukt dit niet maar met wat nadenk werk en het combineren van water, vuur en wind lijkt het erop dat de vlam gedooft word en er een stuk kristal op de grond valt wat duidelijk een van de 4 stenen betreft.

We hebben ze gevonden en bewegen ons verder voort in de tempel om de andere ook te vinden.
Met hier en daar een obstakel en nog wat onderzoek komen we aan in een kamer met de 2e steen.
Hier zweeft een schijnbaar gewone steen in vuur en is niet op een normale manier te pakken.
Met een combinatie van air (trekt zuurstof weg) en water die het vuur blust kan de earth elemental de steen pakken en stuk gooien op de grond, ook hier komt weer een kristal uit wat we zoeken en we hebben nu 2 stenen in bezit.

Op weg naar de volgende steen merkt Valerius (water) dat Belros (earth) achter blijkt.
Als hij terug gaat ziet hij Belros staan in de kamer waar net de steen is bemachtigd tegen de muur aanleunen en hij wacht?
Is hij moe? Kan hij het gewicht van de aarde en rots achtige substantie niet meer aan?
Valerius kijkt en denkt na wat zijn vriend kan mankeren?
Berlos kijkt naar Valerius en tot verbazing van de magic user staat hij met het kristal boven het inmiddels weer opgeladen vuur klaar om hem terug te gooien.

Belros staat in twee strijd.
De stenen zijn zo belangrijk voor het voort bestaan van de woestijn maar ook voor mijn tempel van Astoth.
Waar zouden de stenen net zo veilig zijn als wij ze mee nemen?
Hier zijn ze toch veilig?
Moet ik ze meenemen en altijd met de gedachte leven dat ze iedere dag weer gestolen kunnen worden en dat de Tenebreaux alsnog de macht krijgt over de stenen en de woestijn, zou hij de lich king terug laten keren?
De stenen horen hier en hier zijn ze veilig!
De voice van Astoth weet het zeker en gooit het kristal terug in het vuur die erboven begint te zweven en weer veranderd in een normale steen.
Als de Tenebreux de stenen wil bemachtigen gaat hij ze zelf maar halen.

Als de groep bij elkaar is probeert Belros duidelijk te maken dat ze een uitgang moeten vinden, niet iedereen begrijpt het maar de paladin van Astoth lijkt niet te stoppen en loopt weg.
Het zijn de stenen van zijn tempel dus Marcus en Valerius besluiten hem maar te volgen.

De volgende kamer is er een met wat spullen erin.
Het plafond is een spektakel van een sterrenhemel waar ook een kijker op de grond op staat gericht.
In het midden een rijk bewerkte tafel met fraaie stoelen eromheen.
Fire geeft aan dat de koepel volgens hem de uitgang moet zijn zoals die het ook is in het complex op de material plane.
Na wat rond kijken ziet Belros op de tafel tussen wat versieringen in een paar engel vleugels staan die doen denken aan die in het bassin.
Hij richt de sterrenkijker op de tafel om beter te kijken en zoemt in op de vleugels.
Even later staan Valerius, Marcus en Destrin nog in de kamer en Belros is verdwenen.
De drie besluiten de truc na te doen en verdwijnen ook van de plane waar ze enige tijd hebben rond gelopen als vuur, water, aarde en lucht.

In de grote hal met het bassin komen de paladins en de leeuwin weer bij hun positieven, de stenen zijn veilig terug gezet en de enige weg om er te komen die wij weten is het bassin in combinatie met de rune in de hoek en de goeie lichtval vanuit het plafond.

Een geschreeuw klinkt van boven, de Tenebreux is duidelijk gearriveerd met zijn troepen.
We horen ze al naar beneden komen dus het krachtveld is al overwonnen boven.

Valerius besluit de doorgang naar de plane waar de stenen zich bevinden te vernietigen zodat de Tenebreux er niet naartoe kan.
Een dispel magic op het licht en een disintegrate op de prachtige vleugels in het bassin zouden de klus moeten klaren.
Het licht is gedoofd en de vleugels leggen in duizenden stukken en gruis door de grote hal.

Een pijnlijke kreet volgt.
Er zijn duidelijk wat soldaten in de vallen van Marcus gelopen en zijn dichtbij.

We gaan met ze allen bij elkaar staan als Valerius een laatste spreuk voor bereid.

Een gigantische humanoid zien we de gang in rennen op ons af met een necromancer op zijn hielen die zijn staf en handen in de lucht houd om een spreuk af te vuren.

De laatste woorden van Valerius galmen na in de hal als de necromancer naar binnen loopt en ziet dat hij alleen staat met het grote monster naast hem.
Als hij in het rond kijkt en de ravage ziet weet hij niet precies wat er gaande is maar het gevoel dat hij een stap te laat is kan hij niet onderdrukken.

 
 

Tocht Door De Woestijn

Het is druk op de binnenplaats van het complex dat de Tenebreux gebruikt om zijn nieuwe leger huurlingen te verzamelen.
Alhoewel alles door elkaar lijkt te staan kun je met enige moeite toch de verschillende groepen onderscheiden.
De magic users, noorderlingen, humanoids en soldaten die van de Tenebreux zelf lijken te zijn.
De Tenebreux heeft net de binnenplaats betreden met zijn gevolg en bereid zich duidelijk voor op een toespraak die met een hoop gevoel voor show en intimidatie word ingezet.
Vlak na zijn opkomst komt er een houten kar de binnenplaats oprijden met een rode fluwelen doek er overheen die de inhoud verhult.
Drie dames die er alle drie een zelfde uiterlijk op na houden begeleiden de wagen en zetten hem midden in de ruimte voor de Tenebreux.
Als de evil paladin een handgebaar maakt om het doek eraf te trekken ziet de groep die staat toe te kijken tot hun schrik een bekende.
Sunair, een paladin die tijden met Marcus en Belros heeft mee gelopen en van grote waarde is geweest bij het tegenhouden van de appocalyps legt op de wagen.
Ze lijkt in bedwang te worden gehouden met energie velden en “kettingen” die door verschillende soorten magie lijken te zijn gemaakt.
We staan met ze vieren invisible bij de grote poort waar we net uit zijn gelopen en wachten enigszins gespannen op wat de anti paladin heeft te melden.
De Tenebreux staat in een ceremonieel armor voor de menigte en begint zijn toespraak.
(zie toespraak).“ik tel tot 5 en dan wil ik jullie zien anders zal sunair het moeten bekopen met haar leven.
5,4,3,2”
Valerius is de eerste die reageert en ook de enige die de invisability kan opheffen waar de groep zich in bevind.
“STOP!” roept de magicuser uit volle borst en stapt uit zijn veilige omgeving en laat zichzelf zien.
“aha, Valerius welkom” zegt de Tenebreux enigszins cynisch.
“waar zijn Belros en Marcus, ga me nou niet vertellen dat je hier alleen bent”
Valerius twijfelt maar deze word snel weg genomen als een dame met een dolk op Sunair af loopt.
Met twee vingerknippen staan Belros, Marcus en Destrin naast de magic user en kan het zieke spelletje van de anti paladin beginnen.
“heren welkom, ik nodig jullie uit voor wat te drinken en een nuttig gesprek.”
Op een afstand volgen we de evil paladin en weten dat hij ons zal gaan chanteren met Sunair uiteraard.
We komen uit bij een chique kamer waar de Tenebruex geen huisdieren wil hebben dus Destrin mag buiten wachten wat niet vervelend is om de boel in de gaten te houden.
We krijgen wat eten en drinken aangeboden maar gaan daar niet op in.
Als het Belros te lang duurt vraagt hij wat de deal is?
De Tenebreux geeft aan dat wij de ontbrekende drie stenen voor hem moeten gaan halen in ruil voor het leven van Sunair en het gezin van Valerius wat in de gaten word gehouden en volgens de Tenebreux elk moment om het leven kan worden gebracht.
“luister mannen ik weet niet wat jullie gaan doen maar ik ben weg, ik onderhandel niet met dit soort mensen en laat me niet intimideren door dit soort dreigingen.
Kiezen tussen twee kwade is altijd de verkeerde keuze maken?”
Belros laat weten wat hij erven vind en verlaat de kamer.
Valerius is toch wel aangeslagen door de dreiging naar zijn familie en samen met Marcus probeert hij de voice van Astoth terug te halen.
“ik zou maar opschieten want mijn geduld raakt op” zegt de Tenebreux kalm.

“Belros wacht”roept Marcus terwijl Belros al de grote binnenplaats oploopt naar de uitgang.
“tuurlijk gaan we niet helpen, ik wil hem omleggen” zegt de voorvechter van Torm tegen Belros.
Dit klinkt Belros al beter in de oren als mee werken en hij stopt.
Ook Valerius komt aanlopen en zegt dat we een ander plan zullen moeten volgen om dit tot een goed einde te brengen voor iedereen.
“ok ik doe mee maar ik ga proberen Destrin naar buiten te krijgen zodat ze terug kan naar de tempel dan weet ik ook of daar wat gebeurd?”
Belros loopt de binnenplaats op en zegt tegen een paar soldaten dat hij de leeuw naar buiten wil laten omdat deze onhandelbaar zal zijn.
De weg word geblokkeerd omdat de poort niet open zal gaan zonder order van de Tenebreux.
Al snel weet de voice van Astoth wat commotie te veroorzaken (zoals wel vaker) en verschillende huurlingen deinzen achteruit voor Destrin.
Als er een magicuser probeert een spreuk op de leeuwin te gooien om deze tot bedaren te brengen wil Belros hem te lijf en de spreukengooier heeft geluk dat er zes of zeven man de weg versperren.
De poging om Destrin uit het complex te krijgen is mislukt maar Belros heeft wel angst en ontzag in sommige ogen gezien en dat geeft hem een goed gevoel voor het vervolg van de reis die er gaat komen.

Terug in de kamer van de Tenebreux luisteren we naar zijn eisen en zeggen mee te zullen reizen door de woestijn om de stenen te gaan halen.
De Tenebreux lijkt kalm en rustig totdat Belros een gevoelige snaar weet te raken als hij over de blackhand begint en vraagt naar Lucius Vassilus en Hedwig Iscariot.
“mijn voormalige vrienden! Daar heb ik niets meer mee te maken!” roept de Tenebreux duidelijk wat overstuur.
“o jammer? Jullie vormden zo een leuk groepje samen” vraagt Belros nog even door en krijgt er wel lol in dat hij de evil paladin zo weet te raken op een gevoelige plek die hij normaal niet lijkt te hebben.
“probeer me niet uit Belros daar krijg je spijt van, we gaan nu de woestijn in om de stenen te halen en dat is alles wat nu telt en wat je hoort te weten begrepen!?”
Belros bekijkt hem wat laconiek zoals hij dat goed kan en loopt glimlachend weg.
“o voordat ik het vergeet 8 uur rust voordat we gaan” Belros loopt nog even terug.
“4 uur en geen min…” de Tenebreux kan zijn zin niet afmaken.
“nee Maxi, 8 uur heb ik toch gezegd en anders ga je maar alleen die woestijn in”
Berlos probeert de Tenebreux een beetje uit zijn rol te krijgen en dat lukt redelijk.
De voice van Astoth heeft met een detect lie en een aantal vragen door gekregen dat het een noodzaak is voor de Tenebreux dat wij mee gaan en probeert hier een beetje van te profiteren.
Uiteindelijk krijgen we toch maar vier uur met een hoop heen en weer gepraat en we bereiden ons voor op een meerdaagse reis door de woestijn.

Na een ruime vier uur worden we ontboden en de colonne van huurlingen staat klaar om te vertrekken, we worden in de laatste kwart van de colonne gezet en lopen rustig mee de hete woestijn in.
We schatten in dat we met zo een 150 man lopen.
70 soldaten van de Tenebreux zelf, 15 diverse magiers, 30 humanoids, 30 noormannen en dan nog het een en ander aan gevolg van de Tenebreux zoals de drie vrouwen, de priesters en de paladin hunter.

De tocht door de woestijn is rustig? Misschien wel te rustig?
Er gebeurt de gehele dag vrij weinig en ook aan de horizon is niets te bekennen van enig leven wat dan ook.
Als tegen de avond het kamp word opgezet en ook onze ploeg een tent krijgt toegewezen word het langzaam rustig en donker in de woestijn.
Belros besluit een gebed in te zetten voor moeder woestijn en haar zonen, hij vraagt om medewerking, hulp en begrip voor de situatie, ook geeft hij aan de visioenen serieus te nemen die hij eerder heeft gehad.
Valerius en Marcus hebben een menings verschil over het wel of niet verkennen van het kamp.
Marcus verteld de magic user dat het kamp zwaar bewaakt zal zijn en dat een ontdekking fatale gevolgen kan hebben voor ons en zijn familie.
De magic user is toch eigenwijs en besluit met een polymorph verschillende woestijn gedaantes aan te nemen en het kamp te verkennen.
De tenten zijn georganiseerd neer gezet en de bewaking lijkt op het eerste gezicht niet eens zo heel erg optimaal te zijn.
Huurlingen praten en gokken wat in de tenten, niets bijzonders.
De paladin hunter met de schedel helm loopt rondjes en lijkt een van de weinige die echt een serieuze poging doet het kamp te bewaken voor wat dan ook?
Wat opvalt is een tent met humanoids die doodstil staan te wachten op waarschijnlijk het ochtend gloren om te vertrekken.
Wat de kar en de tent van de Tenebreux betreft kan Valerius weinig nuttige informatie geven.

Als Valerius terug is dan komt het gesprek weer op zijn gezin en besluit hij met Marcus een teleport uit te voeren naar Darromar.
De twee zien dat het huis waar zijn vrouw en zoon verblijven bewaakt en gadegeslagen word door diverse figuren.
Marcus weet deze mannen te identificeren als leden van de assassin guild van Darromar en Valerius schrikt daarvan, hij schrikt ook van het feit dat zijn vriend Marcus blijkbaar zo een kennis heeft van zaken uit de onder wereld.

Terug in het kamp besluiten we te gaan genieten van een goeie nachtrust en proberen we morgen fit de 2e dag van de woestijn tocht te beginnen.
Er zijn echter wel een paar zaken die een ieder van de paladins door het hoofd spoken voordat ze de slaap kunnen vatten.
1- Waarom neemt de Tenebreux helemaal geen contact met ons op?
2- Is Sunair wel meegenomen?
3- Is de Tenebreux wel zelf mee gegaan of is het een stand in?
4- Waarom hebben we zoveel vrijheid? B.v. het uitspreken van een teleport naar Darromar.
5- Wat is de reden dat de Tenebreux ons nodig heeft?
6- Waarom is het zo rustig en opvallend stil in de woestijn?

Dit zijn een paar zaken die onduidelijk zijn maar er zullen bij de drie paladins waarschijnlijk nog minimaal een dozijn andere vragen opdoemen terwijl ze in slaap vallen om morgen de reis, die naar het zuid oosten gaat, voort te zetten.

 

 

Intermezzo XVI

De tempel van Astoth, Belros’ tempel was eigenlijk niet meer dan een oud en tochtig gebouw midden in de genadeloze woestijn. In werkelijk iedere kamer en gang was wel een spoor van zand te vinden.
En op die dagen wanneer de woestijnwind genadeloos over de zandduinen heen raasde, vormden zich in de gangen die het dichtst bij de buitenmuren bevonden, vanuit het niets kleine zandwolken. Zandwolkjes die door hun trechtervorm nog het meeste leken op miniatuurtornado’s. Verder niet gevaarlijk, maar zij zorgden er wel voor dat het zand verder het complex in werd gedragen en er dus een continue toevoer van verse stofdeeltjes door de tempel heen werd gejaagd. Op deze dagen verloor de majestueuze tempel een sprankje van haar statigheid en deed de bewoners en bezoekers eraan herinneren dat zonder the Voice of Astoth dit heiligdom niet meer was dan een oud en stoffig gebouw.
Dit was zo’n dag, bedacht Marcus zich, terwijl er een wolkje zand onder de tafel waar zijn voeten op lagen, geblazen werd.

Zonder e aanwezigheid van zijn vriend Belros, wisten de overige priesters van Astoth de dagelijkse gang van zaken wel te laten draaien, maar toch miste iedereen de leider van deze tempel. Wanneer Marcus deze dagen door de gangen van de tempel liep, zag hij het in de ogen van de monniken. Hij zag de angst dat de priesters hun leider misschien voorgoed kwijt waren.
In de ceremoniële zaal hoorde hij de gebeden van de monniken die om beurten Astoth verzochten om Belros weer bij hen te brengen, gezond van lijf en geest. Maar ook hoorde hij de gemompelde gebeden aan alle andere goden om het herstel van hun leider. Gebeden aan Ilmater, Lathander en zelfs aan Moeder Woestijn. Het leek alsof alle Goden voor de volgelingen van Astoth welkom waren om een klein steentje bij te dragen aan het herstel van the Voice of Astoth.
Marcus had verbitterd gekeken omdat ook hij niet langer gaf om een eender welke God dan ook de oplossing zou bieden, als hij zijn kameraad maar terug kreeg, gezond van lijf en leden. Binnensmonds bood hij Torm excuses aan en bad om begrip van zijn eigen God voor het feit dat ook hij een kort gebed had gewijd aan Ilmater en Lathander.
Terwijl Marcus diep in gedachten verzonken zat, had hij de jonge acoliet Nerial niet horen kloppen en vervolgens ook niet binnen horen komen. Een opmerkelijk feit, gezien zijn training tot demon hunter al zijn zintuigen tot een bijna bovenmenselijk niveau hadden ontwikkeld. Het kwam voor hem dan ook als een lichte schok toen de jonge monnik voor hem stond en uiterst zacht sprak: “Heer Marcus, ik dacht dat u wel iets te eten kon gebruiken.”
Marcus keek de jongen in zijn vriendelijke, grijze ogen. De monnik glimlachte warm en oprecht, alsof met deze geste hij de paladin kon overhalen om nu eindelijk iets te eten.
Description: monk_01_tif_jpgcopyDe demon hunter haalde zijn voeten van tafel, waarna de jonge monnik de heerlijk geurende maaltijd op tafel zette. Marcus keek naar het gerecht dat voor hem was neer gezet en Nerial keek ook naar de tafel, terwijl hij zijn best deed om de maaltijd aan te prijzen bij de paladin: “Voor u heb ik een heerlijke stoofpot gemaakt van woestijnhaas en hiernaast een puree van elrackwortel met stemgember. Iets waar zelfs een uitgeputte bulette weer van op krachten zal komen.”
D’Orrimblade keek de monnik aan en glimlachte kort, terwijl deze langzaam weer opkeek van het gerecht dat hij zojuist had toegelicht. “Nerial, je hebt waarlijk een goed hart en je warmte zal worden geprezen door…”
Toen Marcus de jonge monnik weer recht in de ogen keek, zag hij niets dan zwarte leegte. De anders zo vriendelijk lachende mond van de monnik verwrong zich tot een monsterlijke grimas, terwijl deze met een holle stem zei: “Je was al een keer geclaimd en terug gehaald! Een tweede keer heb je Haar ontlopen met een Stenen Hart! En nu waag je het om ons Rijk te betreden en iemand terug te halen? Eeuwig durend zal jouw pijn zijn, wanneer We je weer komen halen! En dan zal er niemand zijn die je uit Onze klauwen kan redden!”
Verschrikt sprong Marcus op en trok zijn zwaard. In een tel sprong de jonge monnik in een hoek van de kamer en dook ineen, terwijl hij zijn gezicht beschermde. “Nee heer, alstublieft. Ik bedoelde het goed.”
De jonge Nerial keek omhoog en zijn vochtige, grijze ogen keken Marcus smekend aan.
Marcus liet zijn zwaard weer zakken en keek verloren naar de jonge monnik die in de hoek zat te huiveren.
“Nerial, sorry. Ik wilde je niet aan het schrikken maken. Ik ben mezelf niet helemaal de laatste tijd. Ik…”
De jonge monnik was al opgesprongen en rende richting de deur naar zijn veiligheid.
Marcus zuchtte diep. De laatste dagen hadden hun tol geëist en hij zag nog steeds schimmen van hetgeen hij waarschijnlijk vijf dagen geleden had mee gemaakt.

Hoe hard hij ook zijn best deed, hij kon zich maar weinig herinneren van de resurrectie van Belros.
Hij wist nog dat hij samen met de sterkste vertrouwelingen van Belros en natuurlijk oude bekenden als Tariq al Fateen de reis om Belros terug te brengen was begonnen.
De geur van kaneel in het wierook dat Stellar the Deathwatcher brandde tijdens het ritueel was onmiskenbaar. “Een baken om de weg terug te vinden, als al het andere mocht mislukken.”, had de grimmige man gezegd.
Ze hadden allemaal plaats genomen in een cirkel om de Deathstone, een altaar waarop het lichaam van Belros opgebaard lag. En door de diepe, zoete geur was Marcus langzaam weg gezonken naar diepere oorden.

Met een schok kwam hij bij! 

Nog steeds gezeten om de Deathstone merkte hij dat hij in een mistige omgeving terecht was gekomen. Alle kleding die hij had gedragen was verdwenen en naakt, zoals hij jaren geleden geboren was, keek hij naar de Deathstone waarop het lichaam van Belros ontbrak. De mist week korte tijd, waardoor hij iedereen die deel nam aan het ritueel om de grote, granieten steen zag zitten. Allen net zo naakt als hij zelf was.
De enige persoon die hij niet herkende was de donkerharige vrouw tegenover hem. Toen hij haar bleef aanstaren, gromde zij diep vanuit haar keel en keek vervolgens onrustig om haar heen.
De jonge leerling van Stellar draaide een goudkleurig voorwerp rond in zijn handen en zei dat omwille van de tijd de groep moest opsplitsen en ieder een weg moest gaan om Belros Darkeyes zo snel mogelijk te vinden en over te halen om terug te komen naar de aardse wereld. Alle herinneringen hierna waren een mistige, grijze soep. Het eerste dat de demon hunter zich weer kon herinneren van deze trip, is dat hij bij kwam in een eenvoudig, houten bed met een ontzettende hoofdpijn. Hij zag vakkundig aangelegde verbanden om zijn torso en benen en bedacht zich onmiddellijk dat dit apart was. Hij lag immers in een tempel en daar beschikten meerdere personen over genezende gaven. Dus waarom kiezen voor de ambachtelijke geneeswijze?
Marcus wilde opstaan uit het bed en voelde direct een vreselijke, snijdende pijn op zijn borst.
Geduldig sprak hij de krachten van Torm aan en verzocht hen nederig om deze pijn te verlichten, terwijl hij zijn eigen handen op de wond zette. De verbazing deed hem meer pijn dan de wond op zijn borst, toen hij merkte dat zijn anders zo vertrouwde genezende gaven geen effect hadden op deze verwondingen. Het was lang geleden dat hij op een natuurlijke manier van zijn wonden moest herstellen en bad dus wederom tot Torm; ditmaal een verzoek om hem het geduld te geven dat nodig was om te herstellen en zijn belangrijkste missie weer op te kunnen pakken. Diep in zijn hart twijfelde hij of hij het geduld wel kon opbrengen en vervloekte hij de situatie waarin hij beland was. De volgende dagen droomde de demon hunter akelige en nare dromen die hem een ongrijpbare hint zouden moeten geven over wat er was voor gevallen bij de resurrectie van Belros. Soms droomde hij flarden als hij klaarwakker was…

“Alternatieve realiteiten! Ik spreek toch geen orcish? Transgressieve retrotheorie en verschuiving van duale of Multi personale identiteiten!  Daar moet je toch kruisverwijzingen van hebben in deze bibliotheek?
De oude bibliothecaris keek Valerius glazig aan. Alsof hij als een waanzinnige probeerde uit te leggen dat de Toril rond was in plaats van plat. “Magus Valerius, met alle respect, maar er bestaan geen alternatieve realiteiten. Dus er bestaat ook geen literatuur over dit onderwerp.”
Driftig en geïrriteerd wuifde Valerius de opmerking met zijn hand weg. Een teken dat de bibliothecaris in zijn eigen voordeel interpreteerde en zich zo snel mogelijk uit de voeten maakte; schijnbaar heel erg druk met iets anders. Iets anders dat in ieder geval niet in de buurt van Valerius moest gebeuren.
De magiër kon zich nog goed herinneren wat de leerling van Stellar had gezegd toen ze net over waren gestoken naar de andere zijde: ‘Het is een andere realiteit en de kans bestaat dat we een andere Belros tegenkomen. Deze verandering kan klein en subtiel zijn. Maar het kan ook heel goed zijn dat we een complete tegenpool van onze Voice of Astoth tegen komen. Hoe langer we hier verblijven, hoe groter de kans dat we een ‘andere’ Belros tegenkomen. Dit instrument geeft ons aan hoeveel tijd we reëel gezien nog hebben om de Belros die wij kennen terug te vinden en dan ook nog terug te kunnen keren.’
De leerling had een gouden gyroscoop laten zien waar in het centrum een kleine zandloper draaide. Met iedere wenteling liet de zandloper een paar korrels naar de andere kant van de loper vallen. Of dit nu omhoog of omlaag was, dat maakte niet uit; het leek wel of de zandloper alle wetten van zwaartekracht aan zijn laars lapte.
Hierna had de acoliet van the Deathwatcher zijn wenkbrauwen gefronst en aangegeven dat de groep het beste in duo’s kon opsplitsen om Belros te vinden omdat er nog weinig tijd over was.
De zorgelijke blik van de aspirant Deathwatcher en de donkerharige, naakte dame naast hem waren Valerius met name opgevallen.
Wat er verder gebeurd is kon Valerius zich met de beste wil van de wereld niet terughalen. Slechts flarden.
Het fluiten van een boogpees en dat hij rende als nooit tevoren. Alsof zijn leven er nog meer dan anders, van af hing, rende hij. De man die hij ondersteunde, was onwillig. Het leek dat hij niet wilde terugkeren naar de veiligheid die Valerius zo verwoed zocht. Hierna werd de herinnering een grijze mist en hoe hard Valerius het ook probeerde, welke vorm van mediteren hij ook gebruikte, hij kon zich verder niets herinneren.
Het idee dat hij en zijn metgezellen op zoek waren geweest naar de ziel van Belros in een alternatieve realiteit, bleef maar aan de magiër knagen.
Natuurlijk had ook Valerius wel gehoord van de theorieën over oneindig veel realiteiten die parallel langs elkaar leefden. Realiteiten waarin exacte kopieën van alle personen en wezens van deze wereld leefden. Maar omdat zaken daar net iets anders lopen kunnen de levens van deze dubbelgangers een hele andere wending nemen.
Maar dat er uit deze andere realiteit een dood persoon terug gehaald zou kunnen worden , was gewoon je reinste blasfemie. De enige geleerde die hier 150 jaar geleden vrijuit een thesis over had durven schrijven, was met recht niet erg oud geworden. De diverse tempels hadden hier wel voor gezorgd.

“Dogma’s;  religieus, politiek of wetenschappelijk,  zijn collectieve conceptuele gevangenissen. Vreemd is, dat mensen houden van hun gevangeniscel, omdat die hen een gevoel geeft van ‘Ik weet het’.

Dat is waarmee Eckhart Tolle zijn thesis had betiteld. Hij had indertijd waarschijnlijk geen rekening gehouden met de standvastigheid van de clerus.
Uiteraard was Valerius het ook niet eens met de theorie van Tolle, want het kon domweg niet zo zijn dat personen uit een andere realiteit opnieuw tot leven gewekt zouden worden. Theoretisch onmogelijk om naar een andere realiteit te komen. Een andere dimensie? Ja, dat kan wel. Valerius had het immers zelf ervaren. Een andere plane? Ook dit behoorde tot de mogelijkheden. En ook hier was deze magiër geen vreemde van.

Valerius schrok op uit zijn overpeinzingen toen Skylar zijn entree maakte in de Spartaans ingerichte bibliotheek van de tempel van Astoth. De lap die hij over zijn linkeroog droeg, wees de magiër erop dat hetgeen zij enkele dagen geleden hadden meegemaakt, wel degelijk echt en tastbaar was. En dat dit zeker niets met andere realiteiten te maken had. De wond die hij had opgelopen bij de zoektocht naar zijn mentor Belros was wel degelijk echt. En deze wond had hij meegenomen naar de prime material plane.
Skylar had aangegeven dat het opgeven van een oog een klein offer was geweest in het terughalen van de Voice of Astoth en dat hij indien nodig ook zijn leven had gegeven om Belros terug te halen. En dat hij het overlijden van de leerling van Stellar betreurde, maar dat hij zijn leven had gegeven voor het grote goed.
Skylar was niet de enige die niet ongeschonden uit de strijd was gekomen.
Destrin had een zilverwitte streep door haar zwarte vacht gekregen, toen iedereen weer bij kwam rondom de deathstone. Er waren wel degelijk belangrijke dingen gebeurd bij de zoektocht naar de ziel van Belros, maar de Goden wilden, waarschijnlijk om hun eigen grillige redenen, Valerius niet laten zien wat er was voorgevallen in het domein dat niet voor stervelingen bestemd was.
Inmiddels was Valerius al gewend aan de verschijningen die hij op klaarlichte dag zag. Verschijningen van een prachtig klein meisje dat hem alleen maar aankeek. Ook nu verscheen zij achter Skylar en keek voorzichtig om de massieve vechter heen.
Hoewel het meisje er zeer onschuldig uitzag, begreep Valerius dat zij een belangrijke cruciale rol speelde in het ontcijferen van zijn eigen geheugen. Dat deel van zijn herinneringen dat hij wanhopig probeerde te bereiken.
Valerius keek het kleine meisje indringend aan, alsof hij hiermee een antwoord op al zijn vragen zou krijgen.
Ongemakkelijk volgde Skylar de blik van Valerius en keek achter hem naar beneden.
Description: Josephine_DeathDe magiër was er inmiddels al aan gewend dat andere mensen het kleine meisje niet zagen en reageerde dus ook diplomatiek toen Skylar hem vragend aankeek. “Nee, ik had een theorie over de mogelijke terugkeer van Belros en was in gedachten verzonken.”, loog Valerius ongemakkelijk.
“Misschien is die theorie niet langer nodig, want Belros is inmiddels bij. Daar kwam ik u ook over inlichten.”
De schok bij Valerius was groot bij het horen van dit goede nieuws. “Laten we onmiddellijk naar hem toegaan, want dit is geweldig nieuws!”
Voor het eerst in al die keren dat Valerius het kleine meisje had gezien, leek het alsof zij een hem een kleine glimlach toewierp. Onmiddellijk hierna nam zij haar, voor Valerius vertrouwde, neutrale, onleesbare houding weer aan en verdween achter Skylar, die zich omdraaide en schijnbaar dwars door het kleine meisje heen beende richting de deur. Echter, het meisje was alweer verdwenen. Iets waar ze enorm goed in was.
Valerius volgde Skylar de bibliotheek uit om zelf getuige te zijn van de daadwerkelijke terugkeer van Belros. Toen hij de deur achter zich dicht trok en op een holletje achter Skylar aan wilde gaan, schrok hij van het meisje dat plots voor hem stond in de gang. Ze siste zachtjes: “It’s coming!”, en verdween toen als sneeuw voor de zon. Valerius kee achter zich de lege gang in om zicht ervan te verzekeren dat hij dit zich zeker ingebeeld had.
Hierna liep hij met het zweet in zijn handen richting de slaapkamer van Belros.

In de kamer van Belros stond Marcus al naast zijn bed. Belros zat rechtop en plukte hier en daar wat aan het verband dat vakkundig om zijn borst was aangebracht.
Bij het binnenkomen van Valerius glimlachte Belros flauwtjes.
“Ik kan me niets meer herinneren. Marcus vertelde me net dat ik terug ben gehaald uit het dodenrijk.”, zei hij hulpeloos.
“Kun je echt niets meer terughalen van wat er gebeurd is?”, Valerius keek Belros hoopvol aan.
Belros gromde pijnlijk toen hij iets meer rechtop wilde zitten in zijn bed.
Dit was voor Stellar het teken dat hij de bezoekers van de patiënt kon gaan melden dat de bezoektijd voorbij was.
“Sorry dat jullie zo kort bij heer Belros konden zijn, “ sprak hij met een diepe stem, “maar hij moet nu echt eerst zijn rust nemen. Ik kijk nog een keer naar zijn wonden en dan kan heer Belros de herstellende slaap gaan pakken.” Hierna bleef Stellar demonstratief naar de deur kijken.
Bijna teleurgesteld vertrokken Marcus, Skylar en Valerius na het zeer korte ziekenbezoek. Tijdens dit korte bezoek hadden ze het belangrijkste in ieder geval gezien; Belros was na zes dagen ontwaakt uit zijn coma en zat weer rechtop in zijn bed. Hij zou zeker gaan herstellen. Omdat het nieuws van het ontwaken van Belros als een lopende vuurtje door de tempel heen ging, wisten waren binnen korte tijd alle bewoners van de tempel op de hoogte en leek het of de tempel langzaam weer ontwaakte uit een depressieve trance.

Stellar controleerde kort de verbanden waarin Belros gezwachteld was en knikte kort. De acolieten hadden goed werk afgeleverd.
Description: wounded knight“Hoe is het met Skylar?”, Stellar keek verbaasd op naar Belros. “Heer Belros. Ik nam aan dat u zich niets meer kon herinneren van de resurrectie?” Stellar zag dat Belros worstelde en woordenloos, maar vergeefs zocht naar herinneringen. Na een lange stilte zuchtte hij diep en bracht zijn hand naar de rechterkant van zijn gezicht: “Hier was Skylar volgens mij geraakt. Klopt dat?”, Stellar knikte kort ter bevestiging en vroeg toen met zijn kenmerkende diepe stem: “Zijn rechteroog hebben we niet meer kunnen redden. Verder maakt hij het naar omstandigheden goed. Kunt u zich nog meer herinneren van de resurrectie?” Belros schudde teleurgesteld zijn hoofd. Hierop zuchtte Stellar enigszins opgelucht. Na een korte stilte, sprak de Deathwatcher gebiedend: “U moet nu rusten, heer. De wonden die u heeft opgelopen bij het terugbrengen kunnen niet op magische wijze genezen worden en zullen via de natuurlijke weg moeten helen. Gelukkig heeft u een sterke conditie en zult u snel weer op de been zijn.” Belros gaf een korte instemmende knik en hierna liep Stellar naar de deur.
Voordat hij de deur achter zich sloot keek hij nog eenmaal om naar de zwaar gehavende Belros die met gesloten ogen in het bed lag. Tegelijk dacht hij terug aan het moment waarop de groep Belros terug bracht en als vanuit het niets de verwondingen die eenieder in het hiernamaals had opgelopen, op de lichamen rondom de Deathstone verschenen. Met name Skylar had het uitgeschreeuwd van de pijn en het rechteroog dat als vanuit zichzelf wegbrandde, bezorgde hem nu nog de rillingen.
Zijn meest belovende leerling, had Stellar vast gepakt bij het ontwaken naast de Deathstone en met zijn laatste adem gefluisterd: “Zelfs in de Hemel zijn er Engelen die gevaarlijke zwaarden dragen. En zij vechten het hardst om de meest pure zielen te behouden. Tot snel, meester.” Hierna was hij bezweken onder zijn gruwelijke verwondingen. Langzaam maar resoluut liet Stellar de deur in het slot vallen.

De zachte klik van de deurklink die in het slot viel, klonk voor Belros als een oorverdovende klap op een aambeeld en geschrokken opende hij zijn ogen. De schaduwen die de enige kaars in de kamer op de muur wierp leken in een soort schimmenspel de verontrustende droom na te spelen die Belros gedurende zijn coma was bijgebleven.
Hij bevond zich in een compleet witte kamer  en zat achter een smetteloos witte tafel. Verder was de kamer compleet leeg.
Langzaam vormden de schaduwen op de muur in zijn slaapkamer het silhouet van een konijn…

Belros keek in de witte kamer hulpeloos om zich heen en ontdekte dat zonder kleurschakeringen het bijna onmogelijk was om afstanden in te schatten. Hij had dus ook geen enkel benul van de afmetingen van de kamer. Voor de tafel ontdekte hij plots een donkere woestijnhaas. Net toen hij voorover wilde buigen om het dier wat beter te bekijken veranderde de woestijnhaas in een afzichtelijk wezen dat op een bijna waanzinnige manier samen gesteld leek te zijn van allerlei verschillende dieren. Belros siste door zijn tanden: “Lycantroop!” en greep impulsief naar zijn zwaard. Hij kwam tot de verontrustende ontdekking dat zijn schede leeg was.
“Geen Lycantroop!”, gromde het wezen, terwijl hij langzaam van gedaante veranderde. “Theriantroop. Iemand met de gave om in allerlei verschillende dieren te veranderen. Dus een stuk verfijnder dan een lycantroop.”
Belros keek het wezen aan en vroeg met krachtige stem: “Wat doe ik hier?”
Het monster brulde ongeduldig en sprak daarna met grommen en snauwen: “Luisteren! Dat doe je hier. Als Moeder het me niet verboden had, zou ik je al lang uit elkaar getrokken hebben. Maar ze heeft mij de taak gegeven om jou te vertellen dat je in een verkeerde richting kijkt. Je let teveel op mij, mijn broers en mijn twee zusters, terwijl het gevaar hierdoor juist van achteren zal komen. Jij maakt je druk over materiële en aardse zaken, waarvan je geen sterfelijk besef hebt, wat deze zaken nu eigenlijk zijn. En voor welk groter doel zij zijn geschapen. In onze taak om de Soul of the Desert weer bij elkaar te brengen probeer jij ons te dwarsbomen. En dit terwijl the Soul of the Desert het enige is dat de echte vijandkan vinden; jouw vijand en die van de Woestijn, van haar bewoners en uiteindelijk van de rest van de wereld. Als zij weer compleet is, maken we nog enige kans om dit eeuwenoude kwaad te stoppen, voor het te laat is.”
In de korte stilte die het wezen liet vallen, stelde Belros een vraag: “Wie is deze vijand dan?”
Het wezen gromde en huilde diep vanuit zijn keel: “Wanneer je de juiste kant op kijkt, zal alles als vanzelf duidelijk worden.” Achter het wezen vervaagde een witte muur om plaats te maken voor een woestijnlandschap.

De schaduwen speelden op de muur van de slaapkamer en veranderde een groot schaduwachtig wezen in de contouren van een oud half begraven gebouw…

Achter het wezen had de witte muur inmiddels plaats gemaakt voor een woestijngezicht waarin een oude ruïne de aandacht trok.
“Hier zal jouw reis naartoe leiden. Het laatste deel van the Soul of the Desert bevind zich hier. In handen van een oude bekende.”, het geluid dat het wezen hierna maakte leek nog het meest op de lach van een hyena. Hij dient het eeuwenoude kwaad maar is onwetend in wie daadwerkelijk aan de touwtjes trekt.”
De ruïne werd langzaam in duisternis gehuld en het leek alsof de contouren van een gigantische verwrongen schedel zichtbaar waren in deze schaduw. Uit de schaduw kwam langzaam een persoon naar voren lopen.Description: desert avatar animals
“De man die de scherf van the Soul of the Desert in zijn bezit heeft, is zonder zijn weten, ook slechts een stuk in het grote Spel en zeker niet de Meester die de stukken beweegt. Daarom is het belangrijker dat je ons the Soul of the Desert compleet laat maken, dan een stuk op het speelbord te verwijderen. Want als wij the Soul of the Desert in handen hebben, kunnen we de Meester van het Spel vinden en de bron van dit oprukkende kwaad bij de kern aanpakken.”, het wezen zweeg weer even, alsof het spreken een aanzienlijke inspanning voor hem moest zijn. Belros wilde vragen stellen, dingen weten, maar merkte dat hij zich er niet toe kon zetten om te spreken.
Terwijl de persoon langzaam uit de gigantische schaduw trad, hervatte het dierlijke en monsterlijke wezen zijn relaas, terwijl hij wees op de persoon die uit de schaduw van de ruïne stapte: “Wij, mijn broeders en zusters en ik, kunnen de drie andere delen niet veel langer veilig houden, want hij is ook op zoek naar the Soul of the Desert om zijn Meester te beschermen. We hebben hem moeten laten weten dat wij de overige delen in ons bezit hadden om zo een geplande massale aanval op jouw tempel te voorkomen. Dit had onnodig veel levens gekost en hoewel ik hier niet veel om geef en het voordeel ervan had in gezien om hen jouw tempel te laten aanvallen, heeft Moeder anders besloten. En aan Moeder haar wijsheid kan ik niet twijfelen. Kijk nu goed naar de locatie en de drager van de scherf. Over vier dagen vertrekt hij met zijn volgelingen en zal dan op zoek gaan naar de overige drie fragmenten. De grootste kans om een woestijnleeuw te verslaan maak je door hem te verrassen op zijn eigen gebied. Deze regel geldt in dit geval ook. Verras hem in zijn eigen schuilplaats.” Belros zag het wezen veranderen in een zandadder en langzaam van hem wegkruipen.

Op de muur namen de schaduwen een slangachtige, sliertige vorm aan en dansten vervolgens weer naar een ander silhouet; het silhouet van een slanke, gewapende man…

Belros keek de slang na, terwijl deze langzaam uit het zicht verdween. Weer had hij geprobeerd om de slang al zijn vragen na te schreeuwen, maar weer lieten zijn keel en stembanden hem in de steek. Vanuit de verte hoorde hij de slang met de grommende stem van het wezen zeggen: “Let niet op mij. Je zult mij toch gaan vergeten. Let op datgene wat voor je tentoon gesteld wordt.”
In antwoord hierop keek Belros terug naar de ruïne, de doodshoofdschaduw die boven het gebouw hing en de persoon die inmiddels herkenbaar uit de schaduw naar voren kwam. Belros wist dat hij dit gebouw nog nooit in zijn leven eerder had gezien, maar wist tegelijk dat hij later onfeilbaar de weg zou kunnen vinden naar deze ruïne. Het tegenovergestelde was waar voor de persoon die zich inmiddels van de schaduw had los gemaakt. In de verte voor de ruïne stond de onmiskenbare, slanke  gestalte van de leider van de voormalige Black Hand; Maximillam de Ténébreux! Onder zijn zwarte harnas haalde hij een ketting waaraan een grote, paars gekleurde steen hing die flonkerde in het zonlicht. De Ténébreux keek langzaam in de richting van Belros en lachte een dunne sinistere lach. De doodshoofdschaduw boven de ruïne leek met de anti paladin mee te lachen.

Het bed van Belros was inmiddels klam van zijn zweet, toen een onverwachte bries de kleine kaars uitblies en een einde maakte aan het shaduwspel op de muur. Belros viel kort hierna in een onrustige, diepe en droomloze slaap.