Salt – Verhalen Uit De Woestijn III

 
Het leven voor de Moad Sharib stam was veranderd sinds Kadir al Sharaff hen ontvallen was.
De Moad Sharib waren een trots woestijnvolk. Zij respecteerden de Woestijn, Haar wetten en Haar grillen. Hoewel de wet van de Woestijn soms hard en meedogenloos leek voor hen die niet ingewijd waren in de wijze van de Woestijn, vonden de Moad Sharib vrede in al wat de Woestijn gaf en nam.
Dit kwam zeker ook door de warme woorden die Kadir al Sharaff sprak, wanneer de Woestijn tijdelijk de stam zwaardere ontberingen bracht. Deze warme woorden werden niet langer gesproken sinds zijn vertrek. En juist nu had de stam deze woorden meer dan ooit nodig.

Als de Woestijn Haar beproevingen bracht door een oogst te laten mislukken, geiten of kamelen om te laten komen in een zandstorm, of één of meerdere onoplettende kinderen te laten verdwalen in de Eeuwige Leegte die de Woestijn ook kon zijn, dan vroegen de hulpeloze stamleden Kadir al Sharaff om raad. En dikwijls, wanneer de stambroeders of stamzusters dan over het aan hen gedane onrecht hadden geklaagd, sprak hij over de mooie dingen die de Woestijn een ieder bracht. Dan sprak hij over de oases met drinkbaar water die net op het juiste moment aan de stam geopenbaard werden door Moeder Woestijn. Hij verhaalde over het feit dat tegenover die eindeloze, lege en dorre zandmassa er rotsformaties waren die ons kleuren gaven waarvan menigeen niet eens wist dat zij konden bestaan. Hij vertelde over mensen die dagen, soms weken, in de Woestijn verloren waren gewaand en daarna toch weer gevonden werden door hun families; omdat de Woestijn dit zo had gewild. Omdat de Woestijn ook barmhartig kon zijn. De Woestijn nam immers, maar Zij gaf ook net zo vaak aan hen die ervoor hadden gekozen om Haar wetten te respecteren.
En, wanneer Kadir al Sharaff zo sprak, dan glommen zijn ogen, zijn gezicht werd dan eerbiedig, onderdanig en trots tegelijk. Waardoor de mensen, die vlak hiervoor nog dachten dat de Woestijn een plek was die de Hel op deze wereld zou moeten zijn, dachten, nee, zij wisten, dat Kadir gelijk had en dat de Woestijn vereerd moest worden. Ondanks dat zij soms een wreedheid kon laten zien die hartverscheurend kon zijn, had dit een logica die mensen niet konden begrijpen. Kadir begreep het wel. En daar putten zijn stamgenoten kracht uit.
Natuurlijk putten zij ook kracht uit de woorden die hij vaak sprak, wanneer zijn relaas over al het moois dat onze Moeder Woestijn bood ten einde was. De woorden die hen een richting op wezen om in het oosten naar hun kinderen te zoeken; of de korte boodschap: “De helft van je veestapel is nog te redden uit de zandput ten Westen van ons dorp.” En altijd had Kadir het bij het juiste eind.
Hij werd zelfs bezocht door wanhopige mensen van andere stammen die ervan overtuigd waren dat verdriet en drama hen was toegebracht door de Woestijn. En zelfs voor hen, had Kadir warme woorden en regelmatig nuttige adviezen.

Kadir was de ongekroonde profeet van de Woestijn, de stem van Zij die Geeft en Neemt.

Kadir vereerde Moeder Woestijn zoals niemand anders dit kon, want, wie kon de Woestijn nu vergeven dat zijn of haar dochter of zoon moest omkomen? Om vervolgens te bedenken dat voor dit vreselijke offer, een hele stam of familie maandenlang kon voortbestaan en leven van Moeder Woestijn?
Wanneer niet Moad Sharib hier een cynische opmerking over maakten in de trant van dat het wel makkelijk was voor iemand die nog nooit iemand was verloren aan de Woestijn om er op deze manier over te praten. Ja, dan was er altijd wel iemand die deze aanklager terecht kon wijzen en hem of haar kon vertellen dat ook Kadir zijn offers aan de Woestijn had moeten brengen. Ook hij had zijn vrouw en drie kinderen verloren aan de Woestijn. Een onverwachte duinval had zijn familie onder het zand bedolven en hem als bij een wonder gespaard. En hoewel zijn verdriet hartverscheurend was geweest en hij drie weken niet had gesproken, had hij hierna nog steeds de Woestijn niet veroordeeld. Hij was eerder positiever over Haar gaan spreken.

Twee weken geleden begon de man met de immer warme woorden zich opeens anders te gedragen.
Kadir al Sharaff werd snel oud, volgens de overige familie. Zijn stem werd krakerig en hij bewoog zich houteriger dan voorheen. Te snel werd hij oud, riepen sommige bijgelovige stamleden zelfs.
En de zoutkristallen die zich langzaam op zijn huid vormden hielpen natuurlijk mee aan de verhalen dat ook hij, zélfs hij, verdoemd was om gedood te worden door Moeder Woestijn.

Een open geest is moeilijk te vinden bij de stammen van de Woestijn. Dat wist Kadir ook al , voordat hij de roep van de Woestijn hoorde en begreep dat ook hij één van haar avatars zou worden. Of het nu kort of lang zou duren de stam zou hem uit bijgeloof verstoten en overlaten aan zijn Lot in de Woestijn.
Daarom besloot Kadir om het initiatief in eigen hand te houden en zelf afscheid van de stam te nemen. Stamleden die in het verleden ooit waren geholpen met de warme woorden of adviezen van Kadir stonden lijnrecht tegenover de andere stamleden die ervan overtuigd waren dat Kadir de stam moest verlaten omdat hij onheil over de stam zou brengen. Kadir observeerde de discussie waarvan hij het onderwerp was, terwijl het hem opviel dat er door de betogers niet naar hem werd gekeken, maar alleen maar naar hem werd gewezen als was hij een ziek dier dat preventief geruimd moest worden omdat hij de rest van de kudde wel kon infecteren. Zijn huid brandde en langzaam keek hij naar zijn arm die er uitzag als gedroogd vlees dat te lang in een pekelton had gezeten. Toen hij wilde spreken om de menigte tot rust te manen, voelde hij zijn lippen scheuren van vochtgebrek en wanneer hij zijn tong langs zijn lippen haalde om ze te bevochtigen, proefde hij alleen maar bitter zout.
Zonder dat de kibbelende stamleden het zagen, draaide Kadir zich om en strompelde bij het tentenkamp van de Moad Sharib weg.
Pas toen Kadir uit het zicht verdwenen was merkten de stamleden zijn vertrek pas op en drie mannen die het op hadden genomen voor Kadir, besloten om hem achterna te gaan en hem nogmaals te vertellen dat zeker niet alle stamleden unaniem achter zijn verbanning stonden.
Kadir bewoog zich steeds moeizamer voort onder de verzengende hitte van de woestijn. Het voelde alsof zijn gewrichten niet meer wilden buigen omdat zijn huid er zo ontzettend strak overheen was gespannen. Terwijl hij naar zijn benen keek, voelde hij de huid in zijn nek scheuren onder de neerwaartse beweging die zijn hoofd maakte. Hij zag dat er zich een dikke zoutkorst had gevormd om zijn benen en onder deze zoutkorst was zijn vlees verschrompeld tot bijna papier. Kadir moest even stil staan, even op adem komen en dan weer verder gaan. Langzaam deed hij zijn ogen dicht..

De drie mannen hadden Kadir gevonden, of eerder dat wat van Kadir was overgebleven. Zij keken naar een pilaar van zout die ongeveer net zo groot was als hun oude stamgenoot.

Kadir opende zijn ogen omdat hij ver weg een vrouwenstem hoorde die hem vertelde dat hij verder moest. Door een witte, kristallijnen waas, zag hij een bekend gezicht. Het gezicht van zijn stambroeder Udu; de man die enkele jaren geleden zijn dochter was kwijt geraakt in de woestijn en nadat Kadir hem had verteld dat zij waarschijnlijk aan het spelen was bij de oase ten oosten van het kamp, hem dolgelukkig had bedankt toen zij hier inderdaad terug was gevonden.
Moeizaam probeerde Kadir Udu bij zijn arm te pakken om hem te zeggen dat hij terug moest keren naar de stam en het in orde was op deze manier. Maar toen Kadir zijn stamgenoot bij de arm pakte, keek deze verschrikt op en zag Kadir dat bijna onmiddellijk al het vocht uit het lichaam van Udu gezogen werd. Als een verschrompelde mummie viel zijn stamgenoot op de grond en de twee andere stamleden schreeuwden het uit, terwijl zij zo snel mogelijk terug vluchtten naar het kamp.
Kadir had dit nooit gewild en als het zout op zijn lichaam dit had toegelaten, zou er een traan verschenen zijn op zijn door zout wit uitgeslagen gezicht.

De vrouwenstem vertelde hem dat hij afscheid moest nemen van zijn aards bestaan en de Moad Sharib moest vergeten. De woestijn was nu definitief zijn thuis en hij was aangewezen om zijn thuis te verdedigen en dat hij van Haar de middelen had gekregen om dit zo effectief mogelijk te doen.

Alleen was hij sterk, maar als hij zijn door de Woestijn gekozen broers en zusters zou vinden, zouden zij samen onverslaanbaar zijn.
In een oude ruïne vond Kadir een lederen wapenrusting met hierbij een helm die zijn uitgedroogde gezicht zou verhullen. Kadir was inmiddels bijgesproken door de Stem van de Woestijn over het gevaar dat naderde… voor de Woestijn, Haar kinderen en de rest van de wereld. Ook aan hem de eervolle taak om dit gevaar te stoppen.
 

The Heart of the Desert

 
Belros speurde vanaf een zandduin, gezeten op de rug van zijn trouwe metgezellin Destrin, de omgeving af van de woestijn in de hoop ook maar iets te bespeuren van de figuren die zijn tempel hadden ontheiligd. Geen spoor hadden zij echter achtergelaten toen zij de tempel van Astoth hadden verlaten en terug waren gekeerd naar de woestijn.
Hij zuchtte diep en keek in de richting van zijn tempel. Voor de ingang van de tempel zag hij de groep acolieten die had bevolen naar buiten te gaan, om te voorkomen dat zijn ondoden-bewaking hen zou hebben aangezien voor indringers en hen genadeloos had afsgelacht.

“Wat zouden ze nu denken van “The Voice of Astoth”, nu zij zonder enige reden of uitleg uit de tempel waren gezet”? “De geruchtenmolen zou nu wel op volle sterkte draaien”, vermoedde Belros. “Ik moet hier snel gaan handelen om te voorkomen dat er misschien wel een opstand zou kunnen uitbreken!” Nu de teleport-stone niet meer operationeel was, was de aanvoer van voedsel ook gestopt. Belros schatte in dat het een kleine twee weken zou duren voordat er hongersnood zou uitbreken. “Verdorie! Mijn tempel stort in elkaar waar ik bij sta! Er moet een oplossing zijn voor dit probleem, dat kan niet anders!”, en met deze gedachten reed hij op Destrin’s rug terug naar zijn tempel.

Eenmaal aangekomen in zijn tempel, beval Belros zijn priesters om zoveel mogelijk “Create Water and Food”-spreuken in te studeren om zo de voedselvoorraad op peil proberen te houden. Vervolgens ging hij naar Valerius toe, die in bibliotheek van Astoth in de boeken was gedoken om enige aanwijzingen te vinden waarom de tempel van Astoth zonder schijnbaar enige reden was aangevallen, er belangrijke edelstenen waren ontvreemd en zo de gehele tempel was ontwricht.

Belros vond Valerius aan een bureau bezaaid met tientallen opengeslagen boeken, gebogen over een groot vel papier waarop de magiër op diverse plekken stukjes tekst had geschreven. Die stukken tekst waren allemaal omcirkelt en sommige van deze omcirkelde stukjes tekst waren middels lijnen direct met elkaar verbonden. Langs deze lijnen had Valerius ook weer woorden geschreven. Het werd Belros bijna duizelig voor de ogen bij het zien van al die cirkels en lijntjes. “Zeg, je weet toch hopelijk wel waar al die boeken weer stonden, hoop ik?”, gromde Belros, duidelijk uit zijn doen. Toen hij geen reactie kreeg van Valerius, die nog steeds op het grote vel papier aan het schrijven was, vroeg hij met een iets mildere stem: “Weet je inmiddels al wat meer?”.

Hierop stopte de magiër even met schrijven en keek Belros afwezig aan, alsof er nog in zijn hoofd verbanden werden gelegd tussen de verschillende stukken tekst die hij had gelezen in de diverse boeken. Toen hij Belros eindelijk gewaar werd, begon de magiër een korte samenvatting te geven van hetgeen hij tot nu toe had gevonden. “De drie edelstenen die ontvreemd zijn uit jouw tempel, worden ook wel de Shards genoemd. In een van de boeken hier wordt geschreven over een speciale eenheid van Astoth die naar deze Shards heeft gezocht en ze klaarblijkelijk heeft gevonden en ze heeft ondergebracht in jouw tempel. Deze drie Shards vormen samen met een vierde Shard “The Soul of the Desert”. Het feit dat in je tempel ‘slechts’ drie van de vier Shads zich bevonden, gaf jouw tempel al enorm veel macht en zorgde ervoor dat jouw tempel onderdeel was van de woestijn”.

Valerius volgde op zijn grote vel papier een lijn die een omcirkelde stuk tekst verbond met een ander omcirkeld stuk tekst. “Er is een verband tussen deze Shards en de Avatars van Moeder Woestijn”. Valerius keek Belros nu doordringend aan en sprak, “de Avatars zijn aspecten van Moeder Woestijn en het is hun taak om de balans te bewaren. En was het nu niet een van de figuren die we tegenkwamen in jouw tempel die ook over de balans sprak die moest worden hersteld? Het zou dus goed kunnen dat de Shards in jouw tempel zijn gestolen door de Avatars van Moeder Woestijn met als doel de Balans te herstellen. De vraag is welke balans zij willen herstellen…”

Valerius ging verder en zijn vinger volgde een nieuwe lijn naar een ander omcirkeld stuk tekst. “Ook jouw ondoden-bewakers, vroeger zelf paladijnen van Astoth, zijn ontstaan uit de kracht van deze Shards”. Nadat Belros deze informatie op zich had laten inwerken, zei hij tegen Valerius: “Staat er meer informatie over deze Avatars in de boeken? Of over deze Shards?”. “Geen woord, geen tekening, helemaal niets”, antwoordde Valerius en hij keek opnieuw peinzend naar zijn vel papier met de cirkels en lijnen en korte stukken tekst.

“Nou, als we de informatie niet hier kunnen vinden, moeten deze elders gaan zoeken”, sprak Belros. Ik weet dat er ongeveer op een dag reizen hiervandaan een berber dorp is. Wellicht dat zij ons meer informatie kunnen geven. Niet geschoten is altijd mis en de tijd begint nu echt te dringen!”.

Voordat Belros met zijn twee vrienden vertrok, informeerde hij naar de aanwezigheid van de Shadout, maar zijn priesters hadden haar nog niet zien terugkomen in de tempel. Zij hadden wel het gerucht gehoord dat de Shadout naar een bijeenkomst van de Coven was afgereisd om een of ander onheil af te wenden…

Een uur later waren Belros, Marcus en Valerius klaar om af te reizen. Belros had ook besloten om drie extra personen uit zijn tempel mee te nemen. In het geval Belros verder zou afreizen vanaf het berber dorp, dan zou hij deze boodschappers naar zijn tempel terugsturen om dit nieuws door te geven. Vanwege de woestijnhitte verruilden Belros en Marcus hun zware wapenuitrustingen nog wel voor de lichtere leather armors.

De weg naar het berberdorp verliep zonder problemen en het was inmiddels bijna nacht. Eenmaal in het dorp merkte de groep onmiddellijk dat er iets niet klopte; er was werkelijk geen mens op straat te zien. De groep reist de straten verder af naar het centrum van het dorp waar in het midden een kleine kerkhof lag. Belros zag dat nabij deze plek ook het grootste huis van het hoofd van dit dorp was gelegen en stuurde Destrin die kant op. Eenmaal aangekomen bij dit huis, merkte hij opnieuw op het stil het hier wel was. Het was alsof het hele dorp zijn adem in hield op wat komen zou…

Terwijl Belros met getrokken zwaard naar binnen liep, vergezeld met een van zijn acolieten naar binnen ging, voerde Marcus een Detect Evil uit. Het resultaat hievan voorspelde niet veel goeds. Het gehele dorp voelde evil aan en ook Destrin gaf mentaal door aan Belros dat het gehele dorp naar de dood rook. Belros liep inmiddels in het huis rond van de leider van dit dorp en ook binnen was het doodsstil. De etenswaren lagen hier te rotten en gaven het gevoel dat de bewoners alles in allerijl hadden achtergelaten en het dorp hadden verlaten.

Marcus was inmiddels ook het huis genaderd tot de deuropening en zag opeens tot zijn grote schrik dat uit de grond vanachter Belros en zijn acoliet, een wezen omhoog schoot, die zich stortte op de ongelukkige acoliet. Marcus reageerde bliksemsnel en begon meteen het wezen te turnen. Dit lukte en het wezen dook meteen de hoek in. Belros gaf een deel van zijn Lay-On-Hands aan zijn gewonde acoliet en kon deze gedeeltelijk genezen aangezien het bot in zijn been was gebroken.

Hierna vestigde hij zijn aandacht op het wezen in de hoek. Hij herkende het wezen als een vampierachtig wezen en het was sterker dan het in eerste instantie leek. Verder herkende hij aan de kleding dat het wezen vroeger een bewoner moet zijn geweest van dit dorp… Normaliter had de turn van Marcus het wezen moeten vernietigen. Belros begon vervolgens op het figuur in te hakken, maar opeens kreeg hij een mentale ‘brul’ van Destrin. Ook zij werd aangevallen! Belros maakte korte metten met dit wezen en snelde toen snel naar buiten.

Ondertussen waren Marcus, Destrin en Valerius hevig in gevecht met drie gevleugelde vampierachtige wezens die hen van alle kanten leken aan te vallen. Nadat Marcus zijn brooche, een geschenk van Valerius had geactiveerd, turnde hij twee van de die gevleugelde vampieren, die in één klap in as werden veranderd. De laatste vampier werd door Destrin en een goed geplaatste Magic Missile van Valerius voorgoed uitgeschakeld.

Er klonken meer voetstappen in de duisternis en ook boven de hoofden van de helden klonk het geluid van vleugels in de duisternis, een duistere voorbode van wat zou komen… Opeens verscheen in een heldere vlam in het midden van het kerkhof nog een wezen. Dit was duidelijk de leider en hij was gekleed in kleding die duidelijk niet van deze omgeving was, maar duidde op een meer nubische oorsprong. Wat nog meer opviel was dat zijn ogen helder blauw waren. Met grimmige ogen keek hij naar de groep helden en sprak, “I am the servant of Arkh-Nadim and you will be fed upon!”. Met deze woorden werd de groep helden aangevallen. Marcus en Belros begonnen opnieuw met turnen en keer op keer wisten zijn met hun turns, de vampierachtige wezens tot stof te veranderen!

Opeens sprak het wezen een aantal archaïsche woorden uit en wees zijn vinger naar één van de acolieten die zich links van Valerius bevond.

Een zwarte straal trof diens hart en hij stortte levenloos ter aarde. Valerius herkende deze spreuk als een necromantische Deathray.
Het gevecht ging verder en er was geen tijd om te treuren over de gestorvene. Meer turns van Belros en Marcus en meer vampieren werden vernietigd. Langzaam trok de groep zich terug en ook de leider verdween opeens in het niets. Valerius verlichtte nog hun terugtocht met een welgerichte Fireball.
De groep wist niet hoe lang het zou duren voordat de vampieren zich zouden hergroeperen en ze besloten op de voet het dorp te verlaten; ze moesten ook wel want de kamelen waren door de vampieren geheel verorberd. Dit lukte en na een flink stuk lopen stopte zij op een duinpan. Belros draaide zich om richting het dorp en zag tot zij n verbazing dat het gehele dorp in een rode gloed was gehuld; het gehele dorp stond in vuur en vlam! De groep zag dat een aantal zwarte figuren in allerijl het dorp verlieten. Aan de rand van het dorp zag de groep een ander wezen staan, waarvandaan de gloed leek vanaf te komen. Na een tijdje verdween ook dit figuur.De groep besloot de nacht door te brengen op de duinpan. De volgende morgen was Belros als eerste wakker en hij merkte direct op dat daar waar eens het dorp had gelegen, een glinstering was, die hem belemmerde goed naar die plek te kijken. ttp://www.amoeba.com/dynamic-images/blog/Job/fire.jpg
Hij maakte de anderen wakker en ze besloten opnieuw de richting op te gaan waar eens het dorp had gelegen. Toen de groep dichterbij kwam, werd de oorzaak van de glinstering duidelijk. Door de hitte van het vuur dat het dorp met de grond had gelijk gemaakt, was de toplaag van het zand hier veranderd in glas. Werkelijk niets was er over van het dorp. Er werd nog gekeken naar de plek waar Belros gisteren het figuur in de verte had gezien. Het bleek duidelijk dat hiervandaan het zand in glas was veranderd. Vanuit deze plek was het vuur ontstaan dat het gehele dorp had verlost van al het kwaad…
Het was tijd om weer terug te keren naar de tempel van Astoth. Om geen tijd te verliezen door het terugreizen, werd besloten middels de teleport-spreuken van Valerius terug te keren naar de tempel. Zo gezegd, zo gedaan. Eenmaal in de tempel aangekomen, sloot Valerius zich opnieuw op in de bibliotheek van Astoth om meer te weten te komen over de naam Arkh-Nadim. Na een aantal dagen van onderzoek (en een nieuw vel dat Valerius weer volgeschreven had met cirkels en lijnen) kwam Valerius met het volgende:

– De naam Arkh-Nadim is verbonden met een geschiedenis, die ouder was dan het geschreven woord.
– Arkh-Nadim was een zeer machtige en wrede tovenaar geweest. Maar hij was ook een ijdele tovenaar geweest en hij was ook bekend onder de naam “The Tyrant of the Desert” genoemd.
– Vlak voor zijn overlijden had hij zich verdiept in het Lichdom en na zijn dood in een lich te zijn vernaderd, ging hij verder met zijn wreedheden.
– Arkh-Nadim opende zelfs de jacht op andere liches, ging de strijd met hen a an en nadat hij hen had verslagen, nam hij hen kracht over.
– Arkh-Nadim groeide uit tot een lichking. Dit alles speelde zich af in een tijd waar op dat moment deze omgeving zeer bosrijk was.
– Op een gegeven moment stonden er Krachten op om Arkh-Nadim te doden. Bij het gevecht dat toen volgde, veranderde het landschap in een woestijn.
– Twee krachten raakten dodelijk gewond tijdens het gevecht met deze lichking. Na hun dood werden zij door de goden aan gewezen om weer leven te brengen in dit gebied.

ttp://images4.wikia.nocookie.net/__cb20070520215120/forgottenrealms/images/thumb/d/d6/Szass_Tam_-_Sam_Wood.jpg/250px-Szass_Tam_-_Sam_Wood.jpg
-Arkh-Nadim werd diep onder de grond begraven om nooit van te vernemen.
– Waar liches normaal slechts één phylactery hebben, is het bekend dat Arkh-Nadim er meerder moet hebben gehad.Na dit alles te hebben besproken, stelde Valerius voor middels een Discern Location te achterhalen waar de gestolen edelstenen zich bevonden, zodat ze weer konden worden teruggebracht naar deze tempel. Na een aantal mislukte poging, herinnerde Valerius opeens één van de edelstenen, die was gestolen en die in het steen was geplaatst van de Teleport Stone. De spreuk Discern Location bracht hem beelden van een plek, die het Hart van de Woestijn werd genoemd en hij sprak vurig: “Nu weet ik waar we naartoe moeten gaan om eindelijk wat antwoorden te vinden op onze talrijke vragen!”.
ttp://fc06.deviantart.net/fs22/f/2008/013/d/a/Endless_Desert_at_Night_by_jamieque.jpg
 

De legende van Hitte en Wind

 
De legende van Hitte en Wind
Volgens de overlevering van Ghayat al Hakim, geschiedkundig zanger en dichter aan het hof van Calimsham

Komt allen tot mij en hoor de ballade van Hitte en Wind; twee broers die onafscheidelijk waren in leven en dood en zo de gunst van Moeder Woestijn verdienden.

Hitte en Wind de twee dingen die in één adem genoemd worden door hen die het robuuste leven van de Woestijn kiezen.  Diezelfde ene adem die leven wordt geschonken door de wind door ’s  mans longen en de hitte van ons eigen lichaam.

Hitte en Wind, Moeder Woestijn heeft hen samen met haar andere zes kinderen een plaats gegeven in de habitat die haar schoot vormt en leven kan geven, maar net zo eenvoudig kan nemen. Deze twee broers zijn verkozen voor het evenwicht dat Moeder Woestijn altijd in acht neemt.

Hitte en Wind, broeders zijn zij en onafscheidelijk, want zoals Moeder Woestijn hen de gave heeft gegeven om leven te geven en te nemen, zullen zij het leven eerder nemen dan geven. Tot grote ergernis van de kleine zuster Leven, maar tot vreugde van de abominatie Dood.

Hitte en Wind, ook zij waren vroeger gehuld in de sluier van sterfelijkheid. IJdel was Hitte en trots was Wind. Beiden hadden zij scharen vrouwen aan de voeten liggen, klaar om het hof gemaakt te worden. Maar waar Hitte teveel vurige passie had, was Wind immer vluchtig in zijn romances.

Hitte en Wind, beiden maakten zij de fout om een prinses te willen laten bezwijken voor hun verleiding en hoewel succesvol  besloot de Zulkir van de prinsessen hier een voortijdig einde aan te maken. Prinsessen horen immers geen slachtoffer te zijn van jongemans streken.

Hitte en Wind, de Zulkir verbande de broeders naar het hart van de Woestijn en veroordeelde hen tot een langzame, pijnlijke dood.  Moeder Woestijn zou over het lot van deze charlatans beslissen en nimmer meer zouden zij een prinsessenhart breken of tot wanhoop leiden.

Hitte en Wind, in het hart van de Woestijn wierpen zij beide de mantel der sterfelijkheid af en verwerden zij tot de avatars van Moeder Woestijn, gelijk de verzengende hitte die zij kan brengen, maar ook de verkoeling van de ochtendbries die uit het Noorden van de zandvlakte aandraagt.

Hitte en Wind, twee broeders die elkaar aanvullen, compenseren en soms tegenspreken. Dank Wind wanneer hij verkoeling biedt als Hitte zijn gram spreekt. Dank Hitte wanneer hij zijn broeder Wind op een koude woestijnnacht de ondraaglijkheid van snedige kou weet te verdrijven.

Hitte en Wind, vreest hen beiden wanneer hun gezamenlijke toorn bewaarheid wordt en zij de handen ineen slaan om grootse stormen te brengen die het leven uit ieder woestijnkind kunnen blazen met vurige passie.

 
 
 
 

Sand

 
Hamdi el Fatoui wachtte een grootse toekomst.’
Dit had de Moesa van zijn stam in ieder geval altijd al gezegd. Al vanaf het moment dat Hamdi, samen met de andere kinderen van zijn stam zich voor de tent van de medicijnman verdrongen om te luisteren naar de spannende verhalen over vroeger, die de oude tandenloze man met zijn krakerige stem kon vertellen.
Net zoals Sarima, met de sterkste krijger van de stam zou gaan trouwen, wachtte Hamdi een grootse toekomst.
Hamdi hoopte in die tijd natuurlijk wel dat zijn grootse toekomst dan zou zijn dat hij de sterkste krijger van de stam zou worden. Want Sarima was tenslotte het allermooiste meisje dat hij in zijn leven had gezien.

Wanneer Hamdi aan de Moesa vroeg wat die grootse toekomst voor hem dan zou zijn, lachte de meest wijze man van de stam een tandenloze lach en gaf antwoorden als: “De toekomst toont zich vanzelf wanneer hij dit nodig acht.”, of: “Luister naar de stem van de Woestijn en misschien fluistert Zij het je wel in.” Hierna liep de oude man direct zijn tent weer in of was schijnbaar ontzettend druk met iets anders, waardoor hij geen tijd meer had voor Hamdi.

In ieder geval groeide Hamdi op met het mysterie van zijn ‘grootse toekomst’.
Toen Hamdi voor de 18e keer de wenteling van de wereld had meegemaakt, wist hij bijna zeker dat hij de grootste krijger van de stam zou worden, want Sarima had inmiddels heel duidelijk laten merken dat zij voor Hamdi meer gevoelens had, dan voor de andere jongens die in de rij stonden om indruk op haar te maken.
Groot was dan ook de schok voor Hamdi, toen de vader van Sarima op een avond rond het stamvuur opstond en aan alle mannen en jonge jagers meedeelde dat hij het meest prachtige nieuws had.
“Mannen van de Mozaï al Badr, ik heb verheugend nieuws.”, had hij vrolijk geroepen: “Mijn parel van een dochter, Sarima, zal over enkele weken uitgehuwelijkt worden aan de oudste zoon van het stamhoofd van de Bedrahin. Naast een gelukkig en fortuinlijk leven, zal Sarima hiermee ook de banden tussen de Mozaï al Badr en de Bedrahin verstevigen. Een band waarbij ieder lid van de stam zal welvaren. Laten we nu drinken op het geluk van onze stam, onze families, de Bedrahin en ook op het geluk van Sarima.”
De woorden galmden nog na in de oren van Hamdi, waardoor het gejuich van de mannen rond het vuur, verstomde.
Langzaam keek Hamdi de cirkel van mannen rond. Hier en daar stonden mannen op om Sarima’s vader complimenteus op zijn schouder te slaan. Aan de overkant van het stamvuur zat de Moesa en grijnsde een vormeloze grijns naar Hamdi.

In de weken hierop volgend ging Hamdi el Fatoui zich steeds roekelozer gedragen tijdens de jacht.
Enkele andere jonge jagers hadden hierover al hun beklag gedaan omdat ook zij in gevaar kwamen door de onvoorspelbare acties die Hamdi uithaalde.
De strenge woorden van Hamdi’s vader, bekend binnen de stam als een uiterst bekwame jager, leken ook geen invloed te hebben op zijn onbezonnen zoon.

Twee dagen voordat de stam van de Bedrahin zich zouden verenigen met de de Mozaï al Badr om het aanstaande huwelijk te vieren, vertrokken de jonge jagers om de laatste dieren die nodig waren voor de grootse bruiloft te vangen.
Er was een groepje Dunedragons gespot op een halve dagreis van het Mozaï kamp. Dunedragons zijn hele grote hagedissen die berucht zijn om de wrede manier waarop zij het vee van Berberstammen kunnen aanvallen. Met een gerichte beet, kunnen ze in een tel het been van een volwassen man afbijten, dus de jacht op deze beesten is zeker niet zonder risico’s.
De Dunedragon wordt echter ook geroemd om zijn smaak. Het zachte, blanke vlees van deze dieren smaakt met de juiste kruiden en bereidingswijze, lekkerder dan het vlees van de beste kameel of geit.
Het schieten van één, of nog beter, twee Dunedragons, zou het huwelijksfeest voor de komende dagen van koninklijk vlees voorzien. Om nog maar te zwijgen van de status en respect die de jagers van de Mozaï zouden afdwingen met het vangen van deze beesten.

Vlak voor zonsopgang hadden de jonge jagers zich verzameld aan de rand van het tentenkamp.
Usem, een geharde jager en krijger van de stam keek bedenkelijk naar de zandduinen die langzaam kleur kregen door de opkomende zon. Zijn donkere huid, was door een overvloed aan warmte en zon donkere en leerachtig geworden. Hij keek naar de hemel en snoof kort de frisse ochtendlucht op.
“Er komt een zandstorm aanzetten nadat de zon naar haar hoogste punt is geklommen en alweer bijna onder de horizon is verdwenen. Zorg ervoor dat jullie voor die tijd terug zijn en laat je niet grijpen door de klauwen van Moeder Woestijn.”, gromde de oude jager. “Het mag niet zo zijn dat de Woestijn meer neemt dan dat zij geeft, dus als jullie voor het middaguur de Duindraken niet gevonden hebben, komen jullie terug en maken onze vrouwen een vorstelijk maal van geitenvlees.”

Nadat de jonge jagers instemmend hadden geknikt, draaide Usem zich om en stapte richting het tentenkamp. Hierna vertrokken de jongens met de gezonde spanning in hun lijf die hoort bij een tocht naar groot wild.
Toen Hamdi zich omdraaide en nog een keer naar zijn kamp dat langzaam kleiner werd keek, zag hij de Moesa aan de rand van het kamp. De medicijnman leunde op de knoestige stok die hem hielp bij het lopen. Hamdi kon zich niet aan de indruk onttrekken dat de man een brede tandenloze lach tevoorschijn had getoverd voor de jonge jagers. Vanuit de verte zag hij de mond van de Moesa bewegen en Hamdi dacht te kunnen opmaken dat de oude, gebarsten lippen van de man de woorden: “Grootse toekomst”vormden. Hamdi vloekte binnensmonds naar de oude medicijnman. Hij was tenslotte al die tijd een grote leugenaar geweest. Want, Sarima ging helemaal niet trouwen met de sterkste krijger van de stam. Zij was uitgehuwelijkt aan de zoon van een andere stam. Wat had het leven nog voor zin zonder Sarima? Verbitterd draaide Hamdi zich om en richtte zich op de jacht; ze zouden al die mannen van de Bedrahin in hun hemd zetten door twee Duindraken mee te nemen.

De jacht verliep niet zoals gepland. Met name omdat de Dunedragons zich gedurende dag totaal niet lieten zien. De sporen van de grote beesten waren er voldoende, de dieren zelf echter niet.
Aznag, een jonge, veelbelovende jager, had al meerdere keren aangegeven dat de groep terug moest keren naar het kamp. Hier in de openheid van de Woestijn waren ze niet opgewassen tegen de storm die Usem had aangekondigd. Hamdi had echter continu druk uitgeoefend om door te gaan en verleidde de andere, jonge jagers met verhalen over hoe zij onthaald zouden worden met een grote Duindraak die zij geschoten hadden.
Nu de zon al enige tijd aan haar afdaling was begonnen en de groep eigenlijk te ver van het kamp verwijderd was om voor het donker terug te kunnen keren, hield Aznag de groep weer staande.
Dit keer was hij adamant in zijn eis om terug te keren. De mooie woorden van Hamdi hielpen ook niet meer om de moraal hoog te houden bij de andere jagers en ook zij kozen partij voor Aznag.

Woedend had Hamdi gezegd dat ze allemaal laffe hyena’s waren en dat hij desnoods in zijn eentje de eer van de hele stam hoog zou houden. Hij moest en zou een Duindraak doden. Vervolgens was hij in rap tempo over de dichtstbijzijnde duinpan geklommen om de sporen van de grote hagedissen te volgen.
Aznag wilde met de groep nog even wachten tot Hamdi zou bekoelen en op rassen schrede terug te keren, maar toen hij aan de horizon de donkere stuifwolk van de aanzwellende storm zag verschijnen, besloot hij om de jonge jagers zo snel mogelijk terug naar het kamp te brengen.

Het rondrazende zand striemde het vlees van Hamdi, maar toch wilde hij van geen wijken weten.
Als hij met een Duindraak terug kwam, zou iedereen weten dat hij de toekomstige man van Sarima had moeten zijn. Door de huilende wind om zijn hoofd kon Hamdi zijn eigen ademhaling niet eens meer horen. Ademen ging hem toch al moeilijk af omdat het fijne zand genadeloos op zijn monddoek beukte en langzaam door de stof heen een weg naar zijn mond en neusgaten vond.
De wind leek onverstaanbare woorden te schreeuwen en toen Hamdi bij zinnen was gekomen en zich weer bij zijn stamgenoten wilde voegen, wist hij al dat hij inmiddels te laat was.
Zijn sterke benen zakten weg in het opwaaiende zand en binnen enkele minuten was hij uitgeput.
Toen hij zich verslagen liet vallen in de zandstorm, voelde hij een soort overgave.
De Woestijn zou hem claimen, veel te jong en dus oneerlijk, maar Hamdi had Haar die kans zelf gegeven door zijn overmoedigheid. Met een laatste krachtinspanning en een mond vol zand, vervloekte hij Moeder Woestijn. Heel even leek de wind te stoppen en Hamdi keek half onder het zand begraven omhoog. Met droge zandkorsten op zijn vochtige oogleden, keek hij naar de hemel, terwijl rondom hem de storm furieus tierde. Hamdi besefte ver weg dat hij in het stille oog van de storm zat. Hij vloekte nogmaals: “Sterf Moeder Woestijn, met al je woestijnstammen en stormen en dieren erbij! Sterf onder de vernietigende zon! Ik haat je!”
Uitgeput liet Hamdi zijn hoofd zakken en het leek of de wind achter hem verstaanbare woorden huilde. De wind leek te roepen: “Incarnation, Hamdi el Fatoui, Incarnation”
Tijd om zich om te draaien naar het geluid kreeg Hamdi niet, want voor zijn gezicht spatte de woestijngrond in een fontein van zand uit elkaar. Een gigantische stofexplosie verblindde Hamdi en toen hij het zand bijna had kunnen wegknipperen uit zijn ogen zag hij een reusachtig wezen voor hem staan. Het wezen leek helemaal van zand te zijn gemaakt en keek minachtend op hem neer.
Verstomd keek Hamdi naar het zandwezen dat boven hem uittorende.

Het wezen keek naar beneden en lachte een sinistere, tandeloze lach. Als Hamdi niet beter had geweten zou hij bijna zeggen dat hij deze lach herkende. En toen sprak het wezen met een stem als zand dat met grote snelheid een put instroomt: “Hamdi al Fatoui, de Woestijn, Zij sterft nooit!”, de stem bulderde alsof hij een zandstorm van zichzelf zou veroorzaken: “Zij heeft jou uitgekozen om haar te vertegenwoordigen en te zorgen dat Zij altijd zal blijven bestaan. Avatar van Zij die geeft en neemt, bereid je voor! Want jouw grootse toekomst is nu aangebroken en geboren uit jouw ijdelheid en hardnekkigheid.” Hamdi wilde antwoorden, smeken voor zijn leven. Maar het wezen bracht twee gigantische vuisten van zand bij elkaar die leken samen te smelten in één grote maalstroom van zand. Hamdi opende zijn mond omdat hij om vergeving wilde schreeuwen.
Voordat hij echter ook maar een kreet kon uiten, schoot de maalstroom van zand met een enorme kracht op Hamdi af.
desert avatar sand golem.jpg
Terwijl de storm weer neerviel over Hamdi en het reusachtige zandwezen, voelde Hamdi het zand zich een weg naar binnen vreten door zijn keel, terwijl het vlees van zijn botten gestriemd werd. Terwijl Hamdi levend door het zand verscheurd werd, ontnam de razende storm alle zicht.De storm was gaan liggen en Aznag liep bedroefd naar de rand van het kamp. Hamdi had deze storm nooit kunnen overleven. Verbitterd keek hij naar de laatste zandkolkjes die werden opgewaaid door een milde woestijnbries. Tijdens de storm was ook de Moesa overleden. Het leek erop dat de Mozaï Al Badr één huwelijk en twee begrafenissen tegelijk moesten regelen.
Met een laatste gebed voor een dappere jager keerde hij zich om en slenterde terug naar het kamp.

Kilometers verderop, in het hart van de woestijn, materialiseerde uit zand een arm en vervolgens een lichaam. De gekristalliseerde huid van het wezen dat leek voort te komen uit de zandheuvel, keek onwennig om zich heen en dacht: “Sarima…”

sand.jpg

Pillars of Salt

 
Belros bekeek de minuscule kristallen in zijn handpalm. Glazige, doorzichtig witte kristallen. Tussen zijn duim en wijsvinger korrelde hij de kristallen en proefde. Zout. Zoals de smaak van zweet dat door de droge woestijnlucht was uitgedroogd. De paladin bekeek de brokken kristalachtig steen en tikte er voorzichtig met het gevest van zijn zwaard tegenaan. Als ruw zand brak er stuk van de zoutafzetting af. Als water ‘stroomden’ de korrels door de vers ontstane zoutgeul. Een tweede kristallen steen, veel groter in omvang stond nog geen twee meter van Belros vandaan. Plotseling begon Belros een vorm te herkennen in de kristallen massa. Voorzichtig verwijderde hij nog een aantal brokstukken, waarna hij oog in oog stond met het levenloze lichaam van Dergorim, een van zijn trouwste tempelwachters.
Enkele minuten later waren Valerius en Marcus gesommeerd om de tempelheer bij te staan. Valerius en Belros waren in discussie over hoe Dergorim, en een andere tempelwacht, Staverim, die inmiddels was ‘uitgegraven’ en ontdekt, waren gevangen en vermoord in de zoutpilaren.
‘Valerius,’ zei Belros, ‘het kan mij eerlijk gezegd vrij weinig schelen of ze zijn omgebracht via een verbale of een non-verbale spreuk.’ The Voice of Astoth was duidelijk “not amused”. ‘Feit blijft’ ging hij verder, ‘dat twee van mijn wachters omgebracht zijn zonder dat iets of iemand ook maar iets gemerkt heeft!’
‘En nog wel in je eigen tempel.’ fluisterde Marcus meer tegen zichzelf dan iemand anders. Belros leek de opmerking niet gehoord te hebben en gaf Hemingway, de ontdekker van de zoutpilaren, de opdracht om alarm te slaan. De meeste bezoekers waren inmiddels alweer vertrokken en Belros twijfelde geen moment om de tempel hermetisch af te sluiten.
Terwijl Hemingway de laatste orders kreeg wees Marcus Valerius op de flinterdunne laag zout die over een groot gedeelte van de gang zat. Valerius had de zoutlaag al eerder onderzocht en focuste zich momenteel op de lichamen van de twee wachters. ‘De bovenste laag van de huid is volkomen uitgedroogd.’ merkte de magiër klinisch op alsof hij mentaal aantekening maakte van de impromptu autopsie. ‘Geen expressie van angst, wellicht dat de wachters onverwachts zijn overvallen.’ Valerius draaide zich om en vroeg Marcus of hij de lichamen verder kon onderzoeken, wellicht dat de demon hunter nog iets wist te achterhalen. ‘Ik ga even bij de teleport stone kijken. Gewoon om zeker te zijn dat alles in orde is.’
Slechts minuten later werd Valerius’ vrees waarheid. Er was iets grondig mis met de teleport Stone. Het lage monotone gezoem dat normaliter de ruimte vulde was weg. De teleport stone was gesaboteerd! In eerste instantie viel het Valerius niet eens op, maar bij nader onderzoek wist hij het met zeker. Waar voorheen links en rechts van de teleport stone twee helblauwe stenen pronkten, waren holle gaten de stille getuigen van de roof die de teleport stone onklaar hadden gemaakt. Waar Valerius normaliter patent had op wollig taalgebruik ontglipte hem een welgemeend en ontnuchterend ‘Oh, shit!’.

Dust in the wind
Woest was Belros. Waarom hadden de wachters bij de teleport stone niets gezien? Hoe kon iemand ongemerkt door zijn tempel lopen, twee van zijn soldaten ombrengen zonder dat er een enkel spoor te vinden was? En waar was de Shadout?!
‘We moeten nu naar het Inner Santcum!’ gromde Belros terwijl hij de war-room verliet. Marcus en Valerius volgden hem op de voet. Malend over de afgelopen gebeurtenissen stampvoette Belros richting het heiligste gedeelte van zijn tempel. Na een paar minuten stapte hij een lange gang in die, wanneer uitgelopen, na twee keer linksaf slaan zou uitkomen bij het Inner Sanctum. Verderop in de gang zag hij hoe twee undead warriors of Astoth op hem af kwamen. Marcus maakte aanstalten om de undead te turnen, maar Valerius hield de Tormyte tegen.
Belros bulderde door de gang; ‘Warriors of Astoth! Stand your ground! I am The Voice of Astoth and demand clarification why you have left your tombs!’ De undead staakten hun mars en met een onaardse stem als zand op steen antwoordde een van hen. ‘The temple is in peril. We protect the temple.’
Valerius legde uit dat de undead de feitelijke beschermheren waren van de tempel van Astoth. Hun opdracht de tempel te beschermen zouden zij tot in het extreme uitvoeren door alles dat zich niet tot Astoth had bekeerd te elimineren. Belros hield de reizigers die zich nog in zijn tempel ophielden in gedachte en eiste dat de undead alleen evil zouden aanpakken. De undead leken hiermee akkoord te gaan.
‘Ik moet eerst naar de catacomben om dit recht te zetten.’ zei Belros tegen zijn mede-paladins. ‘Als ik de undead niet in toom houd, dan maken ze alles en iedereen af. Als jullie het Inner Sanctum checken zien we elkaar daarna terug in de war-room.

Het duurde slechts minuten voordat Belros de catacomben had bereikt en onderweg was hij al verscheidene undead tegengekomen. In de catacomben was het werkelijk een drukte van belang. De undead waren opgestaan en overal waar hij keek zag Belros de warriors van Astoth. De barse stem van Belros galmde door de catacomben oen hij de skeletons met succes opdracht gaf terug te keren naar de catacomben. Opeengepakt stonden de warriors of Astoth in de catacomben.
‘Warriors, waar is jullie leider?’ sprak Belros. Een van de undead gooide een bronzen hoofdband naar voren. ‘Onze leider is niet hier. De tempel is in gevaar.’
‘Wie is er binnen geweest?’ vroeg Belros.
‘De wind van de woestijn.’ antwoordde de ondode.

Valerius en Marcus hadden het inner sanctum bezocht en er leek niets aan de hand. Niet veel later troffen zij Belros zoals afgesproken in de war-room.
‘Het is goed mis, mannen.’ zei Belros. ‘De undead hebben geen leider meer en de teleport stone is uitgeschakeld. Ik wil dit tot de bodem uitgezocht hebben. Ik wil alle belangrijke vertrekken gecheckt hebben. Te beginnen met de schatkamer.’
In rap tempo bezocht het drietal de meest belangrijke kamers van de tempel; te weten de schatkamer, de kamer waar het hart van Marcus stond, en natuurlijk de worship room. Alles leek in orde totdat Belros aanstalten maakte de hartkamer te verlaten. De heilige tekens van Astoth waren verdwenen!!
Terwijl de drie naar het persoonlijke vertrek van Belros liepen klonk er een schreeuw om hulp. De paladins renden op het geluid af en stonden een aantal tellen later oog in oog met een dun figuur. Terwijl de paladins hun wapens pakten aarzelde het dunne wezen geen moment en gooide iets richting het drietal. In een flits was de gang gevuld met rook en vanuit de rookwolk klonk een diep beestachtig geluid. Een soort reusachtige wolf sprong vanuit de rookwolk. Met messcherpe tanden probeerde het monster de paladins te bijten. Het gevecht met de Guulvorg was snel en hard. Over en weer vielen rake klappen waarbij het magical beast het onderspit delfde.

De drie paladins liepen verder naar Belros privévertrek om het Sword of Astoth op te halen. Aldaar maakte Belros nogmaals de balans op. Allereerst waren er de twee dode wachters, vervolgens de gedeactiveerde teleport stone, de spoorloze undead leader en de verdwenen tekens van Astoth in de hartkamer.
‘Hoogstwaarschijnlijk kan ik de undead slechts voor korte periode onder controle houden. Daarom wil ik dat alle acolieten de tempel uit worden gezet. Zij zijn nog niet zo ingewijd in de leer van Astoth dat de undead hun met rust zullen laten.’ De volgeling van Belros rende naar de ontvangsthal van de tempel en instrueerde enkele luitenanten om er zeker van te zijn dat echt alle acolieten buiten het tempelcomplex gebracht zouden worden.
Belros, Marcus en Valerius snelden naar de worship room, aangezien dit de laatst overgebleven kamer was waar mogelijk iets ontvreemd of ontheiligd was. Eenmaal aangekomen in de bidkamer bleek alles nog intact. Desalniettemin besloot Belros de hulp in te roepen van de undead en samen de tempel van Astoth te cleanen. Na twaalf warriors of Astoth in de worship room te hebben gepositioneerd trok The Voice of Astoth met de rest van het undead leger door zijn tempel.
In minder dan een kwartier vertakte het undead leger onder aanvoering van Belros zich door het gehele tempel complex. Kamer voor kamer werd de tempel veilig gesteld. Valerius en Marcus waren wederom onder de indruk van het staaltje leiderschap dat hun brother-in-arms vertoonde.

Het veiligstellen van de tempel verliep voorspoedig, echter, in een gang op weg naar de library verscheen er plotseling een grote zandwolk die hen de weg versperde. De wervelwind van zand geselde de paladins en langzaam maar zeker ontwaarde zich een figuur in het midden van de wolk. Belros trok het Sword of Astoth terwijl Valerius zonder succes een dispel magic uitsprak. Onaangedaan aanschouwde het figuur van zand de drie paladins en hun opmerkelijke kompanen, het undead leger. Met een stem als schurend zand sprak het wezen; ‘De balans van de woestijn moet hersteld worden’. Met een enkel woord veranderde het figuur weer in een zandwolk en verscheen er een giant sand scorpion.
Opnieuw was het gevecht kort, maar hevig. Valerius wendde zich tot de gunsten van Azuth, terwijl Marcus met de hulp van Torm vanuit het niets water creëerde, waardoor de scorpion stukje bij beetje werd uitgeschakeld.
Nadat de scorpion was verslagen renden de paladins naar de uitgang. Belros was er van overtuigd dat het zandfiguur de uitgang had opgezocht en zodoende schreeuwde hij de wachters toe de tempelpoort te openen. Nog voordat de poort een halve meter was geopend wurmde Belros zich al door de opening, zo gebrand was hij om het figuur te achterhalen. Echter, de woestijn en haar zandstormen belette hem het zicht en de mogelijkheid zijn gram te halen.
Zijn vraag aan het undead leger of de tempel nog in gevaar was bleef angstvallig onbeantwoord. Met het Sword of Astoth ter hand staarde The Voice vanuit zijn tempelpoort naar de machtige woestijn voor hem. In zijn radeloosheid was hij niet in staat de boodschap te doorgronden die werd meegevoerd op de tonen van de huilende wind.

 
 
 

Zandproblemen deel II

 
Hemmingway staat op en strekt zijn hand uit naar Belros die hem daarop een ferme handdruk geeft.
“ik zal zorgen dat uw orders uitgevoerd worden en ik zal zorgen dat ik een groep van 4 man klaar heb staan voor eventuele ondersteuning”

Hemmingway verlaat de kamer en Belros kijkt naar het zwaard van Astoth en fluistert “Laat me niet in de steek.”
Ondanks de bescherming van de dikke tempelmuren liep er een rilling over de rug van Belros in antwoord op de zandstorm die buiten was losgebarsten.
Deze stormen waren niet ongewoon hier in het hart van de woestijn en vormden het voorbeeld dat de mens het nooit en te nimmer van de Natuur zou winnen. Tijdens deze stormen overleefden alleen die beesten het zonder beschutting, die bestemd waren om in de woestijn te leven. Al het andere leven wat op een bijna magere manier probeerde om van de woestijn een woonplaats te maken, moest eerbiedig een veilig onderkomen vinden tijdens deze geldingsacties van de natuur.

Het was Belros ook opgevallen dat de laatste weken zelfs de Bedoeïenen bij de tempel aanklopten om beschutting te vinden tegen de stormen die steeds heviger werden. Wanneer de storm geluwd was, trokken de Bedoeïenen weer de eeuwige zandvlakte in en pakten het leven dat ze daar probeerden te leiden weer op.
Vanuit zijn kamer in het centrum van de tempel bedacht hij zich hoe de centrale hal van zijn tempel er op dit moment uit moest zien. De anders zo statige hal, geheel gewijd aan de glorie van het recht dat Astoth de wereld brengt, was nu een allegaartje van mensen en dieren die op elkaar gepakt de storm uitzaten.
Zijn hal van Astoth leek nu meer op een overdekte kashba met in lappen gehulde mensen, kamelen en het leek wel of er nooit iemand sliep, want het kabaal was altijd aanwezig en kon soms oorverdovend zijn.
De Bedoeïenen pakten hun levenswijze van handelen, verhalen uitwisselen en alle andere zaken waar zij zich mee bezig hielden ook binnen de tempelmuren op, alsof dit het allerbelangrijkste was waarvoor zij op deze wereld waren. Alsof ieder moment dat zij zich niet met deze taken bezig hielden een verkwisting was van de schamele tijd die hen door de Goden op Toril gegeven was.
Hoewel Belros als geen ander begreep dat de mens voor andere, hogere dingen bestemd was, kon hij toch een mate van respect opbrengen voor de toewijding die dit woestijnvolk toonde in de voor hen zo schijnbaar belangrijke zaken.

Buiten stonden op een duinpan twee mensachtige wezens in dikke woestijnkleren gehuld. De storm die over het zanderige landschap raasde, scheen hen niet te deren. Het leek bijna alsof zij in het oog van de storm stonden en dus het comfort van de stilte van het centrum van de storm genoten.
Beiden keken gefixeerd naar een punt in de storm dat door het langs snellende zand niet met het gewone oog kon worden gezien.
Het linkerwezen gromde diep vanuit zijn keel, een geluid dat meer leek op het schuren van zand op steen.
Alsof het wezen naast hem begreep wat de rasperige klank moest betekenen antwoordde hij: “Het is nu nog slechts een kwestie van tijd. Wanneer we de exacte locatie binnen de muren hebben gevonden, kunnen we verder gaan met onze heilige missie.”
Het wezen links schuurde weer met zijn ‘zand op steen’ stem; ditmaal iets langer.
“Dat is waar, maar een groot offensief kan altijd nog. Het belangrijkste is dat de Woestijn datgene weer kan terugeisen wat haar is afgenomen. Wanneer Zij iets heeft begraven, hoort dit zo te blijven. Iets wat eens groot was, kan door Haar tot in de eeuwigheid een mysterie blijven. Zo was het, en zo is het. Dat is de Wet van de Woestijn. En dit kan nooit door mensenhanden worden veranderd.”
Het linkerwezen antwoordde voor een derde keer met een diep raspend en zanderig geluid.
Als in antwoord hierop, keek de tweede in lappen gehulde figuur naar links.
“Waarom? Omdat ik er zeker van ben dat als de kracht uit deze oude tempel terug geëist is, onze Koningin van het Zand de muren vanzelf weer zal opnemen in haar eindeloosheid van geheimen. En omdat ik hier niet ben om onnodig slachtoffers te maken. Dat is niet aan mij, maar aan de Woestijn, zo Zij het wil. In ieder geval heeft deze discussie vooralsnog geen zin, omdat ze inmiddels binnen de muren zijn en we nu met geduld, zoals een korrel zand die genadeloos tegen de puntige steen aangewaaid wordt, de lokatie van de bron hebben gevonden.Als we de bron hebben gevonden kunnen we Moeder Woestijn het verder laten afhandelen. Zoals diezelfde zandkorrels na hun werk gedaan te hebben, van de puntige steen niets meer overlaten dan een prachtige ronde kiezel, klaar om door het zand verzwolgen te worden”
De figuur links gromde een laatste maal.
Het wezen rechts richtte zijn blik weer op het eerdere punt dat hij had gevonden in de storm en sprak afwezig: “Als dit niet lukt, kunnen we altijd de kinderen van Moeder Woestijn nog om hulp vragen…”

 
 
 

Zandproblemen

 
Het zwaard van Astoth stond in een standaard op de kamer van Belros, het was in een goede staat uit de ceremonie gekomen om het in de oude staat terug te brengen.
Het gevecht met de draak in Lachbar’s Lach heeft een hoop levens gespaard, maar ook een hoop schade gebracht aan de uitrustingen van de paladins en het zwaard van Astoth was daar één van.
De goede staat was slechts de buitenkant, de ziel van het zwaard was nog steeds niet genezen.
De bond met Astoth was er wel en de ghost touch begon langzaam terug te komen, toch viel het zwaard iedere keer weer na een paar seconden door de immateriële handen van Belros.
Het was dus nog steeds niet gedaan en de ceremonie en rituelen om het zwaard heen werden een dagtaak voor 2 priesters en Belros zelf.
Nu de voice van Astoth een paar dagen weg was geweest om zijn vriend Valerius te helpen werd hij bij terug komst opgewacht door een van de 2 priesters Leopold genaamd.
“Sir Belros, gisteren een doorbraak in de 2e ceremonie, het zwaard lichte duidelijk geel op in het 3e kwart van de 2e omgang.” Leopold liep nerveus voor zijn leider uit en vervolgde zijn verhaal.
“Het moet een teken van vooruitgang zijn geweest, bij de 1e omgang in de 3e kwart was er al een waarneming van truplo orgene energie die het zwaard wat op deed zweven van het kussen.”
Belros was trots op zijn priesters die echt met hard en ziel voor de tempel stonden en duidelijk erg blij waren met hun doorbraak.
“Over 4 nachten zal het volle maan worden en dat tijdstip zullen we gebruiken om het zwaard van Astoth definitief met al zijn krachten terug in de tempel en op Toril te brengen. Alle hoge priesters zullen dit ritueel bij moeten wonen dus informeer ze hier over. Bedankt voor je uitstekende werk tot nu toe Leopold.”
Belros en Leopold groeten elkaar en liepen ieder hun eigen weg.

Voor de deur van Belros zijn kamer stond een wacht die wat rechtop ging staan toen Belros in ene de bocht om kwam.
“Wachter, zoek Sir Hemminway voor me en vraag hem zo snel mogelijk naar mijn kamer te komen.”
De wachter knikt en rent de gang uit.
Als Belros in zijn kamer komt is het eerste waar hij naar kijkt de standaard met het zwaard dat hij zo graag weer terug zou hebben in zijn volle glorie.
Hij pakt het en voelt het meteen, er is inderdaad iets veranderd.
Hij maakt een paar slaande bewegingen voelt de kracht van Astoth door zijn armen vloeien.
“Astoth komt terug ik voel het, Astoth laat de echte paladin en zijn strijd tegen het kwade nooit in de steek, Astoth zal vanaf de volle maan weer in de tempel zijn waar hij thuis hoort.”
Belros fluistert de woorden in zichzelf en houdt het zwaard omhoog.
“Snel zullen we weer de strijd aan kunnen gaan ik voel het.”
Belros zet het zwaard weer in de standaard als er op de deur geklopt wordt.

“Sir Hemminway goed u te zien. Ga zitten.”
Belros zit achter zijn houten bureau en bekijkt Hemminway aandachtig.
Hemminway is een grote kerel met een vriendelijk gezicht die de leiding in de tempel heeft over de templars en de wacht binnen en buiten het gebouw.
Hij doet zijn werk fantastisch en Belros heeft er eigenlijk weinig omkijken naar.
“Sir Hemminway, zoals u weet hebben we al een tijdje last van zandwormen en dergelijke monsters die het gemunt lijken te hebben op onze tempel. Hoe is u visie hier op?”
Hemminway schraapt zijn keel en kijkt Belros kalm aan.
“Voice van Astoth ik begrijp uw probleem en zorg hier over, toch is het zo dat de aanvallen die er tot nu toe geweest zijn niet zorgwekkend zijn. Zandwormen zijn lastig, maar omdat het relatief dichtbij gebeurd is de wacht snel ter plekke en templars en een enkele paladin van de tempel willen nog wel eens mee vechten.
De priesters en meevechtende templars zitten zo dicht op de wacht met healing en blessings dat dit eigenlijk nooit een probleem is. Ik durf zelfs te zeggen dat het tot nu toe erg leerzaam voor de jonge wachters is geweest die zo een aardig portie ervaring op doen.”
Belros staat op en loopt door de kamer.
“ik vind het fijn te horen dat we een solide wacht en bewaking hebben en ik weet dat u daar ook fantastisch werk voor vericht.”
“Dank u Sir Belros.” zegt Hemminway gevleid.
“Toch wil ik weten waar deze wormen in ene vandaan komen en of ze aangestuurd worden door een groter iets. Ik heb al verschillende keren aan de horizon beweging gezien van menselijke figuren die met het zand vermengd leken te zijn en dat baart me zorgen dat ik daar niets van hoor zie of weet?”
“Wat zijn u orders Sir?” vraagt Hemminway zijn leider.
“Morgen ochtend zal ik Valerius en Marcus hier ontvangen en ze zullen helpen met deze kwestie. Ik wil dat de horizon word afgespeurd naar verdachte bewegingen zodat we eens ter plekke kunnen kijken wat daar gebeurd.
Ik wil van iedere verdachte beweging een melding ook als het een onbenullig iets lijkt. Ik ga ervan uit dat de wacht top alert is op het moment dus dat is iets waar ik niets aan wil veranderen.
Sir Hemminway zorg dat ik een aantal soldaten tot mijn beschikking heb als ik een actie wil maken buiten de tempel.”
Hemminway staat op en strekt zijn hand uit naar Belros die hem daarop een ferme handdruk geeft.
“Ik zal zorgen dat u orders uitgevoerd worden en ik zal zorgen dat ik een groep van 4 man klaar heb staan voor eventuele ondersteuning.”

Hemminway verlaat de kamer en Belros kijkt naar het zwaard van Astoth en fluistert “Laat me niet in de steek.”

 
 
 

Evil Eyes

 
Het was een drukte van belang in de inmiddels voor Marcus bekende tempel van Astoth.
Op de binnenplaats en de grote hal ziet Marcus een mengelmoes van nomaden en ook Fedaykin en andere stammen.
Er wordt op sommige plekken druk gehandeld of gezellig gepraat met een pot thee en wat eten om e tijd door te komen.
Marcus heeft met de teleport stone weinig last ven weersomstandigheden maar reizigers die gewoon op de ouderwetse manier reizen hebben duidelijk een onderkomen gezocht in de tempel van Astoth.
Marcus loopt door de drukke hal heen en ziet boven op een balustrade Belros in gesprek met zijn hoofd van de wacht, Sir Hemmingway.
Marcus loopt de trap op naar boven en Belros begroet hem onder het praten met de wacht commandant.
“Alle wachten worden verdubbeld en de kritieke punten zoals de inner sanctum, waar ook het hart van mijn vriend hier klopt, word continu door drie man bewaakt met een dubbele surveillance door de gangen eromheen.”
Belros kijkt over de rand de hal in waar het werkelijk wel een soort bazaar lijkt te worden, er staan zelfs complete stands met allerlei waren waar hij ook Valerius geïnteresseerd ziet rondlopen.
“ik zal zorgen dat het met deze extreme drukte veilig blijft buiten de binnenring, de buitengangen en vertrekken zullen extra aandacht krijgen zoals u wilt Sir Belros”
Zonder dat Belros omkijkt groet Sir Hemmingway zijn leider en groet Marcus als hij wegloopt richting de wacht om orde op zaken te stellen.

“Ik denk dat we voorlopig niet naar buiten kunnen Marcus, de zandstorm is behoorlijk heftig en je ziet geen hand voor ogen op het moment.
Misschien kun jij beneden wat informatie zien te krijgen over eventuele woestijnbewoners die het op mijn tempel hebben voorzien?”
Belros kijkt Marcus aan en weet dat zijn vriend de paladin van Torm nog een andere kant heeft die hem heeft geleerd om dergelijke informatie te verkrijgen.
“Ik zal kijken of ik wat te weten kan komen, ik zal hier en daar wel een praatje maken en kijken of ik een gesprek op kan vangen waar we wat aan hebben.”

Marcus is nog geen 10 minuten weg als Valerius met een wat nerveuze blik in zijn ogen bij Belros aan komt lopen.
“Belros ik moet je spreken.” zegt de magiër formeel.
“Ga je gang, je ziet eruit of je een ondode hebt zien lopen beneden.”
“Nou dat net niet maar ik heb wel een man gezien in een groep waar ik je toch op wil wijzen.
Ik liep natuurlijk nieuwsgierig als ik ben te zoeken naar magische voorwerpen die ik overigens ook gezien heb, maar daar wil ik je niet voor waarschuwen.”
Belros kijkt zijn vriend de magic-user aan en weet alweer wat voor gesprek er komt.
“Magische aapjes en een man met gouden tanden vielen mij op, misschien straks nog even naar kijken maar dat wilde ik niet vertellen.

Kijk eens naar beneden en daar in de linker hoek een beetje in het donker zit een groepje van zes mannen, zie je ze?”
“Ik zie ze ja, lijkt niets bijzonders mee.” zegt Belros rustig.
“Dat dacht ik eerst ook totdat er bij de tweede van links een aura oplichtte dat op een alteration wijst, oftewel een vermomming en waarom?
Toen ik wegliep en omkeek zag ik duidelijk een paar rode ogen die me volgden.
Waarschijnlijk een infiltrant of iemand die hier niet hoort, ik zeg dat we hem moeten volgen en zeker niet uit het oog mogen verliezen.”
Belros fronst zijn wenkbrauwen en denkt na.
Valerius die zou nooit iets of iemand verdenken zonder dat hij het zeker weet dat er in ieder geval iets niet goed zit.
Hij zou het zeker niet zo nerveus komen melden als hij het niet zeker zou weten.
“Ik zal de wacht zeggen dat ze opletten en ik zie nu ook dat jou waarschuwing aan mij ook bij dit groepje mannen niet onopgemerkt is gebleven, ze lopen naar het midden van de hal.”
Belros doet een paar stappen achteruit van de balustrade om uit het gezicht van de hal te komen en loopt naar Valerius toe.
“Marcus is beneden om te kijken of hij wat te weten kan komen over die zandwormen of eventuele eigenaren daarvan, ik zal hem met een uur laten roepen om niet te veel op te gaan vallen en dan kijken we eens wat deze groep mannen te verbergen heeft?”
“Dat is goed, dan ga ik beneden nog wat rond snuffelen tot die tijd.”
Valerius loopt de trap af naar beneden en Belros laat Hemmingway naar boven roepen om hem op de hoogte te stellen van de nieuwe ontwikkelingen.

Valerius houdt de man die hem volgde natuurlijk in zijn achterhoofd, maar is al snel weer afgeleid door meerdere snuisterijen en artikelen die bij mensen om hun nek en vingers hangen.
Op een gegeven moment passeert hij een groep nomaden en Fedaykin die naar een weergaloos verhaal van Marcus zitten te luisteren.
Hij loopt door en een paar minuten later passeert hij de groep weer en ziet hij wat mannen vragend naar elkaar kijken en zelfs op hun voorhoofd slaan als Marcus een beetje zit te stotteren en wat losse woorden aan elkaar probeert te knopen zodat ze een normale zin gaan vormen.
De mannen om hem heen halen hun schouders op en vervolgens begint er maar een ander met een sterk verhaal om Marcus uit zijn lijden te verlossen.
Na verloop van tijd ziet Marcus dat Valerius rondloopt en naar boven gaat en hij besluit dan ook de groep nomaden te verlaten en naar Belros toe te gaan.

Boven aan gekomen ziet Marcus dat Valerius en Belros druk aan het praten zijn wat gepaard gaat met een hoop handbewegingen.
Als Marcus nadert dan loopt Belros hem tegemoet.
“En? Nog wat te weten gekomen over de mysteries van de woestijn?”
Belros is duidelijk benieuwd wat Marcus voor informatie heeft.
“Niet veel, een hoop sterke verhalen, maar die verhalen hadden allen wel een overeenkomst en dat is dat de meeste stammen en nomaden in een moeder woestijn geloven en het daar ook vaak over hebben.
Er is een legende hier over ene Heddar Khattan en dat moet dan een kruising zijn tussen een mens en een slang, het vervelende is dat hij nog nooit door iemand is gezien, althans niet door iemand die het kon navertellen.

Het verhaal gaat dat moeder woestijn levens neemt en levens geeft aan gestrande reizigers.
Er is een groep van 8 volgens de verhalen die een spreekbuis vormen van moeder woestijn, deze 8 controleren een ieder een facet van de woestijn.
De ene lucht en de ander de wind, de ander heeft weer macht over de zon en zijn hitte terwijl de volgende met regen en water weer drijfzand beheerst.
De 8 mannen hebben smaragd groene ogen en staan in middelpunten van zandstormen zonder er ook maar een beetje last van te hebben.”
Marcus doet zijn verhaal en Belros luistert aandachtig.
“Wat waar is en wat niet zullen we moeten zien met eigen ogen denk ik. Misschien hebben we wat aan een paar van deze verhalen in de toekomst, goed gedaan Marcus.”
De menigte van mensen die nog steeds zitten te schuilen voor de storm buiten die worden opgeschrikt door een luide stem van boven op de balustrade en zien de voice van Astoth staan om ze toe te spreken.
“Beste reizigers van de woestijn, wij hebben vernomen dat de storm aan het afnemen is.
Een ieder kan zich gereed maken om zijn reis te vervolgen, als de storm in dit tempo blijft temperen dan kan het zijn dat er binnen het uur vertrokken kan worden.
Een ieder die zich in de tempel van Astoth een schuilplaats heeft gevonden zal uiteraard met de kracht en de zege van Astoth zijn reis voort zetten.”

De menigte mensen reageert verdeeld op de aankondiging.
Groepen gaan zich gereed maken voor de vervolgreis en anderen die blijven zitten en lijken zich niet veel aan te trekken van de toespraak.
“We gaan straks naar beneden en ik heb de priesters al vooruit gestuurd om met de blessings van Astoth te beginnen.
Ik zal zelf de groep nemen met de verdachte figuur, jullie zullen op gepaste afstand blijven om eventueel in te grijpen als ik het zelf niet aankan.
Eerder wil ik niet dat jullie iets doen, Valerius zal ergens rondvliegen om de boel in de gaten te houden voor het geval de groep wil vluchten.”
Belros spreekt zijn wachters en zijn twee vrienden toe en bereid iedereen voor op de confrontatie met een eventuele indringer.

De blessings van Astoth in de hal worden goed ontvangen en als Belros de stamoudste van de verdachte groep aanspreekt reageert deze vereerd dat de voice van Astoth zelf de blessing zal doen hier.
De hele stam wordt in een rij opgesteld als Belros de stamoudste bij zijn hand pakt en hem de zege van Astoth mee geeft.
Het valt op dat er twee mannen uit de rij wegrennen, maar Belros ziet de verdachte man nog steeds staan en reageert niet op de weglopers.
Als hij twee mannen verder is komen de weg lopers weer terug en hebben meerdere mannen bij zich die ook in de rij gaan staan.
Het lijkt dat de zege van de voice van Astoth zelfs zo een eer is dat iedereen word opgetrommeld.
Dan komt Belros bij de verdachte man aan en hij pakt zijn hand.
De man kijkt naar beneden en durft duidelijk de leider van de tempel niet in de ogen te kijken.

De blessing van Belros is krachtig en helemaal in zijn eigen tempel blaakt hij van het zelfvertrouwen als hij plots word aangekeken door twee rode kwaadaardige ogen.
“Wat moet je in mijn tempel en wie heeft je gestuurd onderkruipsel?”
Belros blijft opvallend rustig en houdt de hand van zijn indringer stevig vast.
“Het is een misverstand, Voice van Astoth, heb genade en laat ons dit uitleggen alstublieft!”
De stamoudste loopt verschrikt op het tafereel af.
De commotie blijft ook in de rest van de hal niet onopgemerkt en iedereen wil wat van het tafereel mee maken.
Berlos hoort wat arcane woorden van een stem die hij inmiddels herkend uit duizenden en Marcus let op dat Belros niet door omstanders word gehinderd of aangevallen.
“Ik zal deze man verwijderen uit het heiligdom van Astoth en zal niet tolereren het kwaad hier zal verblijven.”
Met deze woorden verdwijnt de man en lopen Marcus, Hemmingway, de stamoudste en Belros de hal uit een zij gang in.
Al snel doen de wildste verhalen dat de voice van Astoth door alleen te kijken en te praten het kwaad uit zijn tempel verdrijft zonder ook maar een klap uit te delen.
In werkelijkheid is Valerius onmisbaar in deze vertoning met een dispel magic en een invisibility en Belros speelt er goed op in door geen geweld te gebruiken.
In de kamer blijkt dat de man in kwestie een half-orc is die geaccepteerd is door een nomaden stam voor bewezen diensten en zich een ander uiterlijk heeft gegeven omdat de stam anders bang was dat hij niet binnen mocht om te schuilen voor de zandstorm.
“Ik begrijp het.”
Belros heeft het verhaal aangehoord van de stamoudste en steekt reikt hem de hand aan, ook de half-orc die door Belros aantoonbaar de waarheid heeft gesproken krijgt de vergiffenis van Astoth.
“Laat het eenieder weten dat ondanks sommige wilde en bloederige verhalen die over de Asthotianen de ronde doen, dat wij altijd eerst bij twijfel zullen praten en onderzoeken voordat er bloed word vergoten.”
De stamoudste, Alvazad ill bid’n van de Fasaj stam, dankt Belros.
“ik zal het eenieder laten weten dat Astoth en zijn leider niet de meedogenloze religie zijn waar wel eens over verteld wordt. Mijn dank namens de hele Fasaj stam en wij zullen wederkeren om de tempel te eren.”

Marcus opent de deur van de kamer en zegt.
“Laten we nu een grote aftocht maken door de hal zodat iedereen kan zien dat het kwaad is verdreven en de rest van de stam ongedeerd en ongehinderd het heiligdom van Astoth kan verlaten.

Alvazad loopt de hal in en iedereen kan het over niets anders hebben dan de ontmaskering van een paar minuten geleden. De half orc word met een spreuk van Valerius weer onherkenbaar gemaakt en de hele stam verlaat de tempel en langzaam keert de rust terug in het heiligdom van Belros.

Rude Awakenings

 
Het was drie dagen na het bezoek van de geneesheer der demonen, Muhyi Haddad, toen Valerius eindelijk wakker werd. Het eerste dat hem opviel was dat de vele stemmen in zijn hoofd eindelijk stil waren en hij voor het eerst sinds drie maanden helder kon denken. Hij keek om zich heen en herkende de kamer waarin hij zich alleen bevond als een van de rustkamers in de tempel van Azuth. Hij kende deze kamers goed en had, toen hij zelf leerling was, menig keren in deze kamers moeten rusten om te genezen van de uitwerkingen van een verkeerd uitgesproken spreuk of een experiment die een verkeerde afloop had gehad…

De afgelopen drie maanden kon hij zich maar herinneren in flarden. Valerius sloot zijn ogen om deze maanden opnieuw de revue te laten passeren. Hij kon zich nog goed het experiment met de golem herinneren. De metalen bol en zijn ene hand en zijn andere hand op de borst van de golem. Na dit moment werden herinneringen vager. Valerius herinnerde een schok en het gevoel opeens in contact te zijn met honderden individuen. Eerst was het er één, toen twee, daarna vier, acht zestien, dertig en daarna honderden. Het was alsof ze allemaal tegelijkertijd met Valerius in contact wilden komen en met hem informatie wilde delen en informatie van hem wilde verkrijgen…

Deze stroom van informatie stopte niet op een gegeven moment, maar ging dag en nacht door… totdat het moment alle stemmen opeens verstomden. Hij kon zich dit moment goed herinneren want hij had aan de ene kant het gevoel gehad dat er eindelijk stilte was in zijn geest, maar aan de andere kant had hij het gevoel gehad dat hij zich opeens heel alleen voelde zo zonder de anderen…

Valerius besloot dat het tijd was zijn bed uit te gaan en allereerst terug te keren naar zijn studeerkamer om zijn eigen kleding weer aan te trekken. Daarna zou hij zijn collega Yaron gaan bezoeken om ter vernemen wat er zoal was gebeurd tijdens zijn afwezigheid.
Eenmaal aangekomen bij studeerkamer, merkte Valerius tot zijn ongenoegen dat de deur op slot zat… “Wat is hier aan de hand?”, mompelde Valerius en hij probeerde opnieuw de deur naar zijn studeerkamer te openen. Opnieuw bleek toch echt dat de deur op slot was en voor het eerst twijfelde Valerius toch echt of dit zijn studeerkamer was… Hij schudde zijn hoofd, “Nonsens!” en draaide zich om en begaf zich naar zijn trouwe collega Yaron.

Het kostte enige overredingskracht van Valerius om Yaron tenminste vijf minuten van zijn werk te mogen ophouden en hem te vertellen wat er de afgelopen tijd was gebeurd en waarom zijn studeerkamer op slot was. Yaron vertelde hem daarop in enkele zinnen wat er was gebeurd. In het kort kwam het er op neer dat besloten was dat Valerius niet meer in staat was om de tempel van Azuth te leiden en dat de leiding middels een unanieme stemming was overgegaan naar Thibeaud d’Essencére. “Dat klinkt logisch”, dacht Valerius, “aangezien ik deze regels heb opgesteld.”. “Kort daarop”, zo ging Yaron verder, “nam Tihibeaux zijn intrede in jouw studeerkamer”. Zo! Nu weet je alles en kan ik weer aan het werk gaan.”. Yaron draaide zich om en begon weer driftig te schrijven op een rol perkament. “Laatste vraag Yaron en dan laat ik je weer met rust”, en Yaron draaide zich geërgerd weer om. “Heb je misschien ergens een scroll liggen met daarop de spreuk “Teleport”? “Hmm. Neen, die heb ik niet. Is een Dimension Door ook goed?”

Even later stond Valerius weer voor zijn gesloten studeerkamer met de scroll met de “Dimension Door” spreuk in zijn hand. Hij opende de scroll sprak de archaïsche woorden uit, voelde de tinteling van magie door zijn lichaam gaan en een ogenblik later bevond hij zich achter de gesloten deur in zijn studeerkamer … waar hij erachter kwam dat dit niet de studeerkamer was die hij zelf had ingericht. Deze kamer was duidelijk ingericht door iemand met een luxe smaak. Ook de kleding die er hing was duidelijk van Thibeaud, die duidelijk deze kamer naar eigen smaak had ingericht.

Met goede hoop ging Valerius op zoek naar zijn eigen bezittingen, die hopelijk met het betreden van de nieuwe eigenaar van deze kamer, niet elders waren opgeborgen zoals bijna was gebeurd met de vorige eigenaar van deze kamer… Azuth was met Valerius en het duurde niet lang of hij vond zijn meest dierbare voorwerp; zijn Spellbook. Een willekeurig ander persoon had dit voorwerp al gauw afgedaan als een oud en vervallen boek en zou het al gauw bij het oud vuil hebben achtergelaten. Diegenen die het boek toch zouden hebben proberen te openen, zouden erachter komen dat dit niet mogelijk was, als ware het dat alle pagina’s aan elkaar waren vastgelijmd.

Valerius echter pakte het boek eerbiedig op, maakte vlak boven het boek een aantal ingewikkelde archaïsche bewegingen en langzaam veranderde het van dikte en grootte en verscheen bovenop de kaft het sigil van Valerius. Snel doorzocht Valerius de kamer verder en vond nog een aantal wands, zijn bandana, zijn Amulet of Massive Damage Protection en zijn Infused Gloves. Valerius had maar één scroll met Dimension Door meegnomen. Er zat niets anders op dan de Teleport-spreuk uit zijn eigen boek in te studeren om uit deze kamer te komen…

Valerius was nog maar net gematerialiseerd in de kamer van Yaron toen deze hem meteen aansprak zonder op te kijken vanaf zijn werk, “Waarom ben ik niet verbaasd dat je er weer bent?”. Valerius legde hem kort uit dat zijn studeerkamer totaal anders was ingericht en dat bijna al zijn spullen waren verdwenen. “Oh ja! Da’s waar ook!”, sprak Yaron en stond op van zijn bureau. “Vlak voordat ze je kwamen opnemen hebben Hermas en ik alles wat je bij je droeg maar voor de zekerheid in bewaring genomen. Je weet nooit wat ze er mee van plan ware.”. Yaron gaf Valerius een ring, een oorbel en een klein brilletje dat diende als focus voor een spreuk. “Hermas heeft de rest van je spullen”. “Dank je wel, vriend”, sprak Valerius Yaron toe. “Ik ga direct naar Hermas toe. Vind je het goed als ik daarna wat langer in je kamer verblijf? Ik zal je niet tot last zijn en zal mijn tijd hier gebruiken om mijn spreuken in te studeren. Ik wil namelijk zo snel mogelijk Belros en Marcus spreken”. Zo gezegd zo gedaan. En na zijn overige spullen van Hermas te hebben mogen ontvangen, waarvoor Valerius hem heel hartelijk bedankte, duurde het niet lang voordat Valerius, voorzien van eigen kleding en toebehoren, klaar was om af te reizen naar de tempel van Astoth.

Op de vleugels van een Teleport verscheen Valerius weldra voor de tempeldeuren van de Astoth’s tempel, waar hij de bewakers instrueerde hem aan te kondigen bij Belros. Weldra zat Valerius onder het genot van een glas wijn, de voorvallen van de afgelopen tijd door te nemen met zijn meest trouwe vrienden. “Dus Thibeaud is een Morpher, is een arrogante aristocraat en vindt dat magie alleen is weggelegd voor de rijken; maar de echte hamvraag is, vertrouw je hem wel?”, vroeg Marcus aan Valerius toen deze klaar was met zijn verhaal. “Ik weet het echt niet”, gaf Valerius toe na even te hebben nagedacht. “Maar waarom heb je hem dan aangenomen in je tempel”, wierp Belros hem tegen. “Goede vraag”, gaf Valerius toe. “Zou het kunnen dat zijn ware aard pas boven kwam toen hij de mogelijkheid zag om de leider van de tempel van Azuth te worden? Zoiets kan ook in jouw tempel plaatsvinden, Belros. Wie kun je nu werkelijk écht vertrouwen? Behalve jullie twee natuurlijk!”. Valerius dacht even na en zei toen, “Nee, de enige oplossing is dat ik Thibeaud zelf ga bezoeken in Darromar en hem ga vragen het leiderschap aan mij over te dragen. Dit is iets wat ik alleen moet doen.”. “Marcus en ik gaan met je mee naar Darromar”, riep Belros meteen. “Ik ken me daar toch een gezellig cafe en een lekker eten dat ze daar hebben!”.

Zo gezegd zo gedaan. En even later stond Valerius voor de ingang van het enorme landhuis van Thibeaud in een van de randsteden van Darromar. Valerius wreef over de brandplek op de bovenkant van zijn hand, die hij zojuist had opgelopen toen hij pad naar het huis van Thibeaud wilde betreden en er toen achter kwam dat de toegang was beveiligd met een magisch schild. “Nou dat gaat weer lekker, Valerius! Nog een geluk dat er geen beveiliging was geweest middels een Disintegrate-spreuk!”, dacht Valerius. Hij keek omhoog, zag een koortje dat hing aan een klein belletje en trok eraan. “Wie is daar?”, klonk opeens een nasale stem. “De naam is Valerius. Kunt u mij aanmelden bij Thibeaud d’Essencére?”. Het leek even alsof de stem hiervan schrok en daardoor even stil was. “Een momentje alstublieft. Komt u verder”.

Thibeaud verwelkomde Valerius halverwege het pad naar zijn huis en begeleide Valerius naar de ingang. “Valerius! Wat een verrassing! Hoe gaat het met? We waren zo verontrust over je de afgelopen tijd!”. Valerius liet deze beleefdheden over zich heen komen en vertelde Thibeaud dat het een stuk beter met hem ging. Het moest de helende kracht van Azuth zijn geweest die hem zo wonderbaarlijk moest hebben genezen.

Eenmaal aangekomen in de zeer weelderige woonkamer van Thibeaud, kwam Valerius snel ter zake. “Zoals je ziet ben ik weer helemaal de oude en wil ik graag het leiderschap van de tempel van Azuth weer op mij nemen.”. Thibeaud was enigszins ontstemd over Valerius’ directheid. “Ik begrijp dat u het leiderschap weer op u wilt nemen, heer Valerius, maar er zijn nu eenmaal protocollen, waaraan we ons moeten houden. Zeker wanneer ze zijn opgesteld door u.”. Valerius krapte zich achter zijn oren en herinnerde zich het protocol dat hij zelf had opgesteld over hoe het leiderschap van de tempel werd overgedragen wanneer de huidige leider niet meer in staat zou zijn de tempel te kunnen leiden… Op welke wijze het leiderschap weer terug verkregen kon worden, was helaas nog niet vastgelegd in een protocol, aangezien Valerius, door alle drukte die de leiding over een tempel met zich bracht, nog geen tijd had gehad deze verder op te stellen.

“En dus”, concludeerde Thibeaud, “zat er verder niets op de regels in het protocol verder uit te breiden. Wanneer jij het leiderschap opnieuw op je wilt nemen, zul je morgen om twaalf uur twee soorten testen moeten doorstaan; te weten een fysieke en een mentale test. Na deze testen zal er een stemming plaatsvinden die zal bepalen of je in staat bent opnieuw de tempel van Azuth te leiden.”. Valerius zag in dat verder discussiëren geen zin zou hebben en zelfs tegen hem gebruikt zou kunnen worden. Valerius keek Thibeaud strak aan en zei “ik zal er zijn”. Hierna verdween Valerius op de vleugels van een quickened teleport spreuk.

Valerius kon zich niet herinneren ooit zo nerveus te zijn geweest voor de testen die hij nu zou moeten doorstaan. De magiër had talrijke testen in leven; eerst als student en later als lid van de groep Paladijnen, glansrijk doorstaan. Meerdere keren had hij de dood letterlijk in de ogen gekeken, maar altijd had zijn vertrouwen in Azuth en daarbij in de magie hem weten te redden uit de meest penibele situaties. “Waarom ben ik dan nu zo nerveus?’, vroeg Valerius zich af toen hij de zaal betrad waar de testen en de stemming zou gaan plaatsvinden. Veel tijd om hier verder over na te denken, had Valerius niet aangezien Thibeaud hem vroeg plaats te nemen op een stoel in het midden van deze ruimte en zich klaar te maken voor de mentale testen, uitgevoerd door een dokter. Om de stoel heen hadden de zes vooraanstaande magiers van de tempel van Azuth verzameld in een kring, waaronder Hermas en natuurlijk Thibeaud. Het viel Valerius op dat Yaron er niet bij was, maar dit verwonderde hem niet. De sage onthield zich altijd van dergelijke politieke beslissingen en spendeerde zijn tijd liever met het ontcijferen van oude perkament rollen.

Op een teken van Thibeaud ging de deur open, en betrad een zeer oude man deze ruimte. De man ging voor Valerius staan, haalde uit zijn borstzak een kristallen pendulum en zwaaide deze voor de ogen Valerius heen en weer. Hij vroeg aan Valerius of hij deze pendulum met zijn ogen wilde blijven volgen en Valerius gehoorzaamde. Hierop volgde een aantal meer testen en aan het einde hiervan schreef de dokte al zijn bevindingen in een rapport, die hij overhandigde aan Thibeaud. Hierop volgde een aantal fysieke testen. Opnieuw schreef deze dokter zijn bevindingen op en overhandigde Thibeaud een tweede rapport. “Fysiek is Valerius prima in orde”, zo begon de dokter, “mentaal stuitte ik bij mijn onderzoek op een aantal barrières die lijken te zijn geplaatst om iets tegen te houden. Er zou meer onderzoek moeten plaatsvinden om te kunnen vaststellen wat er precies wordt tegengehouden en wat hier precies de reden van is.”.

Hierop bedankte Thibeaud de dokter en deze verliet de ruimte. Vervolgens richtte Thibeaux zich tot Valerius en zei: “We gaan ons nu terugtrekken om ons te beraden over deze resultaten” en hierop verliet het gezelschap de ruimte, Valerius met zijn gedachten achterlatend. Een klein half uur later, kwam het gezelschap de ruimte weer binnen. “Valerius”, zo begon Thibeaud, “hier volgt ons besluit naar aanleiding van de resultaten van deze testen. We hebben unaniem besloten dat er opnieuw een stemming zal gaan plaatsvinden over jouw fitheid Valerius, om opnieuw de tempel van Azuth te kunnen leiden. Echter voordat deze stemming plaatsvindt, moeten we eerst vaststellen wie zich kandidaat wil stellen voor het leiderschap van de tempel van Azuth. Wil jij je kandidaat stellen hiervoor Valerius?”. Zonder ook maar een moment te twijfelen sprak Valerius: “Ja, dat wil ik. Onder mijn leiderschap is de tempel van Azuth, die tijdens het bewind van The Black Hand bijna tot vergetelheid was geraakt, opnieuw gegroeid tot het Kennis centrum van Magie binnen Tethyr. Ik zou niets liever willen dan dit te willen uitbreiden tot ver buiten de grenzen van Tethyr, om zo duidelijk te maken dat de enige veilige en juiste manier van magie bedrijven, datgene is zoals omschreven in de leer van Azuth!”.

Hierop was het even stil voordat Thibeaud de vraag stelde of er nog meer kandidaten waren voor het leiderschap van de tempel van Azuth. Toen dit niet het geval was, was het duidelijk dat Valerius opnieuw herkozen zou worden. Hierop volgde een luid applaus en werd Valerius hartelijk gefeliciteerd. Valerius kon eindelijk opgelucht ademhalen!

Het was volle maan die nacht en het licht maakte het dat Darromar eruit zag als een stad geheel gemaakt in zilver. Dit prachtige schouwspel ging helaas aan Valerius voorbij. In een afgesloten onverlichte ruimte zonder ramen waarvan de locatie slechts bij een handjevol leden van de tempel van Azuth bekend was, stond Valerius met een licht gevende metalen bol, ongeveer drie meter van de golem vandaan. In de zilveren gloed leek de golem als het ware gemaakt van puur zilver. In dit licht leek de golem hem aan te kijken, leek hem uit te nodigen om dichterbij te komen… Elke fiber in Valerius lichaam smeekte Valerius om opnieuw zijn hand op de borst te leggen van golem. Welke geheimen zouden dan wel niet geopenbaard worden? Zou het hem nu wel lukken om in controle te blijven over zijn eigen geest zonder te verdrinken in de Velen die Een waren?

Met een uiterste wilskracht inspanning deed Valerius een stap achteruit. En toen nog een. Bij elke stap zwakte het licht in de bol verder af totdat Valerius in het inktzwarte duister stond. En toch leek het alsof Valerius de aanwezigheid van de golem nog kon voelen. Alsof het een wezen was van vlees en bloed en hij er op de een of andere manier mee was verbonden…

Het nadere onderzoek zou nog even op zich moeten wachten. Valerius had bericht gekregen van Belros dat hij hulp nodig had en hij had bericht teruggestuurd dat hij morgen aanwezig zou zijn. Valerius nam zachtjes afscheid van de golem: “We will meet again soon, Brother” en verdween toen op de vleugels van een teleport-spreuk, de golem alleen achterlatend in de inktzwarte duisternis.

 
 
 

Intermezzo XV (01)

 
Marcus spuugde verbitterd op de leistenen dakrand.
Wederom had hij, tegen zijn zin, zijn alter ego Perigo uit de kast gehaald om in het meer Duistere circuit een remedie te vinden voor de ziekte waaraan zijn vriend Valerius nu leed.
De jacht die hij enkele weken geleden had ingezet op de persoon die mogelijk de sleutel tot het herstel van de tovenaar had, was hij begonnen zonder medeweten van noch The Council of Belerim, noch die van Belros. The Council had hem zeker verboden om een zoektocht te beginnen naar Muhyi Haddad, de gever van Leven. Dit omdat deze occulte ‘dokter’ berucht was om zijn neutraliteit in de eeuwige oorlog van mens tegen demon en aan beide zijden zijn diensten aanbood, mits zijn honorarium betaald kon worden. Voor ieder persoon die hij aan de kant van het Licht genas, zou hij er minimaal één aan de Duistere kant genezen.
Belros zou niet ingestemd hebben met het plan omdat hij domweg niet zou willen dat één van zijn trouwe kameraden de dialoog en hulp op zou zoeken van iemand die zich ook actief bezig hield met het gespuis uit de Onderwereld.
Maar wanneer je de afgelopen drie maanden een trouwe kameraad ijlend in een bed hebt zien wegteren, gaat vanzelf het vinden van een oplossing voor de ziekte een belangrijker rol spelen dan goedbedoelde adviezen of strikte opvattingen over wie wel en wie niet te betrekken.
Terwijl hij zijn blik vestigde op het kleine pand in de donkere steeg onder hem, dwaalden zijn gedachten gelijktijdig af naar die bewuste drie maanden geleden; het moment dat Valerius zogezegd contact zocht met de mysterieuze golem die zij in zijn bibliotheek van Azuth in gesloten bewaring hadden gehouden.

Valerius had na zijn poging tot contact met de golem een kort en verward verslag gedaan van het mentale gesprek dat hij met de golem had gehad.
Hierna reageerde hij hooguit afwezig wanneer iemand hem iets vroeg of een gesprek met hem wilde aanknopen. Veelal reageerde hij helemaal niet en leek het of hij in gedachten conversaties voerde met ingebeelde personen.
Een week later werd pas duidelijk hoe ernstig de situatie eigenlijk was, toen hij voor een aantal leerlingen een eenvoudige spreuk wilde demonstreren. “De woorden leken hij niet te kunnen uitspreken en de professor mompelde dat ze moesten ophouden met smoezen en fluisteren omdat hij zich niet kon concentreren. En dat terwijl iedereen ademloos zat te wachten op de spreuk die professor Valerius zou gaan doen.”, aldus het verslag van één van de leerlingen die bij dit voorval aanwezig was geweest.

Hierna werd het van kwaad tot erger. Valerius strompelde steeds vaker door de gangen van de arcane universiteit waarbij hij continu in zichzelf sprak en vooral zijn verplichtingen richting de Studie verzaakte. Verplichtingen die eerder een heilige plek voor hem hadden ingenomen.

Enkele dagen later besloot het Hoog Arcaan Bestuur om een beroep te doen op artikel 34.7 van de arcane constitutie: Wanneer een toezichthouder of aangesteld bestuurder mentaal of fysiek niet langer bij machte is om in zijn functie de belangen van de school te behartigen kan deze op grond van onderhavig artikel en bij meerderheid van stemmen voor onbepaalde tijd uit betreffende functie worden ontheven, waarbij alle verantwoordelijkheden vervallen aan de overgebleven bestuursleden. Dit artikel is tevens en onverminderd van kracht bij onverwacht overlijden van betreffende toezichthouder of bestuurder. Kortom: Valerius was niet langer de beslisser in zijn eigen universiteit en het dagelijks bestuur werd, met slechts één stem tegen, overgedragen aan Thibaud d’Essencére.
D’Essencére had direct na zijn aanstelling de universiteit opdracht gegeven om Valerius op te laten nemen in het kleine hospitaal dat gelieerd was aan de universiteit en natuurlijk ook onmiddellijk het bevel uitgevaardigd om kosten noch moeite te sparen bij het zoeken naar een middel tegen de vreemde ziekte die Valerius had getroffen.
De volgende twee maanden hadden in het teken gestaan van het zoeken naar een remedie, waarbij Hermas en Yaron beiden op hun eigen vakgebied, onvermoeibaar, maar tevergeefs hadden gezocht naar een medicijn. Uiteraard had Belros vanuit de middelen die hij had via de Temple van Astoth veel van de onderzoeken gefinancierd. En ook Marcus had dit lastige geval voorgelegd aan The Council of Belerim. Echter, veel verder dan de informatie dat Valerius psychisch gefragmenteerd was, kwam niemand.

Toen Marcus via zijn ondergrondse netwerk te horen kreeg dat er een dokter was die alle kwalen kon weghalen, had hij weer een sprankje hoop gekregen. Om de eerder genoemde redenen had hij besloten om zijn zoektocht naar deze wonderdokter individueel voort te zetten.
Marcus kon het niet over zijn stenen hart verkrijgen om zijn kameraad hulpeloos te zien wegkwijnen en koos ervoor om dan maar het middel tegen de kwaal in het grijze gebied te vinden; een gebied waar hij niet graag in opereerde, maar waar hij wel domweg de meeste kans op succes had ten opzichte van zijn kameraden.

Nu, een maand later en fors wat goudstukken en gunsten armer, zat hij op een dak tegenover het huis van Muyhi Haddad, de wonderdokter.
Toen de deur van het kleine huis opende en er een klein gedrongen persoon naar buiten stapte, verbaasde het Perigo, alias Marcus, niet eens dat deze persoon bijna onmiddellijk omhoog keek. Alsof er buiten hemzelf en de paladin op het dak niemand anders in de wereld leefde, riep deze hem van de straat toe: “Je hebt me enkel gevonden omdat ik gevonden wilde worden. Ik ben op de hoogte van de geestestoestand van jouw vriend,hoor. Kan hem ook helpen, mits jullie de prijs kunnen betalen.”
Marcus spuugde weer op het leistenen dak, dit keer geïrriteerd omdat hij het gevoel had dat hij als jager door de prooi was betrapt.

Na het begeleiden van Muhyi Haddad naar de Library of Azuth en de geneesheer van de demonen ongezien naar binnen te loodsen in het vertrek van Valerius, had Marcus met de hoge voorwaarden van de dokter ingestemd. Vervolgens was de Muyhi alleen het vertrek ingestapt en kwam na vier uur weer naar buiten. Hij sprak eenvoudig de woorden: “Het is gedaan. Je vriend heeft ze binnen een dag of drie weer op een rijtje. De barrières zijn gezet in zijn hoofd en hij moet geen last meer hebben van de anderen. Uiterst interessant geval dit. De compensatie vanuit de school zie ik tegemoet.
Toen was hij omgekeerd en alleen de universiteit uitgelopen.

Wanneer Marcus de kamer van Valerius binnen kwam lag deze voor het eerst in drie maanden rustig te slapen. Het leek dat de Muyhi Haddad zijn werk had gedaan en de Paladins Valerius weer konden verwelkomen.