Caught Between A Rock And A Hard Place

De tijd begon te dringen en het zou niet lang duren voordat Maximiliam de Ténébreux met zijn hele gevolg de woestijn weer zou intrekken om de Shards van de Woestijn kostte wat het kost in zijn bezit te krijgen. De twee magiërs, die door de groep was ondervraagd, werden in een nabijgelegen inloopkast gestopt om zoveel mogelijk te voorkomen dat Maximiliam en zijn handlangers op de hoogte zou worden gesteld van de aanwezigheid van de groep paladijnen. Met de laatste invisibility speuk van Valerius werd Marcus onzichtbaar gemaakt. Nu was de groep klaar om op zoek te gaan naar Maximiliam, maar welke kant moest de groep nu oplopen?

Op goed geluk werd een gang gekozen en liep de gehele onzichtbare groep (in tegenstelling tot de andere groepsleden, kon Valerius middels de spreuk See Invisibility de groepsleden wel zien en waar nodig hen corrigeren wanneer ze te dicht tegen elkaar aan zouden komen) verder het complex in. Opeens werd een deur geopend en kwamen er twee huurlingen naar buiten de gang op. Ze droegen zwarte tunieken en hadden kromzwaarden bij zich. Middels Marcus’ Ring of Comprehend Languages, werd het duidelijk dat ze gingen eten. De groep volgde hen stilletjes.

Gedurende het lopen, viel het Marcus op dat de layout van het complex het meeste weg had van een kazerne. Qua richtingsgevoel bevonden we ons volgens Marcus in een van de vestingmuren. Valerius viel iets anders op. De houten deuren, waarlangs de groep liep, waren ondanks het feit dat deze honderden jaren oud waren, nog steeds in zeer goede staat. Het kon niet anders dat een Preservation Spreuk deze deuren in goede staat hield na al die tijd.

De groep liep verder door. Inmiddels waren de twee huurlingen al een deur ingegaan (er was geen twijfel mogelijk dat daar de eetzaal was) en de groep was verder gelopen. Op een gegeven moment kwam de groep op een zijgang, die omlaag liep en eindigde bij een deur. De groep besloot omlaag te gaan en deze deur eens beter te bekijken. Toen Belros de deurknop aanraakte, werd hij begroet door Lightning Damage van een Glyph die op deze deur was geplaatst. Na even te zijn bijgekomen van deze verrassing (en het hielp al helemaal niet zijn humeur op te vijzelen) deed hij de deur open om de ruimte erachter te bekijken. Het was er aardedonker.

Marcus, die wel in het donker kon kijken, keek naar binnen en zag dat het een bergingsruimte was met twee grote kasten en een aantal kisten. Hij stak een toorts aan zodat de rest van de groep dit ook kon zien.
Marcus merkte direct dat het in deze kamer niet goed aanvoelde. Toch besloot de groep enige tijd in deze kamer door te brengen. Destrin werd buiten op wacht gezet en de deur werd dichtgedaan. De grote kasten bleken allen afgesloten te zijn met kettingen en een zegel dat niemand bekend voorkwam. Belros merkte direct op dat deze zegels onlangs waren aangebracht en nieuwer waren dan de kasten in deze kamer.

Marcus besloot een van de kisten nader te bekijken en opende er eentje. In deze kist zaten drie juten zakken. In deze zakken bevonden zich kleding, zes kledingstukken waren oud, een was nieuw en dit betrof de kleding van een tovenaar. Verder werden er drie rollen perkament gevonden; de eerste rol bevatte de spreuken Fireball en Lightning Bolt, de tweede rol perkament bevatte een notitie, die als volgt luidde: “Belangrijke: De kasten bevatten belangrijke inhoud. Kasten niet openen!”). De laatste rol perkament bevatte informatie om een item te maken dat spreuken zou kunnen Maximizen.

Marcus begon de smaak te pakken te krijgen en maakte met zijn zwaard ‘Showtime’ nog een kist open. In deze kist bevonden zich verschillende glazen flesjes. Hiervan waren we vier gevuld met een zwarte vloeistof. Valerius herkende deze vloeistof als vloeibare negatieve energie en besloot deze flesjes mee te nemen. Belros gaf aan dat de groep nu lang genoeg in deze kamer was gebleven en dat het nu echt toch tijd werd om verder te gaan en de groep hervatte hierop zijn zoektocht naar Maximiliam de Ténébreux.

Even verderop liep opnieuw een zijgang omlaag en eindigde bij een deur. Marcus besloot aan de deur te luisteren en hoorde twee stemmen, een zware stem en een lichtere nasale stem. Aangezien hij niet goed kon horen wat er werd gezegd, deed hij de deur heel zachtjes op een kier. Nu werd het wel duidelijk waar deze twee sprekers het over hadden. Het bleek om een discussie te gaan over Wierrook en Spreuken. Duidelijk bleek het om twee magiërs te gaan die met elkaar hevig in discussie waren. De groep besloot weer terug te gaan naar de hoofdgang om weer verder te lopen. Na een keer terug te moeten hebben lopen naar een zijgang om twee fighters, die de onzichtbare groep tegemoet liep, voorbij te laten gaan, kwam de groep op een gegeven moment opnieuw op een zijgang die omlaag liep, maar nu eindigde in twee zware dubbele deuren. Deze dubbele deuren waren gevat in metaal. Nu luisterde Belros aan deze deur en hoorde het geroezemoes  van een grote groep figuren.

Opeens gromde Destrin zachtjes en Valerius die aan de ingang van de gang omlaag stond, zag een groep figuren de kant opkomen. Van de paladijnen. Het was duidelijk dat zij ergens naar op zoek waren en het was niet moeilijk om in te schatten wat dit zou zijn… Een van de figuren viel Valerius onmiddellijk op. Het was een lange magere magiër die, aan zijn melkwitte ogen te zien, blind was. Toch liep deze resoluut de kant van de groep op en toen zag Valerius hoe dit kwam; voor de magiër zweefde een magisch oog dat het beeld van deze gang doorgaf naar de eigenaar ervan. Op dat moment ging er een schok door Valerius en keek hij naar de gang die naar beneden liep. In de linker- en rechterhoek boven de dubbele deuren, zat precies zo’n zelfde oog! “We worden in de gaten gehouden door Magical Prying Eyes. We moeten hier weg!”, fluisterde Valerius naar zijn groepsleden.

Hierop trok de groep zich terug uit de gang en gingen zij terug de kant op waar ze vandaan waren gekomen. Marcus had inmiddels een web geplaatst met behulp van de spin waarop hij zat, om hen zo meer tijd te geven zich terug te trekken. De groep achtervolgers lieten zich niet zo gemakkelijk afremmen. Eén van de figuren stak een fakkel aan om het spinnenweb weg te branden. Kort daarop hoorde Valerius het bekende gemompel van een spreuk die werd  uitgesproken; “Cone of Cold”. Terwijl zijn ploeggenoten achterhem verder de gang terugliepen, bleef Valerius staan om deze spreuk te counteren. Terwijl ook hij zich daarna terugtrok, hoorde hij een andere magiër een spreuk uitspreken. Ditmaal was het een “Enfeeblement”; een spreuk die ook bij Valerius zeer bekend was. Valerius kon hier helaas niets aan doen en zelfs in onzichtbare toestand werd hij door deze spreuk getroffen. Zwaar verzwakt strompelde Valerius achter zijn ploeggenoten aan. Gelukkig konden Belros en Marcus hem op de rug van Destrin plaatsen en terwijl Marcus nog een web spon over de breedte van de gang, maakte de groep zo snel als zij konden, zich uit de voeten.

De groep paladijnen besloot zich terug te trekken naar de kamer met de kasten die waren verzegeld en eenmaal daar aangekomen en de deur te hebben dichtgetrokken, leken zij in deze kamer veilig. “Wat nu?”, was de vraag die op ieders gezicht was af te lezen. Marcus besloot van de gelegenheid gebruik te maken om een derde kist open te maken en vond hierin een groot aantal buideltjes. In de meeste zaten reeds vergane material components. Weer andere buidels bevatten munten uit bijvoorbeeld Thay, weliswaar uit een oude tijd. Andere buidels bevatten wierrook, maar ook dit was reeds vergaan. In één buidel vond Marcus een houten kistje, met daarin een montuur. Deze bril bevatte een paarse lens en een lens die ooit orange moest zijn geweest. Al het oranje was weggetrokken naar een barst die zich in het midden van deze lens bevond. Marcus besloot de bril op te zetten en na enigszins aan het zicht te hebben moeten wennen kon hij, weliswaar niet helemaal scherp, toch Belros herkennen, maar hij was omgeven door een rossige gloed. Marcus zelf was omgeven in een groene gloed net zoals dat bij Valerius het geval was. Op een gegeven moment kreeg Marcus hoofdpijn van de wazige beelden die hij zag en zette hij de bril weer af. Hij kreeg toen de schrik van zijn leven toen hij opeens niets meer kon zien. Gelukkig was dit van korte duur en trok zijn zicht weer langzaam bij. De groep besloot nog een kist open te trekken, de vierde, en trof in deze kist allemaal boeken. Het waren allemaal oude boeken die voor zowel leerling magiërs als de meer ervaren magiërs zeer interessant konden zijn, zo vertelde Valerius.

Opnieuw voelde de groep op een gegeven moment de drang om weer verder te gaan en toen Belros voorzichtig zijn hoofd om de deur had gestoken en had gezien dat alles weer veilig was, ging de groep weer terug naar de gang met de dubbele deuren. Het bleek overal erg stil te zijn, alsof het gehele gebouw met spanning afwachtte wat zou gaan komen. Eenmaal aangekomen bij de dubbele deuren, zag Marcus dat er nog steeds een oog ‘op wacht stond’. Meteen schoot Marcus met de rod of Lightning een bliksemschicht af op de dit oog en deze viel verschrompeld van de muur omlaag op de grond. Hierna deed Marcus voorzichtig een van de dubbele deuren open en keek door een kier de grote ruimte in. Vanuit de kier kon hij een grote tafel zien, waar mensen omheen zaten en verder kon hij mensen zien rondlopen. Door deze kier ging de groep een voor een, nog steeds onzichtbaar, naar binnen…

Eenmaal binnen bevond de groep zich in een grote zaal met zes grote tafels, waar een allegaartje van huurlingen omheen zaten. Het was duidelijk dat deze huurlingen er zeer ervaren uitzagen en allen bezaten zij een goede wapenuitrusting. Valerius stootte Marcus aan. “Kijk daar naar de linker muur en het midden vlakbij het plafond!”. Marcus keek naar de richting die Valerius hem had beschreven en zag opnieuw een oog dat lui kijkend, de zaal in de gaten hield. Na kort overleg besloot de groep langs de linkermuur naar de andere kant van de grote ruimte te gaan, waar ook een grote dubbele deur was. Eenmaal daar aangekomen, bleek deze dubbele deur aan deze kant te zijn vergrendeld met een grote zware balk.

Wat nu? Wanneer de balk eraf zou worden gehaald zou dat zeker de aandacht trekken hier. En wat zou er zich aan de andere kant van de muur bevinden? Veel tijd om hierover te discussiëren was er niet, want opeens klonk een luide bons vanuit de andere kant van de dubbele deuren. Twee figuren sprongen naar voren om de zware balk van deze kant eraf te halen. Vervolgens werden de deuren geopend en trad er een figuur de ruimte binnen die nog het meeste weg had van een half-ogre. Met een luide grom gebaarde hij dat het gezelschap huurlingen hem moest gaan volgen. Hierop liep de gehele menigte achter hem aan de gang in die zich achter deze dubbele deuren bevond.

Ternauwernood wist Destrin als laatste de kamer uit te rennen, voordat deze werd afgesloten door een Blackguard. Vooral Belros en Marcus moeten zich echt inhouden om niet in te slaan op dit figuur! De groep paladijnen wachtte even totdat de grote groep was doorgelopen, voordat zij zelf erachter aan liepen. Terwijl zij door de gang liepen, passeerden zij links en rechts alkoven, waar een zwart energie veld voor zat, als het ware om hetgeen dat zich daarin bevond, te weerhouden om daaruit te komen…

De gang eindigde in een enorme binnenplaats en daar zagen Belros, Destrin, Marcus en Valerius in totaal vier groepen bijeenkomen. Aan de uitrustingen te zien, was er een groep necromancers, een groep met warlocks, een groep met sorcerers en fighters en een groep humanoids te zien. Met name die laatste groep leken zeer gedisciplineerd te zijn en zeer goed op elkaar te zijn ingespeeld. In totaal waren er zo’n honderd man op deze binnenplaats te zijn verzameld, ongeveer vijfentwintig per groep. Samen met de groep paladijnen, stond een ieder te wachten op wat zou komen.

Het wachten duurde niet al te lang, want op een gegeven moment verscheen vanuit een andere gang een groep met in totaal acht Bloodmages. Achteraan liep Maximiliam de Ténébreux. Voorop liep een priester met het gewaad van Nerull, zwaaiend met een grote wierookkandelaar. Marcus fronste zijn wenkbrauwen toen hij dit figuur zag, want was Nerull niet een god die was gestorven?

Zwijgend keek de groep Paladijnen naar dit tafereel, wachtend op wat zou komen…

 

The Curious Case Of Patty Blue – part IV

Secrets of evil, Patty Blue V

De onheilspellende zware voetstappen van achter de grote deur klonken als het gedreun van een zware hoofdpijn na een avondje doorzakken.
Secrets of evil, Patty Blue VLucien stond om een hoek en kon het grote geheel slecht bekijken.
De Pelgrim en Daryll hadden de handen nog vol aan wat zombies die uit de cel blokken bleven komen.
Saator de mysterieuze figuur stond nog aan het einde van de gang in een wat bredere hal met cellen blokken aan beide kanten.
Dan horen we een geluid van een deur die ingebeukt word en een stofwolk vult de hal aan het einde van de gang.
Daryll en de Pelgrim zijn inmiddels de zombies de baas en de groep wacht wat er gaat komen als de stofwolk optrekt.
Uit de stofwolk komt een afzichtelijk figuur rennen die door Saator de naam crank heeft mee gekregen.
De grote en de lelijkheid van het monster imponeren de groep maar Daryll en de Pelgrim stappen als twee doorgewinterde vechters opzij om het monster voorbij te laten razen en stappen daarna succesvol in om het beest rake klappen te verkopen.
Yamina legt vervolgens een pijl op haar boog en schiet dwars door het gevecht heen, met een dodelijke precisie raakt ze crank in de schouder en het monster brult het uit.
Dit doet de vechtster van Astoth nogmaals en het is weer raak.
Lucien schiet nog wat magische “pijlen” op Crank af en het monster word eigenlijk overdonderd door de groep avonturiers waar hij op af gestuurd is.
Saator ziet ook dat zijn “bodyguard” het gevecht niet gaat winnen en spreekt nog een laffe ijzige spreuk uit op de weerloze Trouvit en rent een gang in.
Secrets of evil, Patty Blue VKort daarna stort Crank door diverse verwondingen tegen de grond en Sandor gaat aan de gang de ondode minotaur in brand te steken.
De rest van de groep loopt richting Trouvit maar komen her en der toch nog wat zombies tegen die uit verschillende cellen opduiken.
Een van deze ondode bezorgt Lucien nog een behoorlijk letsel aan de knie waardoor de sorcerer amper nog op eigen kracht kan lopen.
Als de zombies met de nodige moeite door de Pelgrim en Daryll zijn opgeruimd lopen de twee naar trouvit toe die in een onderkoelde toestand op de grond legt.
De twee aarzelen niet en brengen Trouvit direct naar de inmiddels brandende Crank toe om hem op temperatuur te krijgen.

De eigenaar van de Mansion komt langzaam bij en als Sandor met hem probeert te praten blijkt Trouvit zijn geheugen gedeeltelijk te hebben verloren?
Dit cellencomplex is volgens hem al aanwezig geweest voordat het grote huis erop werd gebouwd.
Wat hier beneden voor lugubere dingen gebeurde weet hij volgens eigen zeggen niets van?
Als Sandor over de kale donkere man begint zegt Trouvit “Saator Limange”

De groep besluit verder te gaan en Trouvit mee te nemen.
Het is aarde donker in de gangen en Snitch gaat op verkenning terwijl Lucien word ondersteund met een serieus lijkende verwonde knie.

Secrets of evil, Patty Blue VEr blijkt verder in het complex nog een wirwar van gangen te zijn die aarde donker zijn en als Snitch terug komt van een verkenning en ook nog te melden heeft verschillende keren een val te moeten ontwijken of uit te schakelen is de keuze snel gemaakt om terug te lopen naar boven het huis in.

Terug in het huis keert er rust terug in de vol met adrenaline gevulde lijven van de groep.
Trouvit komt ook bij en vraagt wat er in zijn huis gaande is?
Het lijkt erop dat hij van niets weet en dat Saator er een lugubere hobby op na houd om beneden, waar blijkbaar niemand komt?, jonge dames te verminken en rare experimenten op deze uit te voeren.
Als we in het gesprek zitten vraagt Yamina zich ineens af waar de gevangen vrouwen gebleven zijn?
We hebben ze op de terug weg niet meer in de open cellen zien zitten dus ze zijn gevlucht, maar waar heen?
Als Daryll buiten wat sporen onderzoek doet blijkt dat de vrouwen waarschijnlijk de tuin zijn ingelopen en het hek uit naar buiten.
Dit maakt het geheel niet eenvoudiger voor Trouvit.
We maken hem duidelijk dat hij door de stadswacht als verdachte zou worden beschouwd als ze erachter komen wat hier met de jonge vrouwen is gebeurd.
de enige manier voor Trouvit om eronder uit te komen is het tegendeel bewijzen en Saator voor het gerecht brengen en laten bekennen dat hij achter de gruwelijke daden zit.
Als eigenaar van het huis waar alle daden zijn verricht zal Trouvit vrijwel zeker worden opgepakt en de rest van zijn leven in het gevang door brengen.
We speculeren door over de gebeurtenissen en Trouvit zegt dat hij Saator een aantal weken geleden heeft ontvangen als gast in zijn huis.
De vraag die meteen op komt is, kan iemand in een paar weken tijd zo een groot cellencomplex met vrouwen vullen en de meest afzichtelijke rituelen met ze uitvoeren?

Vragen die we onszelf afvragen zijn onder meer.

  • Hoe lang duurt het voordat de stadswacht de gevluchte vrouwen zal vinden.
  • Zal de stadswacht direct het huis van Trouvit komen bezoeken?
  • Zal Saator nog in het complex zijn of gevlucht naar buiten?
  • We hebben geen spellbook gevonden van Saator alleen wat papieren en boeken over het menselijk lichaam, hij moet bijna nog wel een ruimte in het complex hebben waar hij meer spullen bewaard?

Dan heeft Sandor het door, “de grote deur waar dat beest uitkwam!”
Dat moet het zijn, de necromancer Saator heeft ons heel sluw weg geleid van zijn studie kamer en wij zijn er met open ogen in gelopen, terug naar beneden dus!

De weg terug is rustig en het overschot van Crank is bijna helemaal uitgebrand, de lucht is niet te harden maar dit monster staat niet meer op.
Bij de grote deur aangekomen blijkt hij dicht?
Lucien bekijkt de deur en samen met Snitch komt hij erachter dat de deur beveiligd is met een glyph.
Een Mage Hand krijgt de deur niet open en Snitch is ook niet erg te porren om de magische trap te ontmantelen.
Dan roept Daryll de groep bij hem en verteld dat hij een spoor van een zachte schoen heeft gevonden in de gang en dat deze bijna zeker van Saator moet zijn.
Het spoor is moeilijk te volgen in de donkere gangen maar vrijwel zeker gaat hij na een paar gangen naar beneden een “grot” in.
Daryll besluit alleen de grot in te lopen om te kijken wat er schuil gaat.
Met een beperkte verlichting van een toorts van de groep voelt hij een blubber bodem die bovenop een hardere ondergrond legt?
De grot blijkt groot, zeer groot zelfs.
Als Daryll zijn ogen wat aan het donker gewend zijn ziet hij een soort houten schutting die hij volgt.
De schutting loopt en een vreemde vorm midden door de grot heen? Dan ziet de Ranger de bekende rode puntjes in het donker en samen met wat monsterlijk gekreun is het duidelijk dat zombies de ranger ontdekt hebben.
Daryll besluit terug te keren naar de groep aan het begin van de ruimte en laat de grot en de zombies voor wat ze zijn.

Terug bij de dubbele deur waar achter bijna zeker de studie kamer van Saator zich bevind word er hevig getreuzeld en overlegt hoe de deur met de magische val te openen.
Yamina heeft er blijkbaar genoeg van en het geduld van de vechtster kan het niet meer aan, ze loopt naar de deur en trekt hem open?

De groep schrikt en springen alle kanten op om klappen of een vuurzee te ontwijken.
Niets van dit alles alleen een openstaande deur met een zwarte lijn op de drempel.
De val is nog steeds aanwezig dus maar we kunnen wel naar binnen kijken.
Lucien spreekt een Mage Hand uit en laat deze met een bullseye de kamer in zweven en zo zien we een groot gedeelte van de donkere kamer.
Een grote lege kooi is waarschijnlijk de woonplaats van Crank geweest en de diverse martel werktuigen en diverse gereedschappen om het menselijk lichaam te ontleden op verschillende tafels doet ons bijna zeker weten dat dit de kamer van Saator moet zijn.
We zien nog 2 gewone deuren en 2 celdeuren mar kunnen niet zien wat erachter of erin zit?
De kamer is voor de rest leeg en de geur van rottend vlees komt ons langzaam tegemoet.
De kwaadaardig zwarte lijn op de drempel geeft iedereen het idee dat als deze overschreden word de gevolgen niet na te vertellen zijn dus het binnengaan van de kamer is geen optie voor nu.
De Mage Hand is terug bij Lucien om de bullseye te brengen en een paar seconden later vervaagd de hand en is verdwenen.

Met vragende blikken en een Trouvit die ook bijna sprakeloos is over alles wat er in “zijn” huis gebeurd zegt de kleine Snitch,
“toch maar verder het complex in ?”

Get Them Here – Get Your Demons Here

Het misselijkmakende gevoel dat Marcus van Valerius’ teleport had overgehouden begon geleidelijk aan weg te trekken. Maar goed ook, dacht Marcus, want hij was inmiddels samen met de magiër zo geruisloos mogelijk alweer twee verdiepingen afgedaald in het pakhuis. Wellicht dat het de combinatie was van opgeslagen specerijen, tapijten, stoffen en andere waar, maar normaliter trok het bijeffect dat een teleport op Marcus had sneller weg. De demon hunter schonk er verder geen aandacht, met name omdat hij juist op dat moment net iets meer geluid maakte dan hem lief was.
Heel even schoot het Marcus door zijn hoofd dat dit de allereerste keer was dat hij alleen met Valerius op pad was. De eerste keer alleen met de First Disciple of Azuth; hij kon zich slechter gezelschap indenken.

Hoewel de eerste paar minuten wat onwennig aanvoelden voor de demon hunter schakelde hij al snel over naar zijn solitaire jachtinstinct; op iedere verdieping volgde hij zijn systematische aanpak die hem van jongs af aan was ingestampt. “Eerste beginsel: een outsider wordt waargenomen door het oog van Torm, het menselijk oog ziet de demon te laat. ” De woorden van zijn meester, master Brem Colleen,  klonken alsof deze pal naast Marcus stond. Inmiddels was de demon hunter zo ervaren dat hij detect outsider skill zonder al te veel concentratie kon uitvoeren. Na enkele ogenblikken schakelde Marcus over naar de detect evil skill die hem door de priesters van Torm was bijgebracht. Waar Marcus op de zesde tot en met de vierde verdieping geen enkel teken van outsiders danwel van evil ontwaarde, constateerde de volgeling van Torm op zowel de derde als tweede verdieping wel degelijk de presence van outsiders. Met een korte knik naar Valerius gaf Marcus aan door te lopen naar de eerste verdieping. De demon hunter was op jacht en was vastberaden zo snel en efficiënt mogelijk te werk te gaan en had niet het idee dat hun aanwezigheid al was opgemerkt.

Op de eerste verdieping bevond zich de winkel van de eigenaar van het pakhuis en bleek er op het late tijdstip toch nogal wat bedrijvigheid. Zo nu en dan waren Marcus en Valerius genoodzaakt snel een gang in te duiken als er personeel langskwam. De kaart die de informant Maleth het meegegeven bleek uiterst correct en Marcus bedacht dat zijn connectie in Marsember zijn geld meer dan waard was, voor zover dat opgaat voor een dief. Op basis van de kaart liepen Valerius en Marcus vrijwel direct naar de plek waar zich volgens hun informatie hoogstwaarschijnlijk het amulet bevond. Dat Marcus ook op de eerste verdieping outsiders detecteerde weerhield hem er niet van zo snel mogelijk het amulet in handen te krijgen om het vervolgens te vernietigen.
Voorzichtig opende de demon hunter de deur van de slaapkamer. Binnen bleek er geen verlichting, maar met behulp van zijn darkvision zag Marcus dat het bed onbeslapen was. Terwijl hij zachtjes door de slaapkamer liep zag hij dat er in de aangelegen ruimte (wat volgens de kaart de badkamer moest zijn) licht brandde. Opnieuw focuste Marcus op outsiders en evil en vooral dat laatste deed hem een koude rilling over zijn rug lopen. Niet zozeer dat hij in de nabijheid was van een demon, maar meer alsof er een projectie van evil, een schim rondwaarde in de ruimte waar het licht vandaan kwam. Valerius was inmiddels de slaapkamer binnen gekomen en voorzichtig deed het tweetal de deur van de badkamer op een kier. Valerius sloeg een hand voor zijn mond en ook Marcus moest twee keer slikken bij het aanzicht een de vrouw die aan beide armen in de badkamer, boven het bad, als een geslacht varken was opgehangen. Waarschijnlijk was zij nog geen uur geleden omgebracht en was haar lichaam leeggebloed in het inmiddels overlopende bad. De twee paladins weerhielden zich ervan de vrouw direct los te halen uit haar ketenen, niet alleen omdat het hen duidelijk was dat de vrouw niet meer te redden was, maar met name omdat het schouwspel hun missie nog eens overduidelijk benadrukte. “Het bad is veel te vol.” Merkte Valerius op, waarop Marcus uitlegde dat de vrouw waarschijnlijk niet het eerste slachtoffer was van een dergelijke rituele moord. Terwijl de demon hunter vertelde dat demons er doorgaans extra hun best voor doen om personen die in hun ban zijn zoveel mogelijk leed toe te brengen (de conclusie dat de vrouw eigenhandig door haar man was omgebracht was al snel getrokken), viel het de paladin op dat er een licht bloedspoor vanuit de slaapkamer de gang inliep. Hij was er toch zeker van dat Valerius de slaapkamerdeur had dichtgetrokken. Het tweetal zette de achtervolging in en kwam uiteindelijk uit in het eigenlijke winkelgedeelte waar het spoor niet langer zichtbaar was.

Valerius wilde Marcus net vragen hoe nu verder te gaan toen hij een sonoor, dronend gehum hoorde. Het was Marcus ook opgevallen, die letterlijk zijn half-elf oren spitste en langzaam de ruimte scande om zo het geluid te lokaliseren. Hij wees op de plek achter de toonbank. Zachtjes liepen de twee door de schemer donkere winkel, richting de toonbank. Achter de toonbank bleek een trapgat waar vanuit het gehum, of liever gezegd, ritueel gezang vandaan kwam. Voordat Marcus het trapgat in wilde stappen hield Valerius de demon hunter tegen en wees op een glyph die daar als val geplaatst was. De magiër stak geruisloos zijn handen uit zijn mouwen, maakte een aantal arcane gebaren en fluisterde een gebed tot Azuth, waarna de glyph langzaam doofde. Valerius stapte weg bij het trapgat en gebaarde dat Marcus door kon lopen. Marcus kon zich inderdaad slechter gezelschap bedenken.

De kelder van het pakhuis bleek immens. Hier en daar verlicht door vaten die een faal blauw licht afgaven konden Marcus en Valerius in een eerste oogopslag geen inschatting maken hoe groot de kelder werkelijk was. Niet in het minst omdat hun zicht werd geblokkeerd door opeengestapelde kratten en vaten. Valerius nam de ruimte in zich op, terwijl Marcus na een snelle scout eigenlijk alleen maar oog had voor hetgeen zich afspeelde in klaarblijkelijk het midden van de kelder. Binnen een rituele cirkel getekend om de houten vloer zaten zeven mannen aan een tafel, allen gekleed in zwarte gewaden met een zwarte monnikskap op. De zeven mannen waren de bron van het sonore gezang. Aan kop van de tafel stond de eigenaar van het pakhuis en de winkel, rond zijn nek de prooi waar Marcus deze avond naar op jacht was; het amulet. Als een tegenpool op het rituele gezang van de gewade mannen prevelde de koopman onzedelijke gebeden, zijn ogen gefixeerd op een afzichtelijk afgodsbeeld van een demon. “Serieuze zaken, hier.” fluisterde Marcus naar Valerius en wees op het afgodsbeeld dat duidelijk gemaakt was door iets of iemand die one-to-one contact had gehad met een demon. Doorgaans waren de idols van demonen ruw en onnauwkeurig, maar niets was minder waar het dit beeld betrof. Dat het hier om een Type IV demon, of wellicht een demon prince ging zoveel was Marcus wel duidelijk. De detect outsider die hij automatisch had gedaan bij het afdalen door het trapgat waarschuwde hem dat er in totaal 5 outsiders aanwezig waren in zijn directe omgeving. Hij waarschuwde Valerius dat er 3 outsiders in een stel tonnen zaten en 2 in een aantal kisten. De magiër keek de demon hunter aan en de blik van verstandshouding was voldoende. Valerius fluisterde Marcus toe dat hij zijn ogen dicht moest doen, waarna hij zich tot Azuth wende.

De sunburst die het gevolg van Valerius gebed was verraste de occultisten volledig. Het verblindende searing light zorgde ervoor dat een aantal van de demon worshippers omver werd geblazen en hun onreine huid zwaar verbrandde. De overgebleven mannen en de koopman schrokken weliswaar wakker uit hun trance, maar leken niet verblind door het felle licht.
In een fractie van een seconde ontvlamde het gevecht. Van de tonnen en kisten waar Marcus de outsiders gelokaliseerd had klapten de deksels open en sprongen de vijf outsiders tevoorschijn. Dit had Marcus op zich wel verwacht, echter, dat de tafel waaraan de occultisten zaten uit zichzelf leek op te staan vond de demon hunter minder voor de hand liggend. De tafel mat minimaal zes meter en leek zich klaar te maken om aan te vallen. Marcus reageerde desalniettemin veel sneller dan zijn tegenstanders en stormde op de koopman af, waarop 1 van de occultisten een magische pijl afschoot op de demon hunter. Helaas voor de man was Marcus niet te stuiten. De demon hunter activeerde Valerius’ Charm en commandeerde de outsiders in naam van Torm het material plane te verlaten. De volle overgave van Marcus gebed, bijgestaan door de eagle splendor van het amulet dat Valerius voor hem had gemaakt zorgde ervoor dat de outsiders rond Marcus, inclusief de reusachtige tafel, uiteen spatten.

Valerius had intussen een flight uitgesproken en gaf Marcus rugdekking door de warlocks en overige outsiders op afstand te houden.
Marcus was nog steeds gefocust op de koopman. Terwijl het lichaam van de koopman hevig schokte en de ware aard van de Yagg-Toth die bezit had genomen van het lichaam tevoorschijn kwam, aarzelde Marcus geen moment. Dit was zijn metier, dit was waar hij Torm voor diende en de demon hunter stootte opnieuw zijn holy symbol vooruit. Dit keer alleen gefocust op de demon waar hij oog in oog mee stond. Geen van de warlocks die zich rond de demon hadden geschaard kon iets uitvoeren om het onvermijdelijke te voorkomen. Marcus riep luidkeels het gebed waarin hij Torm vroeg de Yagg-Toth te banishen. Torm’s antwoord liet niet op zich wachten en de demon verliet schreeuwend de wereld van Toril. Het lichaam van de koopman viel op de grond.
Valerius en Marcus maakten korte metten met de overgebleven occultisten en zoals wel vaker het geval was met demon worshippers vochten de warlocks tot het bittere eind.

Na het gevecht snelde Marcus zich naar de koopman, want het amulet waarvoor hij was gekomen moest natuurlijk nog wel vernietigd worden. Valerius zorgde ervoor dat de demon hunter zonder problemen door de magic circle kon stappen om zo het amulet te bemachtigen. De koopman, hoewel zwaar verzwakt, was nog in leven.
Marcus stelde zijn prioriteiten en vernietigde het amulet door met de Demon Capturer een stuk uit het sieraad te slaan. Het vernietigen van het amulet stak in schril contrast af met het heldhaftige gevecht dat eraan vooraf ging.

In de dagen die volgden zorgden Valerius en Marcus ervoor dat de koopman weer op krachten kwam en werden de praktijken die zich de afgelopen paar weken in het pakhuis hadden afgespeeld tot op de bodem uitgezocht. Het bleek dat de Yagg-Toth de koopman, diens handelshuis en de daaruit voortvloeiende handelsroutes had gebruikt om systematisch demon spawn in tonnen en kisten te verschepen. Nadat de koopman zijn handelsconnecties had uitgetekend werd de schaal van het schandaal pas echt zichtbaar. De afgelopen weken, zo bleek, waren er door heel Cormyr en ver daarbuiten honderden, wellicht duizenden vaten, tonnen, danwel kisten verscheept!  En voor ieder vat, elke ton of kist was de kans aanzienlijk dat er een demon was mee verscheept.
De koopman, verscheurd door het overlijden van zijn echtgenote en het kwaad dat in zijn naam was verricht, wist zich geen raad. En daarom verzekerde Marcus dat zijn demon hunter guild de koopman zou helpen om de “demons in a can” op te sporen en te elimineren.

Mocht u dus net uw nieuwe wijnvaten binnen hebben gekregen, eerst even drie keer op het hout kloppen; indien uw kloppen wordt beantwoord, neemt u dan even contact op met uw lokale contactpunt voor demon pest removal!

 

Sellies Cave

Behoedzaam liep het drietal de grot in. Belros liep voorop, gevolgd door Valerius. Verder achterop liep Destrin, de achterhoede in de gaten houdend. De grot meanderde en sloeg opeens naar links af en werd vervolgens breder om tenslotte uit te komen in een grote ruimte. Op de helft van deze ruimte was een natuurlijk gevormde verhoging van anderhalve meter. Aan de wanden hingen toortsen ter verlichting. Rechts liep een pad langs de wand naar deze verhoging.

Tot Belros’ en Valerius’ verbazing was deze grot gevuld met in totaal 17 stenen beelden, die allemaal gericht stonden naar de ingang van deze ruimte. Verder leek er geen levende ziel in deze grot zich te bevinden.

Voorzichtig liepen Belros en Valerius elk naar een beeld toe om deze nader te bekijken. Zo stond Valerius voor het beeld van een dwergen vechter, die zeer minutieus was nagemaakt. Belros was naar het beeld van een Umberhulk toegelopen, dat bovenop een skelet was gevallen. Toen Belros dit schouwspel beter bekeek, zag hij dat om het hoofd van het skelet slangenskeletjes lagen. Dit leek wel het skelet van een Medusa! Vanonder het stenen beeld van de Umberhulk stak een deel van een boog uit. Valerius, die ook naar het beeld van de Umberhulk was toegelopen, bekeek de boog met z’n Glasses of Detect Magic. De rode gloed die de boog omgaf was duidelijk het signaal dat deze boog magisch was en hij deelde dit dan ook Belros mede.

Het tweetal begon meerdere beelden te bekijken. Zo bleek er een beeld te zijn van een kobold die een bange gelaatsuitdrukking had. Weer een ander beeld toonde een reptielachtig wezen in een aanvalshouding. Het gevoel bekroop Valerius dat er iets niet klopt. “Deze beelden waren ooit levende wezens!”, vertelde Valerius tegen Belros. “Maar wie of wat heeft deze wezens dan versteend?”, vroeg Belros vervolgens aan Valerius. “Geen idee. Misschien de Medusa die onder dat grote beeld van die Umberhulk is terecht gekomen?”. Belros haalde zijn schouders op en liep naar het volgende beeld.

Het volgende beeld dat het tweetal bekeek was van een figuur dat half verscholen achter zijn towershield stond. Op het schild was het symbool van de morninglord Lathander te zien. Verder achterin de zaal stonden op een verhoging een man en een vrouw, die ieder helmen hadden met vleugels daarop. Links was een gang die omlaag liep, wellicht verder het complex in.

Belros besloot het beeld van de Umberhulk opzij te rollen om zo het skelet beter te kunnen bekijken en om de boog te kunnen pakken. Valerius besloot hem te helpen. Met vereende krachten kwam het beeld in beweging … waarbij Belros en Valerius er opeens achterkwamen dat hun handen vastkleefden aan het beeld! Als de handen van Valerius niet waren vastgekleefd, had hij zich wel voor z’n hoofd kunnen slaan! Wellicht had z’n zoektocht naar elk flintertje informatie over de golems hem wel onvoorzichtig gemaakt, want anders had hij waarschijnlijk wel kunnen doorzien dat het beeld van de Umberhulk in werkelijkheid een Mimic was geweest…!

Er schoten twee tentakels uit het beeld, die zowel Belros en Valerius raakten. Destrin zag opeens dat een beeld van een vrouwelijk elf weer veranderde in vlees en bloed en haar boog spande en deze richtte op Belros en Valerius. Ondertussen probeerde de Mimic het lichaam van Belros te bedelven met z’n amorfe lichaam.

Valerius concentreerde zich en vormde in zijn gedachten de syllabes van een Teleport spreuk. Op het moment dat hij de woorden wilde uitspreken klonk er opeens schrille schreeuw vanuit de hoek waar de beelden stonden met de gevleugelde helmen. De gevleugelde hoofden bleken Vargouilles te zijn! Gelukkig konden Belros en Valerius zich verweren tegen deze schreeuw anders waren beiden doof geweest, of nog erger; paralysed! Valerius kon zijn spreuk behouden en sprak de Teleport spreuk uit. Even later bevonden Valerius, Belros samen met de Mimic voor de ingang van de grot, weg van de chaos die zich binnen afspeelde. Belros voelde dat Destrin in gevaar was en probeerde zich wanhopig loste rukken uit zijn benarde positie. Helaas leek dit onmogelijk en het amorfe lichaam van de Mimic begon meer en meer Belros te bedekken en een deel van het gezicht van Belros was reeds bedekt! Het zou niet lang meer duren voordat Belros zou gaan stikken!

Uit wanhoop welde een kracht op in Valerius, die hem in staat stelde zijn handen los te rukken van de Mimic! Hierop sprak hij een maximized Scorching Ray uit die de Mimic bijna in een klap doodde. Met een tweede Scorching Ray was het wezen geveld, maar het zou nog een aantal ronden duren voordat Belros zich geheel zou kunnen bevrijden uit zijn benarde positie.  Belros voelde ondertussen dat Destrin in gevaar was en probeerde zich opnieuw wanhopig los te rukken.

Ondertussen werd er op Destrin geschoten door de elven boogschutster. De weg naar buiten werd Destrin versperd toen plotseling een groot rotsblok veranderde in een troll! Destrin besloot van tactiek te veranderen door de elven boogschutster aan te vallen. Met een flinke klap vaar klauwen, sloeg ze de boog uit de handen van de vrouwelijke elf. Opeens veranderde de troll in een gevleugeld wezen dat elektrische stralen kon schieten vanuit zijn vleugels en vloog op Destrin af. De positie van Destrin werd nog benarder toen achter haar vanuit de rotswand een Medusa tevoorschijn kwam met een boog op de rug en een dolk in de handen, klaar om Destrin een backstab te geven. De Medusa haalde uit, maar mistte Destrin op een haar. Vervolgens viel het wezen Destrin aan met een flurry of blows.

Ondertussen veranderde het gevleugelde wezen weer van vorm en nam opnieuw de vorm aan van een troll. Nu zag Destrin haar kans schoon om naar buiten te vluchten, aangezien de uitgang nu niet meer geblokkeerd was. Bliksemsnel schoot Destrin richting de uitgang, maar kreeg nog wel een tik na van de troll.

Inmiddels was Belros losgekomen vanuit zijn benarde positie. Destrin had zich inmiddels bij hem gevoegd. Voordat het drietal weer de grot in wilde gaan, bekeek Belros de boog, die eigenlijk de oorzaak was geweest van alle ellende. Hij spande de pees, maar die begaf het in een keer. Met een verbouwereerd gezicht bekeek hij de pees nader; doorgesneden! Belros smeet de boog in zijn bag of holding en brulde, “Terug die grot in!”.

Toen het drietal opnieuw bij de grote ruimte was aangekomen, was het doodstil. Op de plek waar de Medusa Destrin had aangevallen, lag nu het levenloze lichaam van … een Medusa! Even verderop stond weer het beeld van de vrouwelijke elven boogschutter. Het drietal maakte zich klaar om de gang links te nemen, naar beneden. Ze wilden net aanstalten maken, toen opeens opnieuw de schrille schreeuw klonk van een Vargouille! Belros kon zich er opnieuw tegen verzetten, maar Valerius helaas niet. Dankzij de Aura of Courage van Belros was Valerius door deze schreeuw ‘slechts’ doof en niet Paralysed! Evenwel zou zijn doofheid het moeilijker maken voor Valerius om zijn spreuken correct te kunnen uitspreken.

Opeens begon de steen vlak voor Belros en Valerius te bewegen en deze veranderde in een Rust monster. Het monster, dat zich voedde met metalen, viel direct Belros aan. Belros sloeg een critical hit op het monster en dankzij een goede save van Blue Blade, was het zwaard niet veranderd in een hoopje roest. Het Rust monster voerde een gerichte aanval uit op het Blue Blade zwaard maar mistte deze maar net. Belros gooide hierop zijn zwaard achter hem en viel het wezen aan met z’n blote handen. Vervolgens richtte het monster zijn aandacht op Valerius en sloeg op het Mytrill armor van Valerius; Raak! Vol afgrijzen zag Valerius zijn waardevolle Mythrill shirt veranderen in stof… Snel deed hij een stap naar achteren en ging hij achter Belros staan. Toen het Rust monster opeens veranderde en opnieuw de gedaante aannam van de Troll leek het Valerius verstandig om opnieuw de grot even te verlaten en hij legde zijn hand op de schouder van Belros. Belros herkende dit teken en schudde zich los en deed een stap naar voren. Hij zou Blue Blade niet alleen achter laten in deze grot!

Valerius twijfelde even wat hij nu moest doen. Voor hem stond de Troll, maar even verder op was het stenen beeld van de boogschutter weer tot leven gekomen. Een paar pijlen zoefden langs Belros en Valerius heen. Langzaam veranderde het stenen beeld in een tweede Medusa! Valerius wendde hierop zijn blik af en sprak een maximized Scorching Ray uit op de Troll, die in een keer werd gedood. Valerius had inmiddels dit wezen herkend als een Phasm; een wezen dat zich kon veranderen in verschillende vormen, die het in z’n leven had gezien. Dit wezen had zich gespecialiseerd in de vormen; troll, rotsblok, het gevleugelde wezen met de elektrische stralen en tenslotte het Rust monster. Ondertussen was de Medusa zich langzaam aan het bewegen richting de uitgang. Zowel Belros als Valerius dorstten niet het wezen aan te kijken om te voorkomen in steen te veranderen. Even later was de Medusa verdwenen.

Voordat het drietal omlaag ging, wist Belros Valerius te genezen van zijn doofheid. Hierop vervolgde
het groepje zijn weg omlaag. Het gangetje omlaag eindigde in een ondergronds meertje. In een hoek
lagen botten en stro, hetgeen aanduidde dat dit de slaapplaats moest zijn geweest van de Medusa’s. Valerius besloot het meertje nader te gaan onderzoeken, want hij zag in het midden iets wat op een
grote steen leek. Hierop sprak hij een Fly uit en even later zweefde hij boven de steen in het midden
van het meer. Aangezien hij niets bijzonders kon zien aan de steen, zette hij opnieuw zijn Glasses of
Detect Magic op. Hierop zag hij opeens de bekende rode gloed van magie verschijnen onder steen.

Valerius besloot zijn wand of Telekinesis te gebruiken om de steen omhoog te halen om te zien wat er onder zou liggen. Toen de steen langzaam omhoog zweefde, zag hij dat dit geen steen was, maar een versteende Chuul; een wezen van de Underdark. Hieruit kon Valerius concluderen dat het meertje niet eindigde in deze grot, maar waarschijnlijk een rivier was die diep de Underdark zou ingaan…

Onder de versteende Chuul vond Valerius een leren plunjezak (met hierin 210 gp en 120 silver pieces), een flesje met een onbekende vloeistof en een wand. Belros had inmiddels de rustplaats van de Medusa’s verder onderzocht en had het volgende gevonden; Een oude canvas rugzak, met daarin een aantal lege perkament rollen, drie ganzenveren, twee flesjes met inkt, een hamer, een aantal vijzels en een buideltje met 50 gp.

Terwijl Valerius met zijn Glasses of Detect Magic, verder de grot rond keek om te zien of er nog meer magische voorwerpen zouden liggen, vond hij bij het lichaam van de gedode Medusa een Hat of Disguise. Opeens viel hem een magisch aura op dat op de rotswand hoog boven hem zat. Middels zijn Fly-spreuk, die nog steeds werkzaam was, vloog hij er naar toe om dit beter te bekijken. Toen Valerius dichterbij was genaderd, schoot het magische aura opeens weg. Valerius zag toen opeens dat dit aura afkomstig moest zijn geweest van een Scry spreuk! Iets of iemand was Valerius hier aan het scryen!

Uiteindelijk bleek de grot niet meer dan een dood spoor te zijn en was Valerius niets meer te weten gekomen over de Golems. Hij was z’n Mythrill shirt kwijtgeraakt, maar had wel een aantal voorwerpen gevonden die handig zouden zijn voor zowel hem als zijn vrienden. Ook had hij uit de dode lichamen van de Medusa en de Phasm voldoende materiaal kunnen halen om te kunnen laten verwerken in potions. Toch kon Valerius niet het gevoel onderdrukken, en dit werd mede verstrekt door de Scry-spreuk die hij had ontdekt, dat dit wel eens allemaal kon zijn opgezet. Wilde iemand hem beletten meer informatie te vinden over de Golems? Of speelde er een meer duister motief dat te zijner tijd duidelijk zou worden? De tijd zou het leren…

 

 

 

 

 

Bringing Back The Voice

Belros weet nog precies alles wat er is voorgevallen in de woestijn.
Met Marcus en Valerius volgt hij de ancient ones van Astoth die een aftocht hebben gemaakt vanuit de tempel en een onbekende bestemming hebben.
De overnachtingen en het overlappen van de gloeiend hete dagen was zwaar maar onvermijdelijk om erachter te komen wat het doel van de ancient ones was.
Een figuur aan de horizon was de eerste onheilspellende gebeurtenis en de volgelingen of servants van dit figuur vielen de groep aan in de hete middag.
Het gevecht verliep voorspoedig totdat er door de hitte een fout werd gemaakt en fouten kunnen in deze omstandigheden fataal zijn zoals is gebleken.
Een ijzige kou treft Belros midden in een gevecht en hij voelt zichzelf achterover vallen en het leven uit hem weg vloeien.
Nog een keer opent hij met al zijn krachten zijn ogen en ziet dat Destrin de schorpioen die boven hem staat te lijf gaat en voorkomt dat giftige angel het lichaam van Belros doorboort.
Dan word het stil en lijkt de onbewolkte hemel ineens samen te trekken.
Wolken verschijnen en vormen een donkere sinistere verschijning in de ogen van Belros.
Dan opent het dek zich langzaam en een lichtbundel verschijnt, is dit het pad naar Astoth?

Valerius komt met teleport aan in de kamer van Stellar de deadwatcher in de tempel van Belros.
Stellar zit wat te eten en het lijkt bijna wel of hij de magic user verwacht.
“leg hem maar op het altaar en schuif aan om wat te eten Valerius”
Valerius legt het lichaam van Belros op de grote lege steen in het midden van de kamer en gaat wat onrustig zitten.
“Stellar de voice van Astoth is overleden en het is mijn schuld, we moeten hem terug brengen NU!”
Valerius probeert duidelijk te maken dat Stellar met een ernstig probleem te maken heeft maar de deadwatcher kijkt wat nonchalant op en eet rustig verder.
“het kan zijn dat u de ziel moet geven om onze leider terug te krijgen, bent u hiertoe bereid?
Het lichaam moet rusten hoe gek dat ook klinkt, maar het terug brengen van de voice van Astoth zal niet zonder gaan zonder offers te brengen.
Ik denk dat ik minimaal 8 mensen of wezens nodig zal hebben die puur van hart en overtuiging zijn om Belros terug te brengen.
Niet alle 8 zullen ongehavend uit de strijd komen, hetgene wat deze zullen zien zal ze de rest van hun bestaan achtervolgen.
Berlos zal terug gehaald worden van een reis die niet is gemaakt om afgebroken te worden, de gevolgen zijn onbekend.
Valerius zorg dat ik 8 pure en overtuigde zielen krijg die mijn leider gaan terug halen en hou er rekening mee dat het een zware reis word.”

De dead watcher neemt een laatste hap en staat dan op om naar het altaar midden in de kamer te lopen.
Hij legt een hand op de borst van Belros en kijkt om naar Valerius maar de stoel waar de magic user zat is al leeg en blijkbaar is hij al onderweg om zijn 7 metgezellen te verzamelen.

Destrin en Marcus zijn de eerste gegadigden en met een descern location weet Valerius de twee in de woestijn te vinden.
Ze zijn een stuk door gelopen achter de ancient ones aan maar moeten nu dus de achtervolging staken om mee terug te gaan naar de tempel van Astoth.

Skylar is de volgende die een bezoek krijgt van Valerius.
De leiding gevende in de tempel van Astoth in Trademeet schrikt van het slechte nieuws en bedenkt zich geen minuut om mee te gaan.

De laatste die gehaald worden voor het ritueel zijn Tariq al Fateen, Derrick Lameaux, Rebus (de rechterhand van Stellar) en sir Hemmingway.

Derrick Lameaux is voor het eerst in de tempel van zijn vroegere templar Belros en is onder de indruk van de bezetting en de uitstraling die de tempel heeft in de verder “dooie” woestijn.
De religie van Astoth heeft voor Lameaux teveel punten die hem tegen de borst stuiten maar hier lopende weet hij dat dit voor Belros wel het geloof is wat perfect bij de voormalig paladin van Tyr past.
Het geschiedenis tussen Lameaux en Belros kent vele hoogte punten met de apocalyps als finale, maar ook heeft Belros de tempel van Tyr jaren gediend en met zijn leven beschermd en dat is de reden dat Lameaux zijn oude vriend niet in de steek mag laten.
Als Marcus de grote gebeds hal in loopt en Lameaux ziet staan groeten de twee elkaar alsof het gisteren de laatste keer was dat ze elkaar zagen.
Marcus bedankt hem voor de aanwezigheid en als Lameaux vraagt naar de doods oorzaak houd Marcus het op een ongelukkig moment in de woestijn.

Stellar is na een aantal uren klaar met voorbereidingen en roept de groep vrienden die de reis naar het hiernamaals en terug gaan maken bijeen.
De kamer met het altaar in het midden is matig verlicht als de groep binnen komt.
“iedereen mag zich ontdoen van zijn kleren, de reis zal naakt moeten plaats vinden”
Marcus en Lameaux kijken elkaar wat verrast aan en trekken de uitrusting uit en leggen die op een stoel in de hoek van de kamer.
Ook de rest staat een aantal minuten later naakt om het grote blok steen heen.

Stellar loopt heel rustig om de steen heen als hij de groep instructies geeft en voorbereid op de reis.

“welkom, jullie staan op het punt om in trans de onderwereld te betreden.
Jullie zullen gaan proberen de ziel terug te halen van Belros de voice van Astoth op Toril.
Dit zal gepaard gaan met geweld en energie en alles wat ik niet weet van de andere kant.
Belros zal niet zomaar worden terug gegeven en offers zijn niet uitgesloten.
Wees altijd overtuigd in wat je doet en het resultaat, dan zal alles op een gepaste manier goed terecht komen.
De overtuiging om Belros terug te halen zal jullie sterk maken en deze reis doen overleven.
Wat jullie precies te wachten staat kan ik helaas niet vertellen omdat slechts weinigen dit kunnen herinneren.
24 tot 72 uur zal jullie reis duren en ik zal hier wachten om iedereen op te vangen als hij terug keert.
Mag Astoth tesamen met de Triad ons goed gezind zijn en Belros terug geven aan onze wereld waar we hem nog zo nodig zullen hebben.
Ik doof het licht en de reis kan beginnen , succes!”

Als Stellar zijn laatste woorden heeft gesproken dan lijkt het licht als vanzelf te doven en de steen lijkt nog het enige op de wereld wat er bestaat voor de 8 vrienden die hand in hand naar het lichaam van Belros staren.

 

 

Intermezzo XVIII

Ithford twee weken geleden:
De avond  was net over het kleine vissersdorpje gevallen.
Kings Coin scheen fel aan het firmament. De grote, gele ster die de pommel van de Sword constellatie vormde, gaf de speelse kabbeling op de Ith rivier extra diepte, waardoor het leek of er kleine, verlichte golfjes de rivierbedding wilden beklimmen.
Marcus staarde vanuit het venster van zijn eenvoudige kamer naar het serene schouwspel van licht en water.
De sereniteit die dit speldenprikje op de landkaart van Tethyr uitstraalde, was één van de redenen waarom Marcus zich zo nu en dan graag terug trok in deze woongemeenschap aan de rand van de grote rivier. Al die keren dat hij dit dorpje had bezocht had hij nog nooit een zweem van Kwaad kunnen ontdekken. De inwoners waren allemaal hardwerkende lieden die voornamelijk leefden van de vis die zij zelf uit de rivier vingen en de gewassen die zij op de kleine landerijen iets verder landinwaarts verbouwden. Het dorpje lag een ruime dag verwijderd van de dichtstbijzijnde weg, die van Darromar naar Sarradush en de oever van de rivier was hier te ondiep voor schepen om aan te meren. Hierom werd het dorp dan ook nauwelijks door buitenstaanders bezocht omdat het domweg niet interessant is om economische of historische redenen.
Toch hadden de inwoners van Ithford Marcus direct vriendelijk ontvangen toen hij jaren geleden bij toeval het dorpje was in gewandeld.
Niemand hier wist wie Marcus was, welke rol hij speelde in de rest van de wereld of welke lasten hem op zijn schouders rustten. Alle 43 inwoners behandelden Marcus als een doodgewone man, een gelijke. En de demonenjager accepteerde dit als een warme, anonieme deken.
Een andere reden waarom Marcus zo graag zijn rust zocht in Ithford was het feit dat hij in Ithford nagenoeg onvindbaar was. Niemand die hem per ongeluk kon herkennen op de zandpaden tussen de kleine huisjes, zoals dit in de middelgrote en grote steden wel kon gebeuren op de straten.
Hij kende na zijn tweede bezoek immers al alle inwoners van het gehuchtje en de gezichten van de dorpelingen waren hem stuk voor stuk bekend en vertrouwd .Ithford was met recht één van de weinige plekken in Tethyr waar hij zich echt veilig voelde; tot een klein half uur geleden.

Vlak voor zonsondergang werd er op de kale, houten deur geklopt van de kamer waarin Marcus zich voor de nacht terug had getrokken.
‘Joh, dat zal Sandrine zijn om me uit te nodigen voor het eten met het gezin vanavond, de lieverd…’, had Marcus gedacht terwijl hij breed lachend op de deur af stapte.
Marcus logeerde eigenlijk min of meer bij het gezin waarvan Sandrine onmiskenbaar de koningin in het huis was. Een gastvrije, warme en hartelijke koningin wel te verstaan. Een vrouw zoals eigenlijk alle koninginnen in heel Toril zouden moeten zijn.
Lachend zwaaide Marcus de deur wagenwijd open en sprak opgemonterd: “Wat een eer op deze mooie avond om zo…”, de woorden stokten in Marcus’ keel en zijn brede lach verdween ogenblikkelijk. In de deuropening stond waarlijk een gigant van een man. Ogen als gitzwarte kooltjes keken nog net onder de bovenste deurpost door en het laatste licht van de dag werd in de deuropening geblokkeerd door het reusachtige postuur van de man. De donkere, bijna zwarte huid van de man verried dat hij van een ander ver weg gelegen continent afkomstig was. Om de man heen hing een onmiskenbare lucht van kaneel en anijs.
Marcus had zichzelf aangeleerd om in Ithford zijn zwaard altijd goed weg te bergen. Dit om overbodige vragen van de dorpelingen te voorkomen.
Nog niet eerder had hij zich naakt gevoeld zonder zijn zwaard in dit rustige dorpje, maar nu wel.
friar kopie.jpgHet ontbreken van het bijna vertrouwde gewicht van zijn wapen op zijn lichaam maakte hem nu onrustig.
De donkere reus bekeek Marcus nogmaals, alsof hij zich ervan wilde vergewissen dat hij de juiste persoon voor zich had en greep toen vliegensvlug onder de donkere cape die hij droeg.
In een reflex schoot Marcus achteruit en nam een verdedigende houding aan.
De man haalde nu iets rustiger zijn hand weer onder de cape vandaan en reikte een verzegelde perkamentrol door de deuropening.
Met een zware stem, maar in opvallend accentloos Tethyrian bood hij het perkament aan en zei: “Met de complimenten van Muhyi Haddad.” Bij het horen van deze naam kroop er heel even een leeg gevoel in de buik van de paladijn. Gedachte flitsten door zijn hoofd, terwijl hij bijna afwezig het perkament aannam: ‘Muhyi Haddad, die vuige, overspelige toverdokter! Hoe had hij hem hier gevonden? Die met twee tongen pratende…’, De woorden van de reus onderbraken Marcus’gedachten: “Ik wacht u op, Net buiten het dorp. Wanneer u uw spullen in gereedheid heeft gebracht.” Vervolgens draaide de reus zich om en stapte het zandweggetje op dat naar de rand van het dorp leidde. Afwezig registreerde Marcus dat de drie dorpelingen die een eindje verderop langs de weg stonden te keuvelen, de langslopende gigant niet eens opmerkten.
Marcus sloot de deur van zijn kamertje, ontstak een olielamp en brak het zegel van de rol perkament.
Bij het breken van het zegel kwam er een frisse muntgeur vrij; waarschijnlijk het ontladen van een beschermende spreuk.
De demonenjager ontrolde het perkament en las de boodschap die hoogstwaarschijnlijk direct van de hand van Muhyi Haddad afkomstig was:

Beste ‘Perigo’,
Enige tijd geleden heb je gebruik gemaakt van mijn diensten. De persoon die het betrof lijkt compleet genezen van datgene waaronder hij leed.
Het is nu tijd om de rekening die hiervoor indertijd is opgesteld te vereffenen. Ik verzoek je om onder de bindende voorwaarden die bij aanvang van het contract zijn bepaald, je te vervoegen bij mijn trouwe dienaar en hem jou naar mij te laten brengen. Ik kan je dan inlichten over de specifieke taken die het voldoen van de rekening vereisen.

Met hoogachtende groet,
Muhyi Haddad

Het serene spel van water en licht aan de oever van Ithford deed Marcus nu al heimwee hebben naar het dorp waar hij nu nog was. Hij had graag nog een paar dagen gebleven, maar achter hem, in een donkere hoek van de eenvoudige kamer, lagen alle zaken die hem maakten tot wat hij was.
In doeken gewikkeld, lag daar zijn harnas, het hogere eerbetoon aan Torm. Zijn zwaard, het verlengstuk van zijn focus om al het Kwaad uit deze wereld te bannen. Zijn tweede kledingset, met deze kleren verdween Marcus van Toril en deed zijn schimmige alter ego, Perigo, zijn intrede. En natuurlijk zijn naalddunne, gouden dolk, de Extender die hem één van de gevreesde demonhunters maakte. Enigszins verbitterd greep hij zijn rugzak en de andere spullen en beende zonder om te kijken de kamer uit. Terwijl hij het zandpad afliep richting de zoom van het dorp, voelde hij dat hij weer voor onbepaalde tijd de rust en vertrouwdheid de rug toekeerde. ‘Sandrine zal vanavond net iets te laat zijn met haar uitnodiging voor het eten en een lege kamer aantreffen. Goed dat de bewoners van Ithford geen vragen stellen. Ook niet als je de laatste keer zomaar vertrokken bent…’

Buiten het dorp stond de donkere man rustig te wachten op Marcus. De paladijn keek om zich heen, speurend naar enige vorm van vervoer; paarden, een koets of tenminste een bootje.
Alsof de reus Marcus’ gedachten kon raden, zei hij: “Maak je niet druk, we zijn er in een ogenblik.”, vervolgens legde hij voorzichtig een hand op de schouder van de paladijn en sprak één enkel woord.
Waarde twee mannen zojuist hadden gestaan, trok de implosie van lucht nu een stoffige zandwolk van het pad.

 

Darromar twee weken geleden:
De flits van licht die Marcus verblindde bleek afkomstig te zijn van de toortsen die in de kamer brandden. Het misselijke gevoel in de maag van de paladijn, vertelde hem dat ze een soort van teleportatie hadden gedaan. Op de donkere zandweg buiten Ithford hadden de ogen van de half-elf zich volledig aangepast aan de duisternis om hem heen. Met het plotselinge licht van de toortsen, leek het licht dwars door zijn netvlies en zo in zijn hersenen te steken.
“Ik haat dit!”, gromde Marcus. De reus keek even naar beneden en zei: “Sorry voor het ongemak, sir Paladin Knight of Torm.”, boog vervolgens diep richting een tafel verderop in de kamer en verliet de ruimte.
De ogen van Marcus wenden maar langzaam aan het licht en de wazige schim achter het bureau leek rustig te wachten tot Marcus weer diepte kon zien.
Voor de demonhunter zat de Muhyi Haddad. De kale, bleke en gedrongen man keek Marcus emotieloos aan.
“Welkom Perigo. Fijn dat je zo snel kon komen. Wellicht iets te drinken tegen de misselijkheid?”
In antwoord hierop ging Marcus nog rechter op staan en snauwde: “Laat de beleefdheden maar achterwege. Ik ben er. Jij wilt een schuld vereffenen en ik wil ervan af!”, de paladijn had de cynische toon onder de naam ‘Perigo’ niet gemist. En ook de formele titel die de donkere man had gebruikt was hem niet ontgaan. Muhyi Haddad wist echt wel wie ‘Perigo’ echt was en wat ‘hij’ deed.
De kleine goblinachtige man bleef net zo emotieloos staren als voorheen en kraakte: “Des te beter. Ik heb ook nog veel te doen.” “Als je maar wel weet dat ik geen vuile klusjes voor je ga opknappen. Daar is met geen woord over gesproken bij het contract en zelfs jouw ‘bindende’ voorwaarden laten mij niet van mijn geloof afdwalen…”, de cynische toon waarmee Marcus het woord ‘bindende’ had uitgesproken, was zelfs voor een kind nog te herkennen.
“Oh, maar dan onderschat je mij en je vergist je. Ik ben er namelijk van overtuigd dat iedereen het beste functioneert als ze vanuit hun kracht werken.”, viel de toverdokter Marcus in de rede. “Hoewel je voor mijn smaak te vroeg je rekening mag voldoen. Veel te vroeg… Helaas.”
“Kom nu maar op met datgene wat je te vertellen hebt…”, Marcus bleef gespannen staan wachten op het antwoord van Muhyi Haddad.
“Ik wil dat je afreist naar Marsember en daar een oude vriend van je opzoekt.
En dan datgene doet waar je goed in bent…”, Marcus sneerde Muhyi Haddad toe: “Hah, ik ben nog nooit in Marsember geweest. Dat ligt toch in Cormyr? Daar heb ik helemaal geen vrienden.”
Het nog steeds emotieloze gezicht van de Muhyi Haddad opende zich weer voor de volgende, stekende woorden: “Ah, maar dan vergis jij je weer. Je hebt wel degelijk oude vrienden in Marsember. Of liever gezegd: oude bekenden.”, de gedrongen man wierp achteloos een klein gouden amulet met hierop een groene, gegraveerde rune op zijn bureau.  Met een blik van herkenning liep Marcus op de tafel af en pakte het kleinood op.
7750334 kopie.jpg“Je zult er nog één vinden in Marsember. En nog mooier: je hoeft je niet eens druk te maken of ik ze misschien wil gaan verzamelen. Vernietig deze en degene die je in Marsember gaat vinden en jouw rekening aan mij is voldaan. Kortom, doe datgene waar je goed in bent.”, de gedrongen Muhyi Haddad boog zich weer over het boek dat voor hem op tafel lag.
“Maar, ik kan toch nooit die lange reis naar Cormyr maken?”, sprak Marcus terwijl hij het amulet in een dieprode beurs stopte. “Zo lang kan ik niet wegblijven zonder dat dit opgemerkt wordt.”
Zonder op te kijken van zijn boek, sprak Muhyi Haddad emotieloos: “Daar heb je vrienden voor, toch? Zoek ze op en vraag om hulp. Het verleden leert dat je genoeg wijsheid hebt om tijdig hulp in te roepen, nietwaar?”
“Ja natuurlijk. Ik weet niet eens waar ik ben.”, wierp de paladijn tegen.
Muhyi Haddad keek even op van zijn boek naar Marcus en zei: “Je vergist je weer. Je bent in Darromar. Als je hier de deur uitloopt, klim je gewoon op het dak aan de overkant van de straat en verder weet je vast de weg dan wel.” ‘Maakte de toverdokter nu een grap door te verwijzen naar de eerste keer dat Marcus hem had geobserveerd vanaf het dak?’, Marcus liet de gedachte varen toen hij het nog steeds emotieloze gezicht van Muhyi Haddad zag.
De toverdokter zat alweer diep in zijn boek toen Marcus de deur achter zich dicht trok en de kortste weg naar de tempel van Azuth insloeg.

De volgende dag kwam Valerius over enthousiast de kamer binnen rennen waar Marcus op zijn vriend zat te wachten.
“Marcus, vriend. Je hebt wat gemist, hoor. Je had erbij moeten zijn. Het was echt geweldig. Belros en ik volgden dus een spoor dat gegeven was door één van de studenten van de bibliotheek. En toen we binnen kwamen bleek al snel dat er meer aan de hand was. Allemaal beelden in die grot. En toen bleven we vastplakken aan die versteende Umber Hulk, die eigenlijk een mimic was””, Marcus hief een hand op om de magiër tot rust te manen, tevergeefs.
“.. Maar toen bleek dat er ook een medusa, of eigenlijk twee medusa’s, in het spel waren, werden we toch wel een beetje nerveus. Die trol, of eigenlijk was dit een phasm, die veranderde in een rust monster en voor ik een spreuk kon uitspreken, had hij met zijn voelsprieten mijn mithril vest geraakt. Het hele vest viel zomaar als roestige stof uit elkaar! Maar gelukkig wisten we de laatste medusa weg te jagen toen ik met een spreuk dat hele beest verbrandde en toen …”, “Valerius ga eens zitten en luister even naar me.”, zei Marcus terwijl hij zijn handen op de schouders van zijn vriend legde. Valerius herkende de serieuze blik in de ogen van Marcus en ging langzaam op de stoel zitten waar Marcus hem naartoe dirigeerde.
“Weet je nog dat het een tijdje geleden niet zo goed ging met je? Toen je dat onderzoek naar de Trychian Golems gestart was?” Valerius knikte instemmend. “Nou, datgene wat je had is niet zomaar weg gegaan. Daarvoor hebben we hulp van buitenaf in moeten roepen.”, Valerius knikte weer zwijgend bij het horen van Marcus’ verklaring.
“Wat ik je niet heb verteld is dat die hulp niet gratis was. Daarvoor heb ik een schuld moeten uitschrijven; een contract. En nu moet ik mijn schuld inlossen. In Cormyr. In Marsember. En ik heb jouw hulp daarbij nodig. Om in Marsember te komen. Verdere details zijn eigenlijk niet zo belangrijk. Want als ik eenmaal in Marsember ben is de rest geschiedenis.” Marcus keek verwachtingsvol naar Valerius. Enkele ogenblikken bleef de magiër hem woordenloos aankijken. Toen deed hij zijn brilletje af en vroeg op ernstige toon: “Wat voor een contract en met wie?”, voordat Marcus kon antwoorden, kwamen de volgende vragen: “Wat moet er gebeuren in Marsember? Waar heb je jezelf mee in gelaten?” Marcus zuchtte diep en zei terwijl hij een stoel bijschoof: “Bij Torm, het is tijd om open kaart te spelen.” , Marcus nam plaats op de stoel tegenover Valerius en vertelde tot in detail wat er gebeurd was tijdens het ziekbed van Valerius en wat er nodig was geweest om Valerius weer gezond van geest te krijgen…

Marsember één week geleden
Zelfs na twee dagen in deze stad was Marcus nog niet gewend aan de stank die de straten konden produceren. De geur die de vele kanalen in deze stad op een normale zomerdag produceerde, was één van de mindere aspecten waar deze stad bekend om stond. Naast de vele vismarkten die de stad rijk was en haar een continu lichte zweem van rottende vis gaf, waren er ook de vele kanalen die door Marsember koersten. De grachten deden niet alleen dienst als vervoersroute voor de vele kleine bootjes die handelswaar vanaf de haven verder de stad in brachten, maar ook als open riool. Tijdens de warme dagen van het jaar werd de rioollucht versterkt door het moerasrijke gebied dat achter Marsember lag. Dit had als gevolg dat de stad op deze dagen werd gehuld in kleed van een hele specifieke, maar zeer penetrante lucht van rottende uitwerpselen gecombineerd met vochtige, aardse tonen. Binnen de dievengemeenschap was het een gevleugelde uitdrukking om te zeggen: “Daar heeft een Marsembian aan gezeten.”, wanneer bepaalde waar niet helemaal te vertrouwen was. Marcus begreep nu maar al te goed waar deze rake uitdrukking vandaan kwam.
De paladijn stond op één van de vele bruggen die de stad rijk was en kijk uit over de gracht waar groenbruin water als een soort van dunne, vochtige pap doorheen stroomde en dacht terug aan het moment dat hij Valerius had betrokken in het kat en muis spel waarin hijzelf beland was.
Marcus had verwacht dat de magiër hem vreselijk de les zou gaan lezen, of beschuldigend zou zeggen dat hij dat niet voor hem had moeten doen. Echter, niets was minder waar.
Nadat Valerius van de eerste schok was bekomen, stelde hij alleen maar veel vragen.  Vragen waar Marcus vaak zelf ook het antwoord niet op wist. Tenslotte had hij erop aangedrongen dat hij mee moest. Marcus wilde niets van dit alles weten. Het ging hier om een type IV demon en dat is voorzichtig gezegd, dodelijk gevaarlijk. Valerius legde rustig uit dat hij Marcus alleen met een teleport spreuk naar Marsember kon brengen en dat bij deze spreuk de magiër alleen maar iemand mee kan nemen en niet zomaar iemand verplaatsen. Daar kwam bij dat Marsember niet voor niets The City of Spices wordt genoemd. De stad wordt geroemd om de import van de meest exotische specerijen en exporteert ook ingrediënten, waaronder voornamelijk mosterd en mosterdzaden.
Valerius ‘moest sowieso’ naar Marsember omdat hij alweer aardig door zijn kruiden waarmee hij de voor hem zo belangrijke thee maakte, heen raakte.
Na veel gesoebat begreep Marcus uiteindelijk dat Valerius van geen wijken wilde weten en stemde hij grimmig in met het voorstel van Valerius om hem te vergezellen.
Valerius sloot het gesprek af met de opmerking dat hij nog ‘een paar dingetjes’ in de bibliotheek moest regelen en dat ze dan gelijk konden vertrekken.
Die paar dingetjes hadden helaas wel drie dagen in beslag genomen.

Toen het duo vervolgens in een achteraf steegje van Marsember tevoorschijn plopte, duurde het niet lang voor Marcus de magiër kwijt was. Terwijl hij met de magiër richting de stadshaven liep bespraken zij waar ze voor de komende tijd hun onderkomen zouden zoeken. Bij het binnenstappen van de eerste herberg, stond Valerius al verstrooid aan de overkant van de straat te grabbelen op een marktkraam gevuld met specerijen en kruiden.
De verdere dagen bleken min of meer een herhaling van zetten in het gedrag van Valerius.
Als een kind in een snoepwinkel struinde hij alle markten af op zoek naar de beste deals voor kruiden, specerijen, magische componenten en alles wat hier ook maar enigszins bij in de buurt kwam.
Marcus was al lang blij dat Valerius zichzelf bijna verloor in het rijke specerijenaanbod, want dat gaf hem de gelegenheid om de speurtocht naar Yagg-Toth op te pakken op die manier die hij het allerbeste alleen kan doen.
Marcus werd opgeschrikt uit zijn gedachten door een glinstering die speels over het modderige kanaalwater bewoog. Direct moest hij terugdenken aan zijn laatste keer in Ithford. Het licht van de sterren dat over het kristalheldere water van de Ith speelde.
De glinstering in deze grauwe soep bleek echter van een weggegooide kookpot te zijn en weer vroeg de paladijn zich even af waarom zijn wereld voornamelijk moest bestaan uit vervuild, vies water met weggegooide vuilnis.
Veel meer tijd om weg te drijven op gedachten kreeg hij niet, want inmiddels kwam zijn contact de brug op lopen. Een ranke man met een klein ringbaardje en een norse uitdrukking liep hem tegemoet. De lieslaarzen, donkere cape en bijpassende handschoenen die hij droeg, waren de gebruikelijke klederdracht in deze stad. Ongetwijfeld was deze kledinglijn jaren geleden ook uit noodzaak geboren om in ieder geval iets meer bescherming te bieden tegen alle bacteriën die de straten rijk waren.
Om zo min mogelijk op te vallen had Marcus na de eerste dag zelf ook een dergelijk tenue aangeschaft.
Zodra de man binnen fluisterafstand was gekomen, trok Marcus een kleine, donkere buidel onder zijn cape vandaan en liet de inhoud even verleidelijk rinkelen. “Maleth, wat heb je voor me?”, sprak Marcus zachtjes.
bridge-medieval-fantasy-city.jpg“Ehh, nou Perigo, het lijkt toch ingewikkelder dan ik aanvankelijk dacht. Ik heb in ieder geval nog niemand gevonden die zo’n amulet in de verkoop heeft, maar ik wil natuurlijk nu verder zoeken naar iemand die het amulet in ieder geval in zijn bezit heeft…”, terwijl de informant Maleth verder ging uitleggen wat er nu verder allemaal moest gaan gebeuren en wat hij daar allemaal wel niet voor moest gaan doen en natuurlijk… wat dit allemaal wel moest gaan kosten, dacht Marcus bij zichzelf: ‘Eigenlijk is het ook overal hetzelfde. Ook hier is geduld een schone zaak.’
Marcus wist dat hij met Maleth één van de betere informatiebronnen van deze stad had gevonden. Hij voelde dit instinctief aan. De man had overal in de stad wel een vinger of een deel van een vinger zitten en wist van rijk tot arm dingen te weten te komen. Hij was er ook van overtuigd dat Maleth voor een man in zijn beroep ‘eerlijk’ was en ook serieus probeerde om het amulet van Yagg-Toth te traceren zonder al teveel omwegen. Als iemand het amulet kon vinden, was het deze Maleth wel. Marcus moest geduld hebben en Maleth zijn werk laten doen…

 

Marsember vandaag, vlak na middernacht
“Waarom moeten dit soort dingen nu altijd gedaan worden in het holst van de nacht?”, Valerius keek schichtig om zich heen, terwijl hij met een hand op zijn hoofd probeerde de wind te beletten om zijn hoofddeksel te laten wegwaaien.
Marcus keek geërgerd achterom naar de magiër: “Ja, dat is nu eenmaal zo. In de nacht zijn er minder mensen op straat, dus minder getuigen. Het werk dat ik doe is nu eenmaal supergeheim. Als jij tenminste niet alsnog de hele buurt wakker brult. En laat die pet ook eens los, het waait amper.”
“Ja maar ik sta anders wel boven op een dak, hoor.”, piepte Valerius een beetje tegen, terwijl hij langzaam zijn hand van zijn hoofd haalde.
“Ok. Het plan hebben we vaak genoeg doorgenomen, toch?”, sprak Marcus terwijl hij het grote pakhuis aan de overkant van de straat geen moment uit het oog verloor.
De magiër knikte kort naar de rug van de paladijn en fluisterde zachtjes de ingestampte instructies: “We teleporteren naar de bovenste verdieping van het pakhuis en lopen dan naar de eerste verdieping toe, waar de eigenaar zijn privé vertrekken heeft.” Zonder om te kijken, maar met iets verheven toon fluisterde Marcus terug: “En HOE lopen we naar de eerste verdieping?”
Valerius zuchtte even: “Zo stil mogelijk. Nog stiller dan een muis.”, Valerius dacht even aan alle beloften en dreigementen die Marcus hem eerder had gedaan over wat hij met de magiër zou doen als deze ook maar één enkel geluid maakte in het huis en er schoot een onbeheersbare rilling over zijn rug. Valerius schudde snel het kille gevoel van zich af en ging verder: “Dan stap jij de slaapkamer in. De plek waar bijna zeker het amulet ligt. Ik blijf op de gang staan en raak absoluut niets, maar dan ook niets aan.” Marcus knikte zwijgend, nog steeds spiedend naar de eerste verdieping van het pakhuis.
“Jij pakt het amulet, loopt naar buiten en dan gaan we muisstil naar de tweede verdieping, waar ik dan weer een teleport uitspreek om ons weg te halen. Niet op de eerste verdieping want mijn spreuk kan de eigenaar schuine streep demon wakker maken, en dan kan hij ons alsnog traceren. Wel mooi dat hij dat kan, hoor. Zou i eigenlijk wel meer van willen weten. Doet hij dat door een link te leggen met het intraplanaire…” “Valerius!”, siste Marcus zonder om te kijken: “Focus!”
“Ehh… ja. Nou de teleport naar de herberg dus, waar we onze spullen al klaar hebben staan en vervolgens zo snel mogelijk afstand maken van Marsember. Toch?”
Marcus knikte kort en draaide zich naar Valerius toen hij had gezien dat op de eerste verdieping van het pakhuis het licht gedoofd was.
“Nu nog even wachten tot alles in echte rust is in het pakhuis en dan gaat het beginnen, grote vriend.”, glimlachte Marcus terwijl hij met zijn rug tegen de dakrand ging zitten.
Valerius bestudeerde de getekende plattegrond van het pakhuis nog een keer, zodat hij deze echt uit zijn hoofd kende. Een extra gift van Marcus’ informant omdat het langer dan drie dagen had geduurd voor hij de locatie had gevonden.

Na wat een eeuwigheid van wachten leek, zei Marcus plots: “Kom, tijd om te gaan.”, en stond op.
Valerius stond ook op en keek nog een keer naar het kleine raam op de zesde en hoogste verdieping van het pakhuis. De verdieping waar zij zo dadelijk in het pakhuis zouden verschijnen.
De magiër haalde een keer diep adem, greep Marcus bij zijn pols en sprak luid één arcaan woord.
Vanuit het kleine raampje op de bovenste verdieping keek Valerius naar het dak waar hij en zijn kameraad een ogenblik geleden nog hadden gestaan. De echo van de arcane spreuk werd mee gevoerd met de wind en leek niet meer dan het holle geluid van een hond die enkele seconden geleden geblaft of gejankt moet hebben.
Valerius keek naar Marcus in het enkele licht dat door het kleine raam kwam en zag dat deze voorover gebogen stond en zich weer probeerde te herpakken.
Als Marcus nu hardop had kunnen spreken, had hij zeker: “Ik haat dit!”, gegromd. Maar nu kon Valerius de afkeer tegen teleportatie alleen maar aan het gezicht van de half-elf aflezen.
Enkele tellen later rechtte de demonhunter zijn rug en stapte behoedzaam op de deur van de kamer af.
‘Het is begonnen!’, dacht Valerius opgewonden.

 

The Undead Army Leaves

Belros loopt onrustig door de tempel.
De rust van de tempel keert langzaam terug na het infiltreren van waarschijnlijk woestijn volk?
De teleport stone evenals de stenen uit het tempel embleem van Astoth in de inner sanctium zijn ontvreemd en de ancient undead army zit zonder leider.
De ancient ones hebben Belros tot nu toe gehoorzaamd maar hoe lang zal het duren voordat ze niet meer in toom te houden zijn?
Belros zit ermee in de maag en kan niet weten dat binnen nu en een paar uur zijn vermoeden en vrees waarheid zullen worden.

Bij een vergadering met de leiding gevende van de tempel en ook Marcus en Valerius stormt een acoliet zonder aankondiging de kamer binnen en buiten adem komt hij met slecht nieuws.
“sir Belros, the ancient ones verlaten de tempel!”
Belros springt op en voordat iedereen in de kamer door heeft wat er aan de hand is staat de voice van Astoth bij de buiten poort en ziet “zijn” undead army en bescherm heiligen van de tempel het gebouw verlaten.
Met alle overtuiging probeert hij ze nog tegen te houden of op andere gedachten te brengen maar het leger is niet te stoppen en lijken gefixeerd op het zoeken van hun leider.
Dansend op de wind ziet Belros in de late middag zijn leger naar de horizon vertrekken en er zit voor hem maar een ding op en dat is mee gaan en kijken waar de oude tempel eigenaren heen lopen?

Snel pakt Belros wat spullen bij elkaar en Valerius en Marcus vragen wat het plan is.
Het plan is er eigenlijk niet en het is eigenlijk mee lopen naar het onbekende en zorgen dat je in de tussentijd geen prooi van de woestijn word.
“of jullie mee gaan of niet ik moet mee die kant op, ik zou prijs stellen op jullie hulp maar begrijp het als het een onnozele aktie lijkt.”

Marcus en Valerius twijfelen heel even maar weten dat er wat gaande moet zijn en willen Belros niet in de steek laten en pakken ook snel wat spullen bijeen om te vertrekken.

Een paar kamelen zijn klaar gezet en een ranger van een nomaden stam die de tempel aan doet om wat water en rust te zoeken bied zijn diensten aan om een stuk mee te reizen en daarna de kamelen mee terug te nemen als dat moet.

de woestijn is heet en het kost moeite om de groep undead in te halen maar het lukt.
Het is avond en de tocht is zwaar, bij het ochtend gloren stoppen de ondoden, een formatie word gevormd en vlak voordat de zon helemaal boven de horizon uitkomt zakken ze in de grond.
Belros besluit een kamp op te zetten en te wachten.
Tegen de avond als de zon bijna is verdwenen komen de ancient ones tevoorschijn en vervolgen hun weg naar de bestemming die alleen bij hun bekend is.

Het volgende etmaal herhaald dit ritueel zich en er word weer kamp opgezet.
Net als het kamp staat slaat de ranger ditmaal een kreet van angst en roept Belros bij zich.
“op die duinpan daar!”
Belros knijpt zijn ogen iets dicht om wat beter te zien en ziet een figuur inderdaad.
“we zijn in Genassi, Djinn en Efreet hebben het hier voor het zeggen en zijn naar de verhalen de eerste bewoners van de woestijn.”
Eeb duivels figuur kijkt naar het kamp en snijd met een dolk in zijn hand.
Een paar druppels bloed vallen in het zand en een sinistere glimlach is zelfs vanaf een afstand te zien.
De ranger is duidelijk bang en probeert zover mogelijk weg te duiken onder een paar doeken achter een zandbank.

Marcus dringt wat water en maakt een doek nat om zijn hoofd mee te verkoelen als hij Destrin op ziet staan en met zijn neus in de wind duidelijk maakt dat er iets aankomt.
Marcus merkt het direct dat de leeuwin iets in de gaten heeft dat niet goed is en waarschuwt Valerius en Belros die wat leggen te suffen om de volgende nacht weer fit te zijn.
Van meerdere kanten lijkt het zand te gaan leven en alsof er enorme wurmen onder het zand zitten en de richting van het kamp op komen worden de zwaarden getrokken en Valerius vliegt omhoog om alles van boven af goed te overzien.

Dichterbij en uit het zand omhoog gekomen blijken er een paar reusachtige schorpioenen het kamp te belagen en een bloederig gevecht lijkt niet te vermijden.
Belros en Marcus hebben wel voor hetere vuren gestaan en ondanks dat de hitte in de woestijn een aanslag is op de conditie van de paladins hebben ze weinig moeite met de irritante beesten.
Destrin heeft ook een van de beesten te grazen en het gevecht is snel over tussen de leeuwin en het grote insect.

Valerius bekijkt het van bovenaf en ziet een tweede schorpioen op belros af lopen met de giftige staart hoog boven het lijf klaar om een giftige angel in de paladin te boren.
Geen moment twijfelt de magic user en schiet een cone of cold af op het beest die hier in de gloeiend hete omgeving zeer effectief moet zijn?

Effectief is het zeker maar de hitte is ook voor de magic user fataal.
Door de trillerige lucht van de hitte heeft Valerius de radius van de cone helemaal verkeerd ingeschat en tot zijn grote schrik ziet hij dat niet alleen de schorpioen is geveld door de ijzige kou maar dat ook Belros met een ijslaag over zijn gezicht op de grond legt.
Marcus die net de laatste schorpioen zijn staart eraf slaat rent naar Belros toe en legt zijn hand onder zijn hoofd.
Als Valerius naar beneden komt kijkt Marcus hem aan en zegt alsof hij het zelf niet kan geloven dat de ijskoude spreuk van Valerius de voice van Astoth fataal is geworden.
Een hartstilstand door het grote temperatuur verschil zal de oorzaak kunnen zijn want normaal gesproken zal Belros door een enkele spreuk van dit kaliber niet snel ten onder gaan, zowel Marcus als Valerius hebben de voice van Astoth vaker door ijsregens en vuur zeeen zien lopen en daarna twee keer met de kop schudden en doorgaan was dan meestal het gevolg.

Valerius is radeloos en pakt Belros op, Marcus er is maar een weg te gaan nu en dat is zo snel mogelijk naar de dead watcher in tempel.
“ik kom je halen” is het laatste dat Marcus hoort en hij is alleen met Destrin en de doodsbange ranger.
Marcus weet dat e rniets anders op zit als te wachten hoopt dat het rustig blijft de rest van de dag?

 

 

Intermezzo XVII

Bralik liep zo hard hij kon naar de bibliotheek.
Voor omstanders was het een koddig gezicht om die corpulente, in gewaad gehulde man midden op de dag door de straten van Darromar te zien ploegen.
Zijn hemelsblauw gewaad, het ambtskleed voor een leerling van de tweede cirkel van Azuth, vertoonde met name bij de oksels en op de rug grote, indigo blauwe plekken.
Een top conditie had Bralik nooit gehad en een duurloper zou hij zeker nooit meer worden. Het zweet gutste in straaltjes van de leerling af, terwijl hij in een stevige tred door de stad heen beende, zo nu en dan zijn pas versnellend, om vervolgens na een stap of tien weer even uit te blazen en op adem te komen.
‘Ik word te oud voor dit werk… Ben hier ook niet voor in de wieg gelegd. Ik ben voorbestemd om een groot magiër te worden. Geen loopjongen voor wat voor belangrijk doel dan ook…’, Bralik mopperde in gedachten, omdat hij door het hijgen niet kon spreken.
Met zijn rug steunde hij tegen een oud, bijna vervallen gebouw, terwijl hij probeerde zijn adem te hervinden. Voor extra steun plaatste hij zijn handen op zijn knieën. Hierdoor konden zijn beukende longen de broodnodige zuurstof pakken om zijn ademhaling weer op orde te krijgen.
Na enkele ogenblikken keek hij de straat in om zijn weg naar de tempel te vervolgen. Echter, de weg werd nu versperd door drie in vodden geklede jongens die snerend dichterbij kwamen.
“Wel, wel..”, sprak de voorste van de drie met een nasale stem: “Kijk toch eens wat er hier de straat in gegooid is, jongens. Tymora is vandaag met ons. Deze man is duidelijk te zwaar beladen, Kijk hem eens zweten als een speenvarken. Hoogste tijd om hem wat lichter te maken, nietwaar?”, de jongen met de nasale stem keek even achterom naar zijn twee bondgenoten en trok vliegensvlug een roestige dolk die hij vervaarlijk voor het gezicht van Bralik heen en weer zwaaide. “Hoogste tijd om dit varkentje te wassen, nietwaar?”
Bralik nam in een oogwenk de situatie op en analyseerde zijn kansen om de drie overvallers zo snel mogelijk uit te schakelen.
Terwijl de jongen met de dolk al over hem heen gebogen stond en onder het gewaad een geldbuidel probeerde te vinden, sprak Bralik hijgend: “Doe.. dit niet… Het is… de .. pijn … niet waard.”
Even keek de belager verbaasd naar zijn slachtoffer, maar al snel herpakte hij zich en keek Bralik recht in zijn gezicht; de punt van de roestige dolk vlak voor Bralik s oog draaiend.
“Oh? Nog praatjes ook, zeg? Ik heb er altijd van genoten als mensen praatjes hebben. Altijd leuk om wat af te snijden. Dan houden de praatjes snel op en begint al gauw het schreeuwen. Bij jou begin ik maar met een oog, denk ik…”, langzaam bracht de straatrover de dolk naar het oog van Bralik.
Bralik raakte met een enkele vinger het roestige lemmet aan en sprak binnensmonds iets onverstaanbaars. De overvaller keek geschokt, draaide zich om naar zijn kameraden die vlak achter hem stonden en schreeuwde: “Wegwezen, het is een toven… AAAHHHR!”, de waarschuwing werd in de kiem gesmoord door het geschreeuw van de rover, terwijl het vlees van zijn hand waar hij de dolk in vasthield, als vloeibare gelei op de grond lekte. De roestige dolk viel intens gloeiend uit zijn hand op de grond en liet een branderige lucht achter terwijl het stof op de grond vlam vatte.
De tweede rover die zijn lijdende kameraad te hulp wilde schieten werd een meter voor Bralik gestopt door een groene flits midden op zijn borst. De klap sloeg hem achterover en liet hem buiten bewustzijn. De derde rover besloot eieren voor zijn geld te kiezen en rende snel weg van de magiër.
Bralik stond op en keek naar de kermende man die voor hem op de grond lag.
“Sorry, ik heb dit niet zo gewild, maar heb nu echt geen tijd om alles met charme en hypnose op te lossen. Volgende keer beter.”
Bralik liep de straat uit richting de Bibliotheek van Azuth. De kortste route liep nu eenmaal door de sloppenwijk en het gevaar dat hij hier liep, woog niet op tegen de belangrijkheid van de boodschap die hij moest brengen aan Valerius Goldenmind.

 

De dikke magiër van Azuth liep hijgend als een paard langs de bouwput die tegenover de magistrale bibliotheek lag. Nog een paar honderd meter en hij kon zijn boodschap aan Valerius doorgeven.
De mannen die met de constructie bezig waren op de bouwput staakten hun werk even en keken vermakelijk naar de dikke man die zich als een hobbelende schildpad over het plein bewoog naar de tempel.
Bralik hees zijn dikke lichaam de trappen van de Bibliotheek van Azuth op, strompelde het gebouw binnen en bleef tegen de deuren hangen om weer op adem te komen. Snel kwamen er een tweetal klerken toegesneld. “Heer is alles goed? Dreigt er gevaar? Wordt u achtervolgd?”, één van de twee klerks keek spiedend naar buiten, wachtend op een teken van de achtervolgers van zijn studiegenoot. Voorbereid op het allerergste stond hij in de deuropening.
De dikke, zwetende Bralik kon niets anders dan schudden met zijn hoofd. Hem ontbrak iedere adem om ook maar één woord uit te spreken.
De ongeruste klerken gaven Bralik nog enige seconden om op adem te komen en vroegen vervolgens weer of hij in gevaar was.
Bralik hijgde: “Nee… niet… achtervolgd… Slechte conditie… veel gelopen… En… belangrijke… boodschap… voor Goldenmind…”
De klerk die beschermend in de deuropening stond keek bij deze woorden even achterom en liet een blik van herkenning zien. “Bralik? Man, ik had je bijna niet herkend met die paarse kop van je. Lopen en conditie is niet echt jouw ding, he? Jij bent meer iemand die ervoor zorgt dat andere mensen dingen voor je ‘doen’. Dan speelt het bier en wijn toch op, he?”, de klerk begon te lachen en hierop ontspande de tweede klerk ook zichtbaar.
“Nou, ehh, Bralik, neem anders even plaats en een slok water zou ik zeggen, dan verwittig ik Valerius Goldenmind dat je hem wilt spreken.” De dikke magiër plofte neer op één van de luxe banken in de ontvangsthal van de Bibliotheek en wachtte uitgeblust de komst van de meester van deze tempel af.

Valerius reed opgewekt het hem onbekende landschap van Cormyr.
Na het gesprek met één van de studenten, had hij voor het eerst in maanden weer een doel waar hij zich echt op kon richten. De golem die in de magic vault van de Library of Azuth stond had hem de afgelopen maanden afgeleid en bezig gehouden. Valerius moest en zou meer weten over deze vreemde constructies en hun oorsprong. Daarom had hij diverse mensen binnen de bibliotheek opdracht gegeven om te zoeken in de boeken naar ook maar enige verwijzing die met de golems te maken kon hebben.
Enige tijd geleden was Valerius er ook achter gekomen dat Thibaud d’Essencere een aantal leerlingen de mogelijkheid had gegeven om extra informatie over de golems in te winnen in ‘het veld’. Iedere student die met nuttige informatie over de golems terug kwam, kon rekenen op extra privileges binnen de academie.
Dit had Thibaud natuurlijk gedaan zonder toestemming vooraf van Valerius, want als hij hier lucht van had gekregen had hij natuurlijk nooit akkoord gegeven. Je kon erop rekenen dat de minst getalenteerde studenten deze opdracht met beide handen aanpakten om zo wat privé lessen te krijgen. Dit in combinatie met het gevaar dat onbekendheid met  zich meebrengt, had er zeker voor gezorgd dat Valerius niet had ingestemd met het plan om studenten erop uit te sturen om luistervinkje te spelen. Enfin, Valerius hoorde pas van de actie van Thibaud toen het leed al was geschied en er een behoorlijke groep leerlingen in diverse steden actief was om alle mogelijk nuttige informatie te verzamelen over de mysterieuze constructie die ergens in de bibliotheek stond.
Maandenlang was Valerius in zijn onderzoek dode sporen in gelopen en hij had het punt bereikt dat hij ook maar de kleinste, meest onwaarschijnlijke aanwijzing wilde volgen, als hij maar iets meer van de oorsprong van de golems te weten kon komen.
Wanneer je de briljante magiër nu zou vragen waarom hij er zo op gebrand was om meer over deze constructies te weten te komen, zou hij je het antwoord schuldig moeten blijven, Toegegeven, hij had in zijn glansrijke carrière al veel meer magische wonderen mogen aanschouwen. Maar op de een of andere manier bleven de Golems van Sel´hahinn hem fascineren.
En gisteren kwam daar dan het verlossend bericht. Van een minder getalenteerde leerling, ene Bralik. Een jongen die zeer waarschijnlijk nooit verder zou komen dan de derde cirkel, maar die wel een groot talent had om de gemoedstoestanden van mensen te lezen. Dit had hem waarschijnlijk ook geholpen met het vergaren van de informatie die hij kon delen over de golems.
Bralik had zich weken ingezet om informatie over de golems te achterhalen en had tenslotte iemand horen praten over een bijzonder getalenteerde beeldenmaker. Een oudere man vertelde het verhaal van de beeldenmaker die zichzelf in een grot had terug getrokken, waar hij alleen maar tijd en aandacht kon schenken aan het maken van de perfecte sculptuur.
Met  wat drankjes had de student de oude man dronken gevoerd en te horen gekregen dat deze beelden levensecht waren en dat zij ook vatbaar zouden zijn voor de vonk des levens. Toen Bralik de inmiddels beschonken man had gevraagd of de naam Sel´hahinn ook een rol speelde in dit verhaal, had de man even glazig gekeken. Vervolgens zij hij dat deze naam hem niet veel zei, maar wel dat de grot waarin de kunstenaar zou leven Sellies cave werd genoemd door de lokale bevolking.
Net zoals dit nieuws voor Bralik reden was om zo snel mogelijk naar Valerius toe te gaan en de beloning te incasseren, was dit voor Valerius dé gelegenheid om een stapje verder te komen in zijn onderzoek.  Bralik had de man zelfs een globale locatie van de grot kunnen ontfutselen. Natuurlijk niet voldoende om er met een teleportatiespreuk naar toe te gaan, maar desalniettemin accuraat genoeg om een trip naar de grot te ondernemen.
Dolenthousiast had Valerius zijn kameraden Belros en Marcus ingelicht en hen gevraagd om hem te vergezellen op de mini expeditie die hij ging ondernemen. ‘Het was zoals vanouds’, aldus Valerius.
Marcus liet weten dat hij er dit keer helaas niet bij kon zijn, omdat hij zelf midden in een onderzoek zat. Hij was iets op het spoor waarbij hij Valerius wellicht ook nog nodig had, binnenkort.
De leider van de tempel van Astoth daarentegen had bijna opgelucht gereageerd op de oproep van Valerius. Hij zei dat hij in naam van Astoth natuurlijk wel mee wilde om ook hier weer aan te tonen dat het recht dat Astoth spreekt altijd weer zegeviert.
Wat dit met de expeditie naar een beeldenmaker te maken had, wist Valerius eerlijk gezegd ook niet, maar het welkome gezelschap van Belros op deze reis had hem ervan weerhouden om hier verder vragen over te stellen.

De teleportatie voor Belros, Destrin en hemzelf, naar het voor hem meest bekende dorp in Cormyr was  snel geregeld, nadat hij de paladijn en zijn leeuwin had opgehaald uit de woestijn van Calimshan.
In het dorp had Belros een stel goede paarden gekocht en de rest van de reis naar de grot van de kunstenaar werd op traditionele manier afgelegd. Het had zo zijn voordelen om met een snelrechter van Astoth langs stille wegen te reizen. Op de een of andere manier werd het trio niet een enkele keer aangehouden op deze toch wegens struikrovers beruchte route. Het embleem van Astoth dat Belros  fier en openlijk op zijn kuras toonde werd waarschijnlijk toch herkend door hen die reizigers minder goed gezind waren op deze route.

Na een week bereikten Belros, Destrin en Valerius de grot waar in een herberg in Darromar voor het eerst over gesproken werd.
Goed geluimd stapte Valerius van zijn paard en beende op de ingang van de grot af.
Belros riep zijn vriend tot de orde: “Wat wil je gaan doen als je eenmaal binnen bent?”
Valerius keek lachend achterom en wierp de paladijn van Astoth toe: “Nou, gewoon een praatje maken.  Hoezo dan?”
Belros stapte brommend van zijn paard en voegde zich bij de magiër: “Op de een of andere manier, heb ik het gevoel dat het meer wordt dan alleen een praatje maken…”
Destrin keek even veelbetekend naar haar meester en gromde diep van uit haar keel.
Belros zuchtte een keer diep en mompelde: “Destrin is het met me eens. Helaas…”

Na een kort overleg stapten de jarenlange vrienden  Sellies Cave binnen… op zoek naar die felbegeerde informatie over de golems…

 

The Curious Case Of Patty Blue

The Titan’s Rack

De habijt van The Pilgrim trok een eentonig spoor over de modderige natte straten van Dock Ward. Snitch vroeg zich zwijgend af of de monnik voor hem de dikke laag vuil en modder aan de achterkant van zijn naakte onderbenen überhaupt nog voelde. Met speels gemak ‘sprong’ Snitch in de voetstappen die The Pilgrim achterliet in de drassige modderlaag. Hoewel de straten van Waterdeep waren overschaduwd door de invallende avond en donkergrijze regenwolken was het humeur van de halfling dief opperbest. Niet in het minst omdat de bestemming deze avond niets minder was dan het beruchte ‘The Titan’s Rack’, een bordeel met allure en van bovengemiddelde kwaliteit; althans volgens de brothel-O-meter van Snitch.
Dat Daryl, Yaminah en The Pilgrim de halfling voornamelijk hadden meegenomen om een schets van Patty Blue op te tekenen deed niets af aan Snitch’ voorpret. Heel even keek hij achterom en zag hoe Daryl met een stalen gezicht door de motregen stapte, zijn grijsgroene cape half wegsmeltend in het grauwe straatbeeld van Dock Ward. Als Daryl eens wist waar ik nu aan dacht… hitste de dief zichzelf op. Jezus, bij alleen de gedachte aan al die prammen, poezen en plezier kreeg hij al een halve erectie!  Snitch weerhield zichzelf ervan spontaan in zijn handen te klappen. In plaats hiervan wreef hij zijn knuistjes warmend aan de gedachten van al het lekkers dat hem te wachten stond.Hoe schril stonden de gedachten van Snitch in contrast met hetgeen The Pilgrim bezighield. Voor The Pilgrim betekenden de bordelen van Waterdeep een bron van verderfelijkheid. Een centrum van een universele onreinheid waarin goede dames van veel te lichte zeden hun zuurverdiende loon bij elkaar neukten. In het midden van dit alles poogde hijzelf en zijn Orde deze wentelingen van zedeloosheid in balans te brengen; soms bij wijze van boetedoening, vaker tegen beter weten in en bijna altijd vechtend tegen de bierkaai. En nu dit; de verdwijning van Patty Blue, hoogstwaarschijnlijk een concurrerende pooier of een ‘onbegrepen’ klant. Hoe het ook zij, The Pilgrim had zijn belofte gedaan en dit was opnieuw een mogelijkheid boete te doen.

Naast de ingang van The Titan’s Rack tokkelde een luitspeler lui op zijn instrument. De man keek niet op of om toen de vier ‘bezoekers’ hem passeerden. The Pilgrim klopte op de deur en keek met enige minachting naar de halfling naast hem. Rode blosjes kleurden Snitch’ wangen rood van opwinding. ‘Wat’szz up?’ vroeg de dief met dikke tong, maar voordat The Pilgrim kon antwoorden opende het ‘Walballah’. In voluptueuze volle glorie stond daar Wendy in de deuropening. Haar rondingen op de juiste plekken deed Snitch de lippen likken. Lang golvend goudblond haar omlijste een gezicht waar engelen van dromen. Met een honingzoete stem sprak Wendy door wellustig rode lippen; ‘Hey Pilgrim. Nu alweer terug? Business or pleasure?’ Terwijl Daryl een vragend wenkbrauw optrok stroomde een groot deel van Snitch’ bloed richting zijn inmiddels stevig kloppende piemel. Wendy keek de halfling aan en vervolgens naar de bobbel in zijn broek. ‘Dat hoef ik je maatje niet te vragen hè?’

In The Titan’s Rack werd snel tot zaken overgegaan. The Pilgrim vertelde Wendy dat Snitch graag een portret wilde tekenen van de vermiste Patty Blue. Wendy werkte maar al te graag mee en verzekerde dat Snitch een navenante beloning te wachten stond wanneer zij konden achterhalen wat er met Patty was gebeurd. Dit spoorde de halfling aan tot een nog nauwkeurigere tekening, met als bijkomend voordeel dat de geilaard nog een aantal momenten langer van het goddelijke lichaam van Wendy kon genieten.

In het licht van Tymora
Het bezoek aan The Titan’s Rack was kort maar vruchtbaar geweest. Gewapend met een realistische schets van Patty Blue verlieten Daryl, Snitch en The Pilgrim het bordeel. Eenmaal buiten wierp Daryl een copper piece in de houten nap van de luitspeler, met als gevolg dat de muzikant uit volle borst Waterdeep’s ‘Alle 14 Goed’ ten gehore bracht.

Nog dieper in het zwart van nachtelijk Waterdeep snelde het viertal zich naar het onderkomen van Patty Blue. De straten on het vervallen deel van Dock Ward waren leeg. Het druilerige weer, het ontbreken van straatverlichting en het zompige geluid van voetstappen door met modder bedekte straten deed het toch al niet beste humeur van The Pilgrim geen goed.
Het slot op Patty Blue’s huis bleek een peulenschil om te openen voor Snitch, ook dat stemde monnik niet gelukkiger. Een dame alleen zou zichzelf beter moeten beschermen. Yaminah en Daryl bleven buiten op wacht staan terwijl The Pilgrim en Snitch het huis doorzochten, op zoek naar aanwijzingen wat er met Patty Blue gebeurd zou kunnen zijn. Op een paar brieven en wat luxe artikelen na vond het tweetal geen bijzonderheden. Het luxe stuk zeep (afkomstig uit het badhuis Calendula) en de flessen wijn in de kelder waren hoogstwaarschijnlijk cadeaus van bijzonder dankbare ‘klanten’ en de brieven bleken afkomstig van Patty’s familie. Veelal brieven waarin Patty gevraagd wordt haar onzedige leven op te geven en terug te keren naar het ouderlijk huis.
‘Ik check even met de buurvrouw, wellicht dat zij iets heeft gehoord of gezien.’ merkte The Pilgrim op. Snitch knikte afwezig terwijl hij zijn welgevormde reukorgaan op Patty’s matras drukte. ‘Bwen effe aawn het wruiken of ik hier iets kan vinden.’ The Pilgrim slikte een opmerking weg en liep naar de tweede verdieping van het gebouw.
De buurvrouw bleek een rasechte Dock Wardian, en stond The Pilgrim met plat Dock Ward accent te woord. Het woord snol werd veelvuldig gebruikt wanneer ze over Patty Blue sprak en klaarblijkelijk stond er laatst een onguur type aan de deur. Maar, zo bleek, de buurvrouw had eigenlijk niet veel opgemerkt. Of het moest dat nette type, je weet wel, zo’n kakker uit North Ward zijn die geregeld aan de deur kwam.

Na snel overleg werd besloten om de Abe een bezoek te brengen. Minutenlang liepen de vier door de verlaten straten en stegen van Dock Ward richting het havendok waar Abe werkzaam zou zijn. Zowel Snitch als Daryl zocht de schaduw op om zo min mogelijk op te vallen. Plotseling klonk vanuit een donkere steeg de stem van Daryl. Luid en duidelijk gaf de ranger te kennen dat er iets niet in de haak was; “Oh ja?! … Nou dan kan je ‘m krijgen!” Daryl was omsingeld door een groep bendeleden die op het punt stonden de ranger te beroven. Het gevecht dat volgde was kort, maar hevig. De ranger verweerde zich totdat hij bijval kreeg van The Pilgrim en Yaminah, terwijl Snitch de rovers een lesje in backstabs leerde. Slechts één van de bendeleden had weten te ontkomen. En waarschijnlijk waren de Dockward Brawlers, de bende waarvan de rovers deel uitmaakten, inmiddels al geïnformeerd over de fout gelopen overval. Zonder al teveel kleerscheuren kwamen de groepsleden aan bij het havengebouw waar Abe werkzaam zou zijn.

In het havengebouw brandde licht. Op zich niet zo vreemd, want in Dock Ward werd dag en nacht gewerkt. Met wat kunst en vliegwerk posteerden Snitch en The Pilgrim zich naast de ingang van het havengebouw om zo het gesprek dat zich in het gebouw afspeelde af te luisteren. Helaas kon geen van beiden duidelijk horen wat er gezegd werd, maar dat er iets gaande was, zoveel was duidelijk. Temeer daar de deur van binnenuit gebarricadeerd was. Terwijl Daryl en Yaminah de wacht hielden klommen Snitch en The Pilgrim via het dak van het havengebouw naar de achterkant van het dok. Eenmaal daar aangekomen zagen de twee hoe minimaal zes havenarbeiders een tweetal wagens vollaadden met ronde tonnen. The Pilgrim gaf het sein dat ze terug moesten gaan. ‘We zijn hier om informatie te vinden over de verdwijning van Patty Blue.’ Snitch begreep de hint en samen klommen de twee terug naar de hoofdingang. Sierlijk sprong Snitch van het dak. Gevolgd door de monnik. Helaas gleed diens zacht lederen slipper van het door motregen glad geworden bordes, waardoor The Pilgrim met een immens kabaal tussen de houten barrels onder het bordes donderde. De personen in het havengebouw kwamen naar buiten gerend. Snitch verschool zich in de schaduw naast de deuropening, terwijl de rest van zijn teamgenoten zich eveneens zo goed mogelijk probeerden te verschuilen.
Vanuit het havengebouw stapten een aantal pitfighters, veelal barbarians en berserkers die op commando van een priester de omgeving afzochten. Daryl was intussen van de kade het water ingesprongen terwijl Yaminah zich langs de kade-kant had verscholen. The Pilgrim rende zachtjes naar de achterkant van het dok om zo via de achteringang, indien nodig, een verrassingsaanval te kunnen inleiden. Voordat hij het havengebouw betrad zag hij aan de ene kant de volgeladen wagen en aan de waterkant een bootje vertrekken. Kijkend door het havengebouw zag hij Abe naar buiten stappen.
Na enkele spannende minuten gaven de mercenaries van Abe hun zoektocht op en bleven alle groepsgenoten klaarblijkelijk onopgemerkt. Dat Abe niet zomaar de eerste de beste harbour thug bleek, zoveel was wel duidelijk. In stilte beloofde The Pilgrim plechtig bij de eerstvolgende gelegenheid zijn dank te betuigen aan Tymora. Hoeveel geluk kon iemand immers hebben in een situatie als deze?

The Curious Case Of Patty Blue – part III

“…door de vuiligheid van de volken, om hun gruwelen,
waarmede zij vervuld zijn, van het ene einde tot
het andere einde, met hun onreinigheid…”

                                                                                                      – Ezra 9:11

Het gejammer vanuit het complex begon Yaminah op haar zenuwen te werken. Het gehuil dat nog slechts een zweem van vrouwelijkheid en menselijkheid bevatte deed haar op een of andere manier denken aan die bewuste dag dat haar tribe werd overvallen en het tentenkamp in brand werd gestoken. Onbewust voelde ze onder haar sluier aan haar inmiddels geheelde, desalniettemin verminkte gezicht.
Waar haar huid jong, strak en zacht had moeten zijn, voelden Yaminah’s vingers hard en onregelmatig vlees, als een onstuimige zee van gestold lava.
Iedere groef bracht een ander beeld van die diepzwarte dag. Dan weer een flits van plunderende krijgers van de rivaliserende stam, dan weer het moment dat haar lange zwarte haard vlam vatte. Zelfs nu, jaren later, brachten de herinneringen meer dan alleen beelden, wat nog over was van haar neus werd geprikkeld en de penetrante geur herinnering van verbrand haar, in combinatie met doorbakken huid kwam ongevraagd weer tot haar.
Ineens werd de archer bruut wakker geschud uit haar overdenkingen toen ze vanuit de geheime gang waardoor zij en haar compagnons waren binnen gekomen geschuifel hoorde. Ze gaf een kort signaal naar Daryl die tegenover haar stond; waarop de ranger Snitch maande tot dekking. De dief stopte zijn handelingen om de deur voor hem te openen en verdween geruisloos in de schaduw.
Dat Yaminah alarm had geslagen bleek terecht, want slechts seconden later wandelde Trouvit langs, klaarblijkelijk had hij geen van de groepsgenoten opgemerkt want de excentriekeling liep hen straal voorbij. Zo snel als Trouvit was verschenen, zo snel was hij weer uit beeld. Snitch en Daryl lieten er geen gras over groeien en besloten Trouvit te volgen. Er was hier iets goed mis en ze waren er zeker van dat de man hen rechtstreeks naar de misstand zou leiden.

Daryl volgde het spoor van Trouvit tot aan een soort tussenruimte wat opvallend netjes was ingericht, inclusief kacheltje, bureau en boekenkasten. Op het bureau lag een foliant waarin namen en nummers genoteerd stonden. Geen van de groepsgenoten kon hier echter wijs uit worden. Als een stel volleerde inbrekers doorzocht de groep de kasten en het bureau. Niet veel later drukte Snitch een aantal potions in zijn pouch en bestudeerden Lucien, Sandor en The Pilgrim een doosje met daarin een langwerpige naald en een aantal potjes die een bepaalde substantie leken te bevatten. Een bijzonder voorwerp, zo werd besloten, maar waar het toe diende ook dat was niet duidelijk.

Terwijl het drietal nog in discussie waren over het eventueel gebruik van de naald stapte er onverwachts een wachter de ruimte in. The Pilgrim aarzelde geen moment en greep de man bij zijn kraag verder de kamer in. In een vloeiende beweging draaide de monnik achter de bewaker langs om hem zo in een houdgreep te nemen en tegelijkertijd met een korte trap de deur te sluiten. Heel angstig leek de man niet toen, zoals inmiddels gebruikelijk en geaccepteerd binnen de groep, Lucien het woord nam.
“Ik stel een vraag en verwacht een kort en duidelijk antwoord.” De man trok een snerende glimlach naar de sorcerer, waarop The Pilgrim zijn houdgreep ietwat kracht bijzette.
“Ok, ok…” kuchte de man. …

… Konrad Caldera deed zijn ronde zoals hij al jaren had gedaan. Eerst voor de oude Trouvit, dat was best een goede vent, hard maar fair; een echte zakenman. Iemand voor wie je respect had. En nu, tja nu voor Gillian Trouvit. Voorheen had Konrad Gillian Trouvit al een aparte man gevonden, maar sinds hij vanuit de dagbewaking naar de dungeon bewaking was overgeplaatst had hij geluiden gehoord en dingen gezien waar hij inmiddels bijna dagelijks ’s nachts van wakker schrok. Zijn vrouw had hem al meerdere malen gevraagd om ergens anders te gaan werken, maar Konrad was snel wijs geworden. Met alles wat Konrad in huize Trouvit had gezien was zijn leven buiten de muren van het landgoed niet veel waard. Dat het letterlijk “stikken of slikken” zou worden was Konrad nu nog niet duidelijk.

Terwijl Konrad zijn routine doorliep van deuren checken, indien op slot, dan niks aan de hand, indien niet op slot even checken en vervolgens dichtdraaien, dacht hij aan de belofte die hij had gedaan aan zijn 5 jaar oude dochtertje, Janar; voor het slapengaan nog één verhaaltje. Waarschijnlijk zouden het er wel twee worden en met een milde glimlach checkte Konrad de volgende deur. Hey, deze deur was open, apart…. plotseling schoot een pezige hand door de kier van de opengaande deur en greep Konrad bij zijn tuniek. Met brute kracht werd hij door de deuropening de kamer in getrokken. Binnen een span van tijd van minder dan een seconde overviel Konrad een gevoel van schrik, stokkende angst, verbazing en vervolgens een redelijke mate van zelfverzekerdheid; hij was immers een getrainde wacht en voor de duvel niet bang. Gedurende de seconde van intense emotiewisseling werd Konrad om zijn as gedraaid, zag hij de onbekende gezichten van drie mannen en een gesluierd persoon, en voelde hij hoe de arm zich als een boa constrictor rond zijn keel kneep. Terwijl Konrad met zijn rug naar de deur stond wist hij dat de man die hem in een wurggreep had tegelijkertijd met een korte trap de deur had gesloten. Even leek Konrad het bewustzijn te gaan verliezen, maar de wurggreep rond zijn keel werd wat losser. In plaats van een poging te ondernemen om los te komen, verkoos Konrad in al zijn wijsheid zich koest te houden. Hij was outnumbered en zijn enige ontsnappingsroute was net geblokkeerd.

Even was er een moment van verwarring zo leek het. De personen in de kamer, zag Konrad, waren allemaal gekleed in tunieken van de huishouding, geen wachters, maar bedienend personeel. Op een na, was dat nou een halfling?
Eén van de personen, een man, stapte naar voren en maakte een eind aan het moment van verwarring. Met een vlakke hand sloeg hij Konrad in het gezicht en gaf hem vervolgens een harde stomp in het middenrif. Konrad kuchte en rochelde wat maagzuur op, maar had geen adem genoeg om het uit te spugen, waardoor het langzaam uit zijn mond sijpelde. Er werd hem iets gevraagd; Konrad registreerde het wel, maar hoorde het niet. Opnieuw een klap in zijn gezicht. Enigszins verbaast bleek het dat hij er helderder van werd.
“Ik stel een vraag en verwacht een kort en eerlijk antwoord, is dat begrepen? ”
Konrad had de vraag nu wel begrepen. “Ja…”, antwoorde hij en probeerde een vuige, stoere glimlach op te zetten. Dit werd duidelijk niet gewaardeerd. De ondervrager sloeg Konrad nogmaals in het gezicht en de wurggreep werd nog even extra aangezet.
“Ok, ok…” kuchte Konrad. Het was duidelijk, het was de mannen ernst. …

… Hoewel het niet allemaal even van harte ging beantwoorde de bewaker Luciens vragen, schijnbaar naar alle eerlijkheid. Echter, toen Lucien de lange naald toonde en vroeg waar deze toe diende schoot de bewaker in de paniek.
“Aha, dus dit doet je beven!” zei Lucien zachtjes. “Vertel eens dan, wie heeft hier de leiding? Heeft Trouvit de leiding?” De man begon nu echt tegen te stribbelen en The Pilgrim had moeite om de bewaker onder controle te houden.
“Ik kan… mag… niet…” de bewaker gorgelde zijn laatste woorden, waarna zijn ogen schuin naar boven wegdraaiden en het leven liet. …

…Honderden flarden van gedachten schoten Konrad door het hoofd. Hij was gevangen genomen, wat mocht, moest of kon hij zeggen? Welke ronde had hij gedaan en wie zou er na hem komen, en hoe laat? En hoe laat was het nu? Die indringers, wat moesten die hier, waren ze van plan hem te doden, had hij kans van overleven? En als ze hem niet zouden doden, wat dan? Invalide was hij niets meer waard voor zijn familie, laat staan voor zijn werkgever. Wat moesten ze dan?
Ondertussen gaf Konrad zonder al teveel emotie te tonen en niet teveel informatie weg te geven antwoord op de vragen die hem gesteld werden. Het leek allemaal best goed te gaan. Hij schikte zich in de rol van gevangene en gaf min of meer de informatie die van hem verlangd werd. Tot het moment dat de ondervrager de naald tevoorschijn haalde. De honderden flarden gedachten vormden zich in een fractie tot angst. Het zweet brak Konrad uit. Het voorwerp waarvan hij exact wist waar het toe diende, waarvan hij wist welk leed het had veroorzaakt; de pijn; de verminkingen!
“Aha, dus dit doet je beven!” fluisterde de ondervrager. Konrads onderkaak begon letterlijk te klapperen van angst.
Weer een vraag: “Vertel eens dan, wie heeft hier de leiding?”
Konrad voelde zich koud en misselijk, en ineens een brandend gevoel op zijn borst. Was het de piercing die hij als initiatie tot de dungeon bewaker ‘opgespeld’ had gekregen? Het branderige gevoel werd ondragelijk en Konrad begon uit pure doodsangst los te komen uit de grip van zijn wurger.
Opnieuw een vraag: “Heeft Trouvit de leiding?”
Konrad wist het antwoord en wilde het uitschreeuwen van pijn en afschuw, maar zijn stem stokte terwijl zijn longen zich leken te vullen met fakkelolie. Het enige dat hij nog kon uitbrengen waren korte woorden. Terwijl hij zich realiseerde dat hij aan het overlijden was vouwden Konrads laatste gedachten om het verhaal dat hij die avond aan zijn dochter, zijn Janar zou vertellen. …

“Ik was het niet!” zei The Pilgrim stellig.
Sandor bekeek de dode bewaker en stelde de monnik gerust. “Deze man is niet gewurgd.” Voorzichtig opende de cleric van Lathander de mond van de bewaker. Achterin in het keelgat zat een krop vlees dat op een of andere manier omhoog was geschoten. “Deze man is gestikt.”
Bij nader onderzoek bleek dat een stalen ring diep in de borst van de man gebrand was. Waarschijnlijk een magisch ‘last resort’ alarm dat af is gegaan toen de bewaker teveel vrij informatie zou geven.
De overleden bewaker ontving de zegen van zowel Lathander als Mystra en werd vervolgens verborgen.

“…wanneer de wachters des huizes zullen beven,
en de sterke mannen zichzelven zullen krommen…”

                                                                                        -Prediker 12:3

Niet veel later, Daryl was het spoor van Trouvit inmiddels kwijt, zag Snitch in de verte van een lange gang een andere bewaker staan. Helaas bleven de torches en bull’s eyes van de groep ook niet ongemerkt en deed de bewaker wat een bewaker hoort te doen. Met luide stem eiste de wachter opheldering: “Wie is daar?”. Maar, geen van de zes avonturiers gaf een krimp. Nogmaals vroeg de wachter om henzelf bekend te maken; “Wie is daar?”
In plaats van antwoord te geven doofden de torches. Kordaat stapte de bewaker door de deur achter hem en draaide deze vervolgens op slot.
In de schaduw keken Daryl en Snitch elkaar een beetje vragend aan, maar binnen no-time werd duidelijk dat de overige bewakers waren gealarmeerd, aangezien een groep van vier wachters vanuit de gang achter de avonturiers kwamen aanmarcheren. Yaminah hield de bewakers op afstand, terwijl Snitch naar voren rende om de deur van het slot te halen. De bewakers trokken zich terug. Vakkundig ontgrendelde Snitch de deur waarna de groep verder het complex introk.

De bewaker die zijn collega’s had gealarmeerd had zich verschanst achter een deur en wachtte stijf van de adrenaline op wat komen ging. Hij gluurde door de ijzeren spijltjes die als doorkijk gat fungeerden. Zijn zicht was beperkt tot de trap die zich voor de deur naar boven baande en ongeveer 1 meter aan weerszijde van de deur. De spanning was om te snijden, zeker toen hij de schaduwen zag die ongetwijfeld door fakkellicht tegen de muur langs de trap werden geworpen. Toen zag hij de eerste van zes personen; klein van stuk, maar met een verbeten gezicht, zoekende, zo leek het.
Wat moest hij doen?  Dacht de bewaker. Hij keek om zich heen, naar de accessoires die hij ter beschikking had om indringers buiten te houden; vuur, kokend lood, en niet te vergeten zijn geladen kruisboog. Hij besloot af te wachten wat er zou volgen, maar hield de geladen crossbow paraat.
Stuk voor stuk liepen de indringers voorbij de deur tot die ene lange gespierde vent hem recht in het gezicht aankeek, even wachtte en hem een knipoog gaf, daarna liep de man door. De bewaker voelde een druppel zweet vanuit zijn nek langs zijn ruggengraat naar beneden glijden. Hij liep langzaam naar achteren, uit het zicht van de man aan de andere zijde van de deur. Zou hij onopgemerkt gebleven zijn? Dat kon toch niet! Die kerel keek hem recht aan en gaf nog een knipoog toe! Toch bleef het heel rustig aan de andere kant van de deur.
De bewaker vertrouwde het niet en kwam weer dichterbij de deur waar het hem opviel dat er gemorreld werd aan de deur. Aha! dacht hij, die zijn bezig met het slot. Voorzichtig pakte hij het kommetje met kokend lood en goot het door de ijzeren spijltjes. Meteen resultaat! Een korte schrille schreeuw was het gevolg en de bewaker kon zien hoe een korte man, het leek wel een halfling, nee het was een halfling, achteruit was gesprongen. De bewaker aarzelde geen moment en schoot met zijn kruisboog een pijl af, gemikt op de hartstreek van de weggesprongen halfling. Tot zijn verbazing zag de bewaker hoe zijn opponent zich in een onmenselijk flexibele vouw draaide en de pijl wist te ontwijken. Het tafereel ontspon zich in alle stilte.

Aan de andere kant van de deur zag Lucien hoe Snitch de crossbow bolt net wist te ontwijken.
“We missen de plank!” fluisterde Daryl. Maar, liet zich van zijn praktische kant zien door de bediende-tuniek uit te trekken en vervolgens voor het doorkijk gat van de deur te houden. Daarna gaf hij Snitch het signaal verder te gaan met het openen van de deur. “Zo, schiet nu nog maar eens een bout af, vriend.” voegde de ranger er triomfantelijk aan toe. De bewaker had echter andere plannen en stak de tuniek pardoes in brand!
“Ook goed!” reageerde Lucien en liet de brandende tuniek tegen de houten deur vallen. Dit keer verscheen de hand van de bewaker door de ijzeren spijltjes en probeerde met een bakje water het vuur te doven. Daryl greep daarop de arm van de wachter en trok hem door het gat tegen de deur. “Doe die deur open of ik trek je arm eraf!” De bewaker wist zich echter los te wurmen en wilde zich uit de voeten maken. Maar Lucien was dit keer voorbereid; hij wendde zich tot Mystra sprak een magic missile uit. Vanachter de deur klonk een kreet en de bewaker maakte dat hij wegkwam.

Inmiddels hadden een aantal andere bewakers de trap ook bereikt. Zoals gebruikelijk stond Yaminah op de uitkijk en wist de wachters doormiddel van hoogstaand boogschutter vakmanschap lang genoeg af te houden. Sterker nog, de bewakers besloten eieren voor hun geld te kiezen en trokken terug.

De houten deur was inmiddels volledig uitgebrand en de avonturiers glipten één voor één voor één langs de smeulende resten. Vanachter een groot traliehek achter in de verlichte kamer schoot de bewaker die eerst bij de deur stond een paar kruisboogbouten af, maar werd al snel uitgeschakeld door Yaminah. Snitch was ondertussen al naar het traliehek gerend. Waarschijnlijk had de dief nog steeds een beetje de pest in over het akkefietje met de houten deur en wist het traliehek werkelijk binnen recordtijd te ontgrendelen. “Zie je wel dat je het kunt.” motiveerde de halfling zichzelf en liep voorzichtig voorbij het hekwerk.

…met het gebed, en smekingen,
met vasten, en zak, en as…

                                                – Daniël 9.3

Waar Snitch en The Pilgrim in zekere mate op de hoogte waren van de erbarmelijke omstandigheden in de gevangenissen van Waterdeep, had Sandor eerlijkheidshalve nog nooit een gevangenis van binnen gezien. Niets kon hem dan ook hebben voorbereid op de geuren en impressies die hij zou opdoen toen hij, zonder het zelf te weten, het cellencomplex onder Trouvit Manor betrad. De voorvechter van Lathander the Morninglord sloeg zijn hand voor zijn mond en neus, maar het was eigenlijk al te laat. De weerzinwekkende geuren-mengelmoes van pis, kots, zweet, bloed, stront en angst was zijn neusgaten en keel al binnengeslopen. De zware misselijkmakende lucht leek rust te nemen op Sandor’s huig, waardoor een korte hevige hoestbui niet viel te onderdrukken. The Pilgrim sloeg de cleric zachtjes op zijn rug, en na een moment rust ging de hoestbui voorbij en hing de omgeving als een koude natte doek om Sandor’s schouders.

Het zestal stapte het cellencomplex binnen en waren werkelijk gechoqueerd door de omstandigheden waarin de ‘gevangen’ leefden. Tientallen cellen, rij na rij na rij, en in iedere cel een of meerdere vrouwen; zwaar verwaarloost, gemarteld, verkracht en verminkt. De meesten zaten in hun eigen uitwerpselen, maar sommigen lagen op de grond of stonden; soms met hun gezicht naar de muur, of in de hoek.

Sandor kon niet anders dan terug te vallen op gebed, een ter bescherming van zichzelf en al het goede. Als hij ooit kwaad had gevoeld, dan was het nu wel. Hoe vuig en wreed de medemens kon zijn?

Snitch was eveneens zeer ontdaan door de dramatische omgeving en liep van cel naar cel. Even maakte hij aanstalten om een celdeur te openen, maar leek zich te bedenken. Wat zou er gebeuren als Trouvit erachter komt dat er een vrouw is vrijgelaten en meegenomen naar de stadswacht? Het antwoord leek Snitch simpel, geen van deze vrouwen die hier gevangen zaten zou het overleven. Trouvit was machtig en vooral rijk genoeg om ze stuk voor stuk te laten verdwijnen. De halfling had zijn keuze gemaakt en had besloten om dan maar alle vrouwen te bevrijden. Nadat hij de eerste vijf celdeuren had geopend kwam hij echter tot inkeer, want hoe moesten ze in godsnaam al deze ‘verwilderde’ en gestoorde mensen het complex uit leiden? Inmiddels had één van de vijf vrouwen al de benen genomen en weigerde een tweede überhaupt uit haar cel te komen. Snitch liet de rest van de celdeuren vooralsnog gesloten.

Snitch was zeker niet de enige die het mentaal zwaar had onder deze omstandigheden. Sandor kreeg regelrechte gewetensbezwaren en ook The Pilgrim stond in dubio; moesten ze de vrouwen bevrijden, of juist niet, zodat hun veiligheid nog enigszins gewaarborgd kon worden? Terwijl de cleric en de monnik elkaars en hun eigen moraal toetsten liepen Snitch, Daryl en Lucien door, dieper het immense complex in. Hoogstwaarschijnlijk, zo dacht Lucien, was het boek dat hij had meegenomen uit de tussenkamer een charter waarin alle gevangenen bijgehouden werden. Boven iedere celdeur zat een plaatje waarin een stukje beschreven perkament geschoven kon worden. Boven ieder van de cellen die bezet waren was een stukje perkament ingestoken en beschreven met een cijferreeks dat overeenkwam met een referentie in het boek.

Lucien was de eerste die haar zag hangen; in cel AA-XXVII was een vrouw met kettingen aan haar cel muren gebonden. Ze hing schijnbaar levenloos in haar cel en haar eens bevallige lichaam was onteerd en beschadigd door ruwe schilderingen van insecten. De link met Patty Blue werd meteen gelegd. Terwijl Snitch de celdeur opende leek de vrouw bij te komen.
“Rustig maar, we nemen je mee.” sprak Snitch zachtjes. En hij ontdeed de vrouw van haar ketenen. “Ik ben Snitch, hoe heet jij?” De vrouw keek de halfling vermoeid aan en wilde antwoorden, maar tot Snitch grote schrik bleek de vrouw geen tong meer te hebben!
“Hij heeft haar tong uitgesneden!” riep Snitch.
The Pilgrim had zich samen met Sandor inmiddels weer bij het merendeel van de groep gevoegd en antwoorde dat dit bij alle gevangen was gebeurd. “Welk zieke geest huist er hier?” prevelde Sandor.
De vrouw met de schilderingen werd meegenomen, terwijl een cel verder een ogenschijnlijk nog gruwelijker voorval had plaatsgevonden. In deze cel, AA-XVIII, troffen de avonturiers een vrouw aan, ook weer gemarteld en verminkt, waarbij door haar rug een rood lint was geregen.
Het macabere schouwspel werd erger naarmate er dieper het cellencomplex werd ingetrokken. Er werden tientallen vrouwen met barbaarse beschilderingen aangetroffen. In iedere cel zat een vrouw en hoewel sommige celdeuren open stonden bleven de gevangenen gewoon zitten, staan of liggen in hun cel.

“Nu wil ik het weten ook.” zei Lucien in zichzelf en sprak een detect magic uit. De sorcerer vermoedde al dat de schilderingen magisch waren en zijn vermoeden werd bevestigd. Snel keek hij naar de lange naald die hij had meegenomen; ook die bleek magisch evenals de gekleurde substantie in diverse potjes uit het bijbehorende doosje. Ineens was het glashelder dat de naald gebruikt werd om de magische schilderingen op de vrouwen te tatoeëren. “Een bruut en barbaars formaat om zoiets delicaats uit te voeren.” merkte Sandor op en hij voelde een koude rilling over zijn rug lopen terwijl hij dacht aan de pijn die de getatoeëerde vrouw naast hem heeft moeten doorstaan.

 

“…En zij drongen zeer op den man, op Sandor,
en zij traden toe om de deur open te breken….”

                                                                              – Genesis 19:9

Met het voorbijgaan van cellen versnelde de groep het tempo. Hoeveel vrouwen werden hier gevangen gehouden? Dacht The Pilgrim in zichzelf. En hoe heeft dit kunnen gebeuren onder het oog van zowel de stadswacht als hemzelf? Voelde hij zich op een verwrongen manier wellicht schuldig voor het leed dat deze vrouwen was aangedaan? Heel veel tijd om hierover na te denken werd de monnik niet gegund.  Inmiddels waren Daryl en Lucien de groep ietwat vooruit gelopen en kwamen een kamer in waar een welbevallige dame hen zwoel aankeek. De dame zat in een uitnodigende houding op een smoezelig bed, geketend aan de muur via een neksluiting.
Zowel Daryl als Lucien moest bekennen dat zij niet geheel onaangedaan waren door haar verschijning, waarschijnlijk nog eens versterkt omdat ze de afgelopen minuten zoveel ellende hadden gezien.
The Pilgrim stapte de kamer in en liet weten dat de vrouw niet echt was. “Dit is een pleasure golem.” Snitch was meer dan geïnteresseerd dus vertelde The Pilgrim iets meer.
“Deze golems worden gebruikt, danwel misbruikt voor het bevredigen van onzedige gedachten. Het komt wel voor dat personen bij het zien van een dergelijke golem hun seksuele driften niet langer de baas kunnen en zich in al hun hevigheid laten gaan.” Snitch knikte en zijn gezicht klaarde enigszins op. Sandor de cleric kwam ondertussen als laatste de kamer in en voegde daad bij The Pilgrim’s woord. Daryl hield een hand voor de ogen van de getatoeëerde vrouw terwijl Yaminah even de deur van de kamer sloot voor wat meer privacy voor de priester van Lathander.

Nadat Sandor zijn celibaat succesvol had verbroken en hij overtuigd werd dat het niet helemaal zijn fout was, het kon immers iedereen overkomen (“Ja, maar het overkomt mij!”), werd besloten dat de beste manier om dit achter ons te laten, de man die al dit kwaad veroorzaakt had ter verantwoording roepen. Met hernieuwde energie leidde Sandor de weg, op zoek naar Gillian Trouvit.

 

Voor zover het mogelijk was werd de beklemmende kwaadaardige atmosfeer nog beklemmender naarmate de groep verder het cellencomplex introkken. Het gejammer van vrouwen ging onafgebroken door, geluiden die je normaliter alleen in kerkers hoorde volden de gangen en cellen. Waar voorheen iedere cel bezet was, bleek hier nu en dan een cel leeg te staan. En ineens, eigenlijk vrij onverwachts, stond daar aan het einde van de gang Gillian Trouvit. Snitch en Daryl doken meteen de schaduw in en probeerden dichterbij te komen.
Trouvit stond vrij stil een cel in te kijken, alsof hij de gevangene aan het bestuderen was. Verderop bleek de gang breder en uit te komen bij een grote dichte deur. Vanuit een andere gang kwam een in het zwart geklede, donker getinte man naar Trouvit toelopen. De man keek naar Trouvit en vervolgens de gang in waar Snitch en Daryl in de schaduw stonden. Het was duidelijk dat de man Daryl had gezien, want na een korte geïrriteerde grom begin de man met het uitspreken van een magische spreuk.
Snitch probeerde zich, net als Daryl, terug te trekken, waarop Trouvit zich naar de halfling draaide en bijna smekend vraagt: “Help me!” De man had Snitch nu ook in de gaten, waardoor de dief niet langer aarzelde en een sneak attack uitvoerde. Daryl’s pijl miste helaas de magiër.
De rest van de groep hadden zich nog niet kunnen mengen in het gevecht. De in het zwart geklede man wachtte niet langer af en riep luidkeels “Attack!” Vrijwel direct sprongen de meeste celdeuren open en werden de groepsgenoten aangevallen door de gevangenen.
“Het zijn zombies!” riep The Pilgrim terwijl hij de naar vlees graaiende handen van zich afsloeg. Sandor de Sauvignon was nu op bekend terrein en riep de goddelijke kracht aan van Lathander om de onreine wezens te turnen.
 “Als dit zombies zijn, dan is dat manspersoon daar verderop een necromancer!” schreeuwde Lucien luidkeels om maar boven het oorverdovende gekrijs van de klauwende zombies uit te komen.
De necromancer viel opnieuw aan, dit keer met de Mage Hand die hij had opgeroepen, maar deze miste Snitch op slechts een haar. Opnieuw schreeuwde de evil mage slechts één woord: “Skrank!” onmiddellijk gevolgd door zwaar dreunende voetstappen vanachter de grote, nu nog dichte deur aan het andere eind van de gang.